25.3.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 112/9
Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 30 januari 2019 — (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sofiyski gradski sad, Apelativen sad — Sofia — Bulgarije) — Strafzaken tegen AK (C-335/18) en EP (C-336/18)
(Gevoegde zaken C-335/18 en C-336/18) (1)
((„Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Controle van liquide middelen die de Europese Unie binnenkomen of verlaten - Verordening (EG) nr. 1889/2005 - Artikel 3, lid 1 - Niet — nakoming van de aangifteplicht - Artikel 4, lid 2 - Maatregel van bewaring - Artikel 9, lid 1 - Door het nationale recht bepaalde sancties - Nationale regeling die naast de oplegging van een vrijheidsbenemende straf of een geldboete ten belope van één vijfde van het niet — aangegeven bedrag, voorziet in de confiscatie van dat bedrag ten bate van de staat - Evenredigheid”))
(2019/C 112/12)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Sofiyski gradski sad, Apelativen sad — Sofia
Partijen in de strafzaken
AK (C-335/18), EP (C-336/18)
Dictum
Artikel 4, lid 2, en artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals die in het hoofdgeding, die als sanctie voor de niet-nakoming van de in artikel 3 van deze verordening bedoelde aangifteplicht, naast de oplegging van een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste vijf jaar of van een geldboete ten belope van één vijfde van het niet-aangegeven bedrag aan liquide middelen, voorziet in de confiscatie van dat niet-aangegeven bedrag ten bate van de staat.
(1) PB C 276 van 6.8.2018.