11.11.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 383/32
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 september 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Judecătoria Constanța - Roemenië) – R/P
(Zaak C-468/18) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen - Verordening (EG) nr. 4/2009 - Artikel 3, onder a) en d), en artikel 5 - Gerecht waarbij drie gezamenlijke verzoeken inzake de echtscheiding van de ouders van een minderjarig kind, de ouderlijke verantwoordelijkheid en de onderhoudsverplichting ten gunste van het kind zijn ingediend - Bevoegdverklaring inzake echtscheiding en onbevoegdverklaring inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid - Bevoegdheid inzake het verzoek betreffende een onderhoudsverplichting - Gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft en waarvoor hij verschijnt)
(2019/C 383/34)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Judecătoria Constanța
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: R
Verwerende partij: P
Dictum
Artikel 3, onder a) en d), en artikel 5 van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen, dienen aldus te worden uitgelegd dat wanneer een gerecht van een lidstaat zich moet uitspreken over drie in één beroep ingediende verzoeken die betrekking hebben op respectievelijk de echtscheiding van de ouders van een minderjarig kind, de ouderlijke verantwoordelijkheid voor dit kind en de onderhoudsverplichting jegens dit kind, het gerecht dat zich uitspreekt over de echtscheiding en zich onbevoegd heeft verklaard ter zake van het verzoek betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, desalniettemin bevoegd is ter zake van het verzoek inzake de onderhoudsverplichting jegens het kind indien dit gerecht ook het gerecht van de gewoonlijke woonplaats van de verweerder is of het gerecht waarvoor deze laatste is verschenen, zonder de bevoegdheid van dat gerecht te betwisten.
(1) PB C 381 van 22.10.2018.