5.8.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 263/18
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 6 juni 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szekszárdi Járásbíróság — Hongarije) — Ágnes Weil/Géza Gulácsi
(Zaak C-361/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EU) nr. 1215/2012 - Artikel 66 - Werkingssfeer ratione temporis - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Werkingssfeer ratione materiae - Burgerlijke en handelszaken - Artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a) - Uitgesloten gebieden - Huwelijksgoederenrecht - Artikel 54 - Verzoek tot afgifte van een certificaat dat aantoont dat de door het gerecht van oorsprong gegeven beslissing uitvoerbaar is - Rechterlijke beslissing betreffende een schuldvordering die is ontstaan uit de ontbinding van de uit een niet-geregistreerd partnerschap voortvloeiende vermogensregeling)
(2019/C 263/22)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Szekszárdi Járásbíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ágnes Weil
Verwerende partij: Géza Gulácsi
Dictum
1)
Artikel 54 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een gerecht van een lidstaat waarbij is verzocht om afgifte van een certificaat dat de uitvoerbaarheid van een door de rechter van oorsprong gegeven beslissing aantoont, in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de rechter die de ten uitvoer te leggen beslissing heeft gegeven zich bij de vaststelling daarvan niet heeft uitgesproken over de toepasselijkheid van die verordening, moet nagaan of het geding binnen de werkingssfeer van voornoemde verordening valt.
2)
Artikel 1, lid 1 en lid 2, onder a), van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat een vordering zoals die in het hoofdgeding, die betrekking heeft op een verzoek tot ontbinding van de uit een niet-geregistreerd partnerschap voortvloeiende vermogensrechtelijke betrekkingen, onder het begrip „burgerlijke en handelszaken” in de zin van dat lid 1 en daarmee binnen de materiële werkingssfeer van die verordening valt.
(1) PB C 311 van 3.9.2018.