11.11.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 383/29
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 september 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social n. 3 de Barcelona - Spanje) – DW/Nobel Plastiques Ibérica SA
(Zaak C-397/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 2000/78/EG - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Artikel 2, lid 2, onder b), ii), en artikel 5 - Verbod van discriminatie op grond van handicap - Werknemer die bijzonder gevoelig is voor beroepsrisico’s in de zin van het nationale recht - Bestaan van een „handicap” - Ontslag om objectieve redenen gebaseerd op criteria van productiviteit, multi-inzetbaarheid binnen de onderneming en ziekteverzuim - Bijzondere benadeling van personen met een handicap - Indirecte discriminatie - Redelijke aanpassingen - Persoon die niet bekwaam, in staat en beschikbaar is om de essentiële taken van de betreffende functie uit te voeren)
(2019/C 383/31)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de lo Social n. 3 de Barcelona
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: DW
Verwerende partij: Nobel Plastiques Ibérica SA
in tegenwoordigheid van: Fondo de Garantía Salarial (Fogasa), Ministerio Fiscal
Dictum
1)
Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat de gezondheidstoestand van een werknemer die is aangemerkt als bijzonder gevoelig voor beroepsrisico’s in de zin van het nationale recht, welke gezondheidstoestand die werknemer belet bepaalde functies te vervullen omdat dit een risico voor zijn eigen gezondheid of die van andere personen inhoudt, slechts valt onder het begrip „handicap” in de zin van die richtlijn, wanneer die gezondheidstoestand leidt tot een beperking van de geschiktheid, met name ten gevolge van een langdurige fysieke, mentale of psychische aandoening, die de betrokken persoon in wisselwerking met diverse drempels kan beletten ten volle, effectief en op voet van gelijkheid met andere werknemers te participeren in de samenleving. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of in het hoofdgeding aan deze voorwaarden is voldaan.
2)
Artikel 2, lid 2, onder b), ii), van richtlijn 2000/78 moet aldus worden uitgelegd dat het ontslag om „objectieve redenen” van een werknemer met een handicap op grond dat deze beantwoordt aan de selectiecriteria die door de werkgever in aanmerking zijn genomen om te bepalen welke personen moeten worden ontslagen, te weten een productiviteit die lager is dan een bepaald percentage, een lage multi-inzetbaarheid binnen de onderneming en een hoog ziekteverzuim, indirecte discriminatie op grond van handicap vormt in de zin van die bepaling, tenzij de werkgever vooraf ten aanzien van die werknemer heeft voorzien in redelijke aanpassingen als bedoeld in artikel 5 van die richtlijn, teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap wordt nageleefd, wat door de nationale rechter moet worden nagegaan.
(1) PB C 294 van 20.8.2018.