Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. BOBEK
van 23 mei 2019 (1)
Zaak C‑239/18
Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH
tegen
Freistaat Thüringen
[verzoek van het Thüringer Oberlandesgericht (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Thüringen, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Plantenrassen – Beschermingsregeling – Artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 en artikel 11 van verordening (EG) nr. 1768/95 – Gebruik van oogstproducten door landbouwers – Officiële instanties die bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken zijn – Begrip – Verplichting om aan de houder van een communautair recht informatie te verstrekken – Omvang – Inhoud van het verzoek om informatie – Soorten of rassen – Uitzonderingen op de informatieplicht – Extra werk of kosten door het opvragen van informatie uit een databank”
I. Inleiding
1. Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH (hierna: „appellante”) vertegenwoordigt een aantal zaadveredelingsondernemingen die in het bezit zijn van kwekersrechten. Krachtens het Unierecht kunnen rassen van botanische geslachten en soorten onder communautaire kwekersrechten vallen. Houders van die intellectuele-eigendomsrechten dienen ter compensatie van het gebruik van de beschermde rassen een vergoeding te ontvangen. Daartoe hebben houders van rassen het recht bepaalde informatie op te vragen bij en te ontvangen van landbouwers, loonwerkers of bij het toezicht op landbouwproductie betrokken officiële instanties om hun recht op vergoeding af te dwingen.
2. Het Hof heeft zich in de arresten Schulin(2) en Brangewitz(3) gebogen over het vraagstuk van het soort en bereik van de informatie die houders van beschermde rassen van respectievelijk landbouwers en loonwerkers kunnen verlangen. In de onderhavige zaak wordt het Hof gevraagd om het beeld aan te vullen met betrekking tot verzoeken van houders aan officiële instanties: in hoeverre kan een houder van een beschermd ras (welke soort) informatie verkrijgen van (welke) officiële instanties om zijn recht op vergoeding uit te oefenen?
II. Toepasselijke bepalingen
A. Basisverordening
3. Artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht(4) (hierna: „basisverordening”) luidt als volgt:
„In deze verordening wordt onder ‚ras’ verstaan een plantengroep binnen een botanische taxon van de laagst bekende rang [...]”
4. Op grond van artikel 13, lid 2, is „[o]nverminderd het bepaalde in de artikelen 15 en 16, [...] de toestemming van de houder vereist voor de volgende handelingen met betrekking tot componenten, of oogstmateriaal van het beschermde ras, welke componenten of oogstmateriaal hierna alle ‚materiaal’ worden genoemd: a) voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerdering), [...]”.
5. Het opschrift van artikel 14, lid 1, van de basisverordening is „Afwijking van het communautaire kwekersrecht”. Het artikel luidt: „Onverminderd artikel 13, lid 2, worden landbouwers met het oog op de bescherming van de landbouwproductie gemachtigd om voor vermeerderingsdoeleinden in het veld, op hun eigen bedrijf het product te gebruiken van de oogst die zij hebben verkregen door aanplanting op hun eigen bedrijf van teeltmateriaal van een ras, hybriden of kunstmatig verkregen rassen uitgezonderd, dat onder een communautair kwekersrecht valt.”
6. In artikel 14, lid 2, van de basisverordening wordt aangegeven dat de bepalingen van lid 1 alleen van toepassing zijn op landbouwgewassen die in de lijst van lid 2 zijn opgenomen.
7. De belangrijkste bepaling, artikel 14, lid 3, is als volgt geformuleerd:
„Om uitvoering te geven aan de in lid 1 bedoelde afwijking en om de rechtmatige belangen van de kweker en van de landbouwer te beschermen, worden voor de inwerkingtreding van deze verordening in krachtens artikel 114 op te stellen uitvoeringsbepalingen voorwaarden vastgelegd aan de hand van de volgende criteria:
– voor zover noodzakelijk voor de behoeften van het bedrijf van de landbouwer, mag voor dit bedrijf geen kwantitatieve beperking gelden;
– het oogstproduct mag door de landbouwer zelf of via voor hem verrichte diensten worden verwerkt voor aanplanting, onverminderd bepaalde beperkingen die de lidstaten inzake de organisatie van de verwerking van het oogstproduct kunnen opleggen, met name om ervoor te zorgen dat het product vóór verwerking identiek is aan het product na verwerking;
– kleine landbouwers hoeven geen vergoeding aan de houder te betalen; als kleine landbouwers worden beschouwd:
– voor de gewassen van lid 2 van dit artikel waarop verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen [PB 1992, L 181, blz. 12] van toepassing is, landbouwers die niet verbouwen op een oppervlakte die groter is dan de oppervlakte die nodig zou zijn om 92 ton graan te produceren; voor de berekening van de oppervlakte is artikel 8, lid 2, van genoemde verordening van toepassing;
– voor de overige in lid 2 van dit artikel genoemde gewassen, landbouwers die voldoen aan vergelijkbare geschikte criteria;
– andere landbouwers moeten aan de houder een billijke vergoeding betalen die aanmerkelijk lager is dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in licentie produceren van teeltmateriaal van hetzelfde ras in hetzelfde gebied; deze billijke vergoeding kan in de loop van de tijd in hoogte variëren, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin voor het betrokken ras gebruik wordt gemaakt van de afwijking bedoeld in lid 1;
– het toezicht op de naleving van het in of krachtens dit artikel bepaalde valt onder de uitsluitende bevoegdheid van de houders; bij het organiseren van dit toezicht kunnen zij niet voorzien in bijstand door officiële instanties;
– relevante informatie wordt aan de houders, op hun verzoek, verstrekt door landbouwers en loonwerkers; relevante informatie kan tevens worden verstrekt door officiële instanties die bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken zijn, indien die informatie bij de normale uitoefening van hun taak, zonder extra werk of kosten, is verkregen. Met betrekking tot persoonsgegevens doen deze bepalingen geen afbreuk aan communautaire of nationale rechtsregels inzake de bescherming van personen ten aanzien van de verwerking en het vrije verkeer van persoonsgegevens.”
B. Uitvoeringsverordening
8. Artikel 11 van verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers(5) (hierna: „uitvoeringsverordening”) luidt als volgt:
„1. Wanneer een houder een officiële instantie om informatie over het daadwerkelijke gebruik van een bepaald ras [bepaalde soorten] of bepaalde rassen voor aanplanting of over de resultaten van dit gebruik verzoekt, moet hij zulks schriftelijk doen. De houder moet in zijn verzoek zijn naam en adres vermelden en aangeven over welke rassen hij informatie verlangt, alsook welke soort informatie hij verlangt. Hij moet eveneens bewijzen dat hij de houder is.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 12, kan de officiële instantie slechts weigeren de gevraagde informatie te verstrekken, indien:
– zij niet bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken is; of
– het haar uit hoofde van de bepalingen van het gemeenschapsrecht of de bepalingen van de lidstaten betreffende de algemene discretionaire bevoegdheid ter zake van handelingen van officiële instanties niet is toegestaan deze informatie aan houders te verstrekken; of
– het overeenkomstig de bepalingen van het gemeenschapsrecht of de wetgeving van een lidstaat, op grond waarvan de informatie is verzameld, tot haar discretionaire bevoegdheid behoort te weigeren deze informatie te verstrekken; of
– de gevraagde informatie niet of niet langer beschikbaar is; of
– deze informatie niet bij de normale uitoefening van de taak van de officiële instantie kan worden verkregen; of
– het verkrijgen van deze informatie extra werk of kosten zou vergen; of
– deze informatie specifiek betrekking heeft op materiaal dat niet tot rassen van de houder behoort.
De betreffende officiële instanties delen de Commissie de wijze mede waarop zij het in het derde streepje bedoelde voorbehoud uitoefenen.
3. De officiële instantie mag bij het verstrekken van de informatie houders niet ongelijk behandelen. De officiële instantie kan de gevraagde informatie verstrekken door de houder kopieën ter beschikking te stellen van documenten die ook andere informatie bevatten dan die welke op materiaal van rassen van de houder betrekking heeft, mits er zorg voor wordt gedragen dat het op generlei wijze mogelijk is de identiteit te achterhalen van personen die op grond van de in artikel 12 bedoelde bepalingen bescherming genieten.
4. Indien de officiële instantie besluit te weigeren de gevraagde informatie te verstrekken, stelt zij de houder schriftelijk hiervan in kennis en deelt zij hem de redenen van haar besluit mee.”
III. Feiten, procedure en prejudiciële vragen
9. Appellante is een Duitse onderneming die beheersdiensten verricht, waarbij zij namens hoofdzakelijk Duitse zaadveredelingsondernemingen handelt.(6) Deze ondernemingen zijn in Duitsland houder van kwekersrechten en/of houder van exclusieve gebruiksrechten op beschermde rassen voor landbouwgebruik. Zij hebben appellante de taak toevertrouwd om op eigen naam het recht op vergoeding dat houders aan de teelt van beschermde plantenrassen ontlenen te handhaven.
10. Freistaat Thüringen (hierna: „geïntimeerde”), vertegenwoordigd door het Landesverwaltungsamt (administratieve dienst van de deelstaat Thüringen), is verantwoordelijk voor het toezicht op fondsen van de Unie in het kader van het beheer van en het toezicht op het Europees landbouwgarantiefonds en het Europees landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling overeenkomstig artikel 7 van verordening (EU) nr. 1306/2013(7) en artikel 1 van gedelegeerde verordening (EU) nr. 907/2014(8) (juncto bijlage I. 1. A.).
11. Volgens de verwijzende rechter slaat geïntimeerde in verband met subsidies uit fondsen van de Unie en het daarbij behorende toezicht op de naleving van de subsidiebepalingen gegevens op in het Integriertes Verwaltungs- und Kontrollsystem (geïntegreerd beheer- en controlesysteem: hierna: „ InVeKoS-databank”). Die databank bevat gegevens met betrekking tot de landbouwbedrijven die werkzaam zijn in het bevoegdheidsgebied van geïntimeerde, met name de informatie die door landbouwers die subsidie aanvragen is verstrekt. Informatie over gebruikte gewassen is kennelijk in die databank beschikbaar omdat de naleving van de regels met betrekking tot vruchtwisseling moet worden verzekerd.
12. Appellante heeft bij brief van 5 april 2016 verzocht om toezending van een bepaalde reeks gegevens die in de InVeKos-databank zijn opgeslagen. Op 31 juni 2016 heeft geïntimeerde op grond van § 9, lid 1, Thüringer Informationsfreiheitsgesetz (wet van de deelstaat Thüringen inzake de toegang tot informatie; hierna: „ThürIFG”) geweigerd deze gegevens vrij te geven.
13. Op 23 december 2016 heeft appellante bij het Landgericht Erfurt (rechter in eerste aanleg, Erfurt, Duitsland) het onderhavige beroep ingesteld om een recht op de informatie te doen gelden. Appellante heeft geëist dat geïntimeerde wordt veroordeeld tot het verstrekken van de volgende in de databank opgeslagen informatie:
– de namen en adresgegevens van de landbouwbedrijven;
– -de oppervlakten in hectare waarop deze bedrijven planten verbouwen;
– -de oppervlakten in hectare die met graan en aardappels zijn aangeplant.
14. Appellante heeft betoogd dat zij krachtens artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening een recht had om informatie te verkrijgen van de geïntimeerde, dat ook zou gelden voor soorten gewassen. Als een bij het toezicht op landbouwproductie betrokken officiële instantie had geïntimeerde niet het recht om verstrekking van de gevraagde informatie die hij in bezit had en die kon worden gedeeld zonder noemenswaardig extra werk of kosten, te weigeren. Volgens appellante was er geen nationale wetgeving op grond waarvan geïntimeerde mocht weigeren informatie te verstrekken. In het bijzonder was § 9, lid 1, ThürIFG niet van toepassing. Een belangenafweging op grond van § 9, lid 2, ThürIFG viel juist uit in het voordeel van het belang van appellante om de informatie te verkrijgen.
15. Geïntimeerde heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering aangezien hij terecht had geweigerd de informatie te verstrekken. Hij was in geen enkel opzicht een officiële instantie in de zin van artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening en in ieder geval was in die bepaling slechts een recht op informatie met betrekking tot rassen opgenomen. Bovendien kon niet alleen op grond van het recht in het ThürIFG om informatie niet vrij te geven worden geweigerd informatie te verstrekken, maar ook wanneer het verzamelen van de gevraagde informatie extra werk en kosten met zich mee zou brengen.
16. Het Landgericht Erfurt heeft de vordering bij vonnis van 17 augustus 2017 afgewezen. Het Landgericht oordeelde dat geïntimeerde krachtens artikel 11, lid 2, tweede en derde streepje, juncto artikel 12 van de uitvoeringsverordening gerechtigd was om te weigeren de informatie te verstrekken.
17. Tegen die beslissing heeft appellante bij het Thüringer Oberlandesgericht (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Thüringen, Duitsland), de verwijzende rechter, hoger beroep ingesteld.
18. In hoger beroep stelt appellante dat zij er op grond van artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening recht op heeft om informatie van geïntimeerde te verkrijgen en dat het recht om informatie van officiële instanties te verkrijgen niet uitsluitend betrekking heeft op rassen. Het is aan appellante om te bepalen voor welk doel zij de informatie zal gebruiken. De informatie van geïntimeerde zou appellante met name uitsluitsel geven over de omvang van de daadwerkelijk door landbouwers beplante oppervlakten en over wie tot de categorie „kleine landbouwer” behoort. Zodoende hoeft zij deze informatie niet op te vragen bij kleine landbouwers zelf. Appellante heeft toegezegd om geïntimeerde alle kosten te vergoeden die mogelijk uit de zoekopdracht naar de gevraagde gegevens, zoals kosten voor het programmeren van software, voortkomen.
19. Volgens geïntimeerde heeft het Landgericht Erfurt terecht geoordeeld dat het recht van appellante op informatie ingevolge artikel 11, lid 2, tweede en derde streepje, van de uitvoeringsverordening beperkt is. De InVeKoS-databank bevat geen informatie over specifieke rassen, uitgezonderd hennep en hop, aangezien de landbouwers die subsidie aanvragen dergelijke informatie niet hoeven te verstrekken. Bovendien beschikt geïntimeerde niet over eigen programmeercapaciteiten voor de nieuwe, specifieke zoekopdracht die nodig zou zijn voor het verzamelen van deze gegevens. Indien dergelijk programmeerwerk door een dienstverlener zou worden verricht, zou dit kosten ter hoogte van 6 000 EUR veroorzaken.
20. In deze feitelijke en juridische context heeft het Oberlandesgericht Thüringen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Bestaat er krachtens artikel 11, lid 1, van verordening nr. 1768/95 jegens officiële instanties een recht op informatie indien alleen informatie wordt verlangd over plantensoorten en niet over een beschermd ras?
2) Indien uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag blijkt dat een dergelijk recht op informatie kan worden ingeroepen:
a) Is een instantie die is belast met het toezicht op de subsidiëring van landbouwers met Uniegelden en in dit verband gegevens opslaat van subsidie aanvragende landbouwers die ook betrekking hebben op hun (planten)soorten, een bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken officiële instantie in de zin van artikel 11, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1768/95?
b) Is een officiële instantie bevoegd het verstrekken van de verlangde informatie te weigeren, indien het voor de informatieverstrekking noodzakelijk is dat de gegevens waarover zij beschikt door een derde worden verwerkt en gespecificeerd en hierdoor kosten ontstaan van rond de 6 000 EUR? Is het hierbij van belang of de verzoeker bereid is om deze kosten voor zijn rekening te nemen?”
21. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door appellante, geïntimeerde, de Spaanse regering en de Europese Commissie. Alle partijen hebben ter terechtzitting van 31 januari 2019 opmerkingen gemaakt.
IV. Beoordeling
22. Deze conclusie is als volgt opgebouwd. Ik begin met een verduidelijking vooraf over de regeling en de algehele werking van de communautaire beschermingsregeling voor kweekproducten, in het bijzonder met betrekking tot de in artikel 14, lid 3, van de basisverordening opgenomen afwijking (A). Vervolgens ga ik in op de eerste vraag over het soort informatie dat houders van beschermde rassen krachtens artikel 11 van de uitvoeringsverordening van officiële instanties kunnen verlangen (B). Ten slotte ga ik in op de tweede vraag met betrekking tot het begrip „bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken officiële instantie” en de vraag of de bevoegde officiële instanties mogen weigeren de gevraagde informatie te verstrekken wanneer het verstrekken ervan verdere bewerking vereist, om daarna af te sluiten met de vraag over mogelijke extra kosten (C).
A. Afwijking ten gunste van landbouwers krachtens artikel 14, lid 3, van de basisverordening
23. In artikel 13 van de basisverordening worden de bevoegdheden van de houder van een communautair kwekersrecht beschreven. Krachtens artikel 13, lid 2, is de toestemming van de houder in principe vereist voor het voortbrengen of vermenigvuldigen (vermeerderen) met betrekking tot componenten, of oogstmateriaal van het beschermde ras (welke componenten of oogstmateriaal „materiaal” worden genoemd).
24. Artikel 14 van de basisverordening voorziet in een afwijking van het vereiste om toestemming van de houder te verkrijgen (de afwijking ten gunste van landbouwers). Ingevolge artikel 14, lid 1, worden landbouwers met het oog op de bescherming van de landbouwproductie gemachtigd om voor vermeerderingsdoeleinden in het veld, op hun eigen bedrijf het product te gebruiken van de oogst die zij hebben verkregen door aanplanting op hun eigen bedrijf van teeltmateriaal van een ras – hybriden of kunstmatig verkregen rassen uitgezonderd – dat onder een communautair kwekersrecht valt. In artikel 14, lid 2, wordt de werkingssfeer van de afwijking beperkt tot de daarin genoemde landbouwgewassen. Artikel 14, lid 3, voorziet in uitvoeringsregels ter bepaling van de voorwaarden waarmee aan die afwijking ten gunste van landbouwers uitvoering wordt gegeven. Ook worden de criteria vermeld waaraan uitvoeringsregels dienen te voldoen.
25. Met de uitvoeringsverordening heeft de Commissie vorm gegeven aan de afwijking ten gunste van landbouwers met het oog op de bescherming van de rechtmatige belangen van zowel de kweker, vertegenwoordigd door de houder, als de landbouwer. Wanneer de laatste gebruikmaakt van de afwijking ten gunste van landbouwers, heeft de houder recht op een „billijke vergoeding” van de landbouwer. Krachtens artikel 5, lid 1, van de uitvoeringsverordening kan de hoogte van de billijke vergoeding „worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de houder en de betrokken landbouwer”. Indien tussen de houder en de betrokken landbouwer geen overeenkomst is gesloten, wordt in artikel 5, lid 2, van de uitvoeringsverordening bepaald dat „de vergoeding aanmerkelijk lager [moet] zijn dan het bedrag dat in rekening wordt gebracht voor het in hetzelfde gebied in licentie produceren van teeltmateriaal van de laagste categorie van hetzelfde ras die voor officiële certificering in aanmerking komt”.
26. Kleine landbouwers die gebruikmaken van de afwijking ten gunste van landbouwers hoeven geen vergoeding aan de houder te betalen. In artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening wordt onder kleine landbouwers verstaan landbouwers die niet verbouwen op een oppervlakte die groter is dan de oppervlakte die nodig zou zijn om 92 ton graan te produceren of die voldoen aan vergelijkbare geschikte criteria, afhankelijk van de gewassen.
27. Binnen een aldus ontworpen system is heel belangrijk om te weten wie zich op de afwijking ten gunste van landbouwers heeft beroepen zodat de houders hun intellectuele eigendomsrechten kunnen doen gelden en de (billijke) vergoeding waar zij recht op hebben kunnen ontvangen. De uitvoeringsverordening bevat dan ook een aantal bepalingen waarmee de houders informatie kunnen verkrijgen van verschillende relevante betrokkenen. Alhoewel het Hof in zaken waar appellante ook bij betrokken was reeds uitlegging heeft gegeven aan die bepalingen over door landbouwers en loonwerkers te verstrekken informatie(9), heeft de onderhavige zaak met name betrekking op de soort informatie die bepaalde officiële instanties aan de houders dienen te verstrekken.
B. Eerste vraag: draagwijdte van het recht van een houder op informatie jegens officiële instanties krachtens artikel 11 van de uitvoeringsverordening
28. Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen welke soort informatie krachtens artikel 11 van de uitvoeringsverordening op verzoek van een houder door een officiële instantie moet worden verstrekt: heeft die houder het recht om informatie te verkrijgen met betrekking tot [plantensoorten] of uitsluitend met betrekking tot specifieke rassen van de houder?
29. Volgens appellante geeft artikel 14, lid 3, zesde streepje, van de basisverordening juncto artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening houders het recht om informatie te verkrijgen van officiële instanties met betrekking tot soorten, zonder dat het informatieverzoek betrekking moet hebben op een specifiek ras. Houders hebben met name recht om informatie te verkrijgen om in de zin van artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening te achterhalen wie de „kleine landbouwers” zijn die volledig zijn vrijgesteld van de verplichting om houders een vergoeding te betalen. Indien de houder weet dat een landbouwer een kleine landbouwer is, hoeft hij bij deze kleine landbouwers geen informatie in te winnen, en al helemaal geen betaling te eisen. De definitie van kleine landbouwers zelf wordt niet gegeven aan de hand van een bepaald ras, maar aan de hand van het oppervlak dat is aangeplant met bepaalde plantensoorten. In ieder geval stelt appellante dat de op de officiële instantie rustende verplichting om informatie te verstrekken ruimer is dan die van landbouwers, aangezien in artikel 11 niet wordt vermeld wat de te verstrekken „relevante” informatie is.
30. Volgens de Commissie is het recht op informatie krachtens artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening niet beperkt tot rassen. Ook soorten kunnen eronder vallen, om te achterhalen welke landbouwers klein zijn. Het onderwerp van het verzoek om informatie moet echter een ras betreffen. Dat betekent dat houders geen algemeen, breed verzoek om informatie kunnen doen bij een officiële instantie zonder aan te geven of landbouwers ook daadwerkelijk teeltmateriaal van beschermde rassen hebben gekocht. De Commissie merkt ook op dat het verzoek om informatie van officiële instanties niet valt onder een zelfstandig publiek recht op toegang tot documenten of op hergebruik van overheidsgegevens (krachtens richtlijn 2003/98/EG(10)). Het is slechts een privaat recht dat bij de verhouding tussen houders en landbouwers hoort.
31. Geïntimeerde en de Spaanse regering betogen van hun kant dat verzoeken om informatie bij officiële instanties betrekking moeten hebben op specifieke rassen, en niet op soorten. Voor het verkrijgen van algemene informatie over landbouwers kan geen beroep worden gedaan op artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening, gelezen tegen de achtergrond van artikel 14, lid 3, van de basisverordening.
1. Omvang van de toegang tot door officiële instanties gehouden informatie krachtens artikel 11 van de uitvoeringsverordening
32. Vooraf is een eerste verduidelijking nodig met betrekking tot de verhouding tussen de specifieke bepalingen van artikel 11 van de uitvoeringsverordening en artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening en nationale regels over de toegang tot informatie.
33. De verwijzende rechter is uitdrukkelijk op zoek naar een uitlegging van de omvang van de toegang tot informatie krachtens artikel 11 van de uitvoeringsverordening. Volgens appellante is die bepaling een geldige rechtsgrond om, onder meer, informatie te verkrijgen waarmee zij kan achterhalen wie de „kleine landbouwers” zijn die van betaling van vergoedingen zijn vrijgesteld en die daarom van houders geen verzoeken om informatie zouden moeten ontvangen.
34. Artikel 11 van de uitvoeringsverordening is een specifieke bepaling van een uitvoeringshandeling die is toegesneden op de afwijking ten gunste van landbouwers als bedoeld in artikel 14, lid 3, van de basisverordening. Logischerwijze moet er dus een verband zijn tussen de draagwijdte van artikel 14, lid 3, van de basisverordening en de werkingssfeer van artikel 11 van de uitvoeringsverordening. Sterker nog, een uitvoeringsverordening moet de werkingssfeer en de grenzen van de grondslag waarop zij is aangenomen eerbiedigen.
35. Het is inderdaad zo dat kleine landbouwers, bij wijze van een uitzondering op een uitzondering, worden vermeld in artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening. De uitvoeringsverordening zelf heeft echter geen betrekking op die categorie, zeker voor zover het toegang tot door officiële instanties gehouden informatie betreft. Artikel 11 bevat geen verwijzing naar kleine landbouwers. Binnen de uitvoeringsverordening worden kleine landbouwers alleen vermeld in artikel 7, in het hoofdstuk over vergoeding. Ter vaststelling van wie een kleine landbouwer is, wordt in die bepaling „een oppervlakte waarop wordt verbouwd” in de zin van artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening nader omschreven.(11) Het artikel voorziet echter niet in een verplichting voor landbouwers, loonwerkers of officiële instanties om algemene informatie over de grootte van dergelijke oppervlakten aan houders te verstrekken.
36. In het volgende onderdeel wordt onderzocht of het woord „soorten” in de eerste zin van artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening binnen een dergelijke context kan worden gelezen als een verwijzing naar artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening. In dit stadium dienen twee systematische opmerkingen te worden gemaakt.
37. Ten eerste heeft algemene informatie over de grootte van de aangeplante oppervlakten weliswaar enige relevantie voor het uitoefenen van het recht op vergoeding door de houder, maar daarmee wordt hij nog niet in staat gesteld om aanspraken met betrekking tot zijn rassen geldend te maken. De logica van beide verordeningen begint met het gebruik van rassen, waartegen de status van kleine landbouwer dan een soort „verweer” vormt. Het is niet andersom. Veeleer moet in de eerste plaats worden vastgesteld, als informatie vooraf, of landbouwers het oogstproduct dat door aanplanting van het materiaal van specifieke rassen is verkregen, hebben gebruikt of beoogd hebben te gebruiken. De in artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening vervatte uitzondering met betrekking tot kleine landbouwers kan in een later stadium een rol spelen, als verweer voor de landbouwers die aan de vereisten daarvoor voldoen, binnen de onder de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, van de basisverordening vallende grotere groep landbouwers die de beschermde rassen telen.
38. Ten tweede is het echter belangrijk te benadrukken dat, ook wanneer uit het oogpunt van Unierecht geen systematische verbinding tussen artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening en artikel 11 van de uitvoeringsverordening nodig was, artikel 11 van de uitvoeringsverordening tegelijkertijd in geen geval zo kan worden uitgelegd dat het een uitputtende regeling voor potentiële informatieverzoeken aan nationale instanties behelst.
39. Het staat lidstaten vrij toegang te verlenen tot informatie die niet onder artikel 11 valt. Het stilzwijgen van het Unierecht ten aanzien van toegang tot bepaalde informatie kan niet aldus worden uitgelegd dat het Unierecht „toegang verbiedt”, maar veeleer het tegenovergestelde: tenzij uitgesloten door het Unierecht, blijven de resterende nationale voorschriften ten aanzien van toegang tot informatie van toepassing op alle kwesties die niet uitdrukkelijk onder het Unierecht vallen. Het feit dat de uitvoeringsverordening geen specifieke bepalingen bevat met betrekking tot toegang tot informatie waarmee een houder kleine landbouwers kan achterhalen, betekent dat de kwestie gewoon onder de nationale regelgeving valt.
40. In de omstandigheden van de onderhavige zaak lijkt het zo te zijn dat het aanvankelijke verzoek van appellante is gedaan (en afgewezen) op grond van het ThürIFG. Het is zeker niet aan het Hof om in de voorliggende zaak tot bevindingen en beoordelingen met betrekking tot de feiten te komen of om het nationale recht uit te leggen en toe te passen. Benadrukt moet echter worden dat houders verzoeken uiteraard op basis van nationaal recht om informatie die losstaan van een specifiek ras kunnen indienen en die informatie kunnen verkrijgen, indien dat recht dit toestaat. Indien de informatie die een houder wil verkrijgen in bezit is van een nationale (overheids)instantie en hoofdzakelijk betrekking heeft op door nationale instanties verzamelde administratieve informatie, zijn nationale bepalingen inzake toegang tot informatie van toepassing.(12)
41. Ik wil dat punt benadrukken om duidelijk te maken dat artikel 11 van de uitvoeringsverordening niet tegelijkertijd op restrictieve en op uitsluitende wijze kan worden uitgelegd: restrictief, aangezien het artikel aldus zou worden uitgelegd dat soorten er niet onder vallen, en uitsluitend, omdat het artikel de kwestie in detail zou regelen, waarmee in feite elke gelijktijdige toepassing van nationale regelgeving inzake toegang tot informatie wordt uitgesloten.
42. Om redenen die ik in het volgende onderdeel toelicht, kan ik op het eerste punt niet anders dan het met geïntimeerde eens zijn: de informatieverzoeken die krachtens artikel 11 van de uitvoeringsverordening aan officiële instanties kunnen worden gericht, hebben inderdaad betrekking op de rassen van de houder die het verzoek doet. Informatie met betrekking tot soorten van de werkingssfeer van artikel 11 uitsluiten, betekent echter noodzakelijkerwijze dat de „ruimte” door nationale regelgeving bezet blijft en dat betrokken houders op grond van nationale regelgeving verzoeken met betrekking tot soorten kunnen indienen.
2. Werkingssfeer van artikel 11 – rassen of soorten?
43. Twee tekstuele argumenten doen vermoeden dat verzoeken om informatie doorgaans betrekking hebben op soorten.
44. Ten eerste worden in artikel 11, lid 1, eerste zin, van de uitvoeringsverordening inderdaad uitdrukkelijk „soorten” vermeld: wanneer een houder een officiële instantie om informatie over het daadwerkelijke gebruik van bepaalde soorten of bepaalde rassen voor aanplanting of over de resultaten van dit gebruik verzoekt, moet hij zulks schriftelijk doen.
45. Ten tweede, uitgaande van de hypothese dat artikel 11 van de uitvoeringsverordening ook voor uitvoering van artikel 14, lid 3, derde streepje, van de basisverordening was bedoeld, worden in die laatste bepaling „kleine landbouwers” omschreven aan de hand van de grootte van de oppervlakte waar de in artikel 14, lid 2, vermelde gewassen worden aangeplant.
46. Daarom kan de vermelding van „soorten” in artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening aldus worden uitgelegd dat informatieverzoeken met betrekking tot de oppervlakte waarop die gewassen waren aangeplant, ten behoeve van het achterhalen van „kleine landbouwers”, mogen worden gedaan.
47. Naast deze twee tekstuele argumenten zijn er juridisch maar weinig argumenten ter ondersteuning van de door appellante bepleite uitlegging van artikel 11 van de uitvoeringsverordening. Verdere tekstuele, maar bovenal systematische en teleologische, uitlegging van die bepaling laat duidelijk zien dat verzoeken om informatie die door houders bij officiële instanties worden ingediend, worden verondersteld betrekking te hebben op specifieke plantenrassen van de houder die het verzoek doet.
48. Om te beginnen en om op tekstueel niveau te blijven, voorziet artikel 11, lid 1, tweede en derde zin, van de uitvoeringsverordening in specifieke vereisten waaraan een geldig verzoek om informatie moet voldoen. Tot deze vereisten behoren dat de houder moet aangeven „over welke rassen hij informatie verlangt” en moet „bewijzen dat hij de houder is” (cursivering van mij). Aangezien volgens artikel 5, lid 1, van de basisverordening alleen rassen van alle botanische geslachten en soorten – en niet soorten in het algemeen – naar behoren het object kunnen vormen van zogenoemde communautaire kwekersrechten, volgt uit artikel 11, lid 1, vrij duidelijk dat verzoeken om informatie moeten zijn toegesneden op rassen.
49. Die conclusie wordt verder bevestigd door de tekst van artikel 11, lid 2, zevende streepje, van de uitvoeringsverordening op grond waarvan officiële instanties kunnen weigeren de gevraagde informatie te verstrekken indien „deze informatie specifiek betrekking heeft op materiaal dat niet tot rassen van de houder behoort” (cursivering van mij). Het zou nogal bizar zijn om te betogen dat artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening houders toestaat om informatie met betrekking tot soorten te verzoeken en te verkrijgen, terwijl volgens daaropvolgende bepalingen van datzelfde artikel 11 het verstrekken van die informatie (meteen weer) mag worden geweigerd.
50. Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context waarin zij voorkomt, met inachtneming van de opzet en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt nastreeft.(13) In de onderhavige zaak pleit een teleologische en systemische uitlegging ook duidelijk voor verzoeken om informatie betreffende specifieke rassen.
51. Het doel van de afwijking ten gunste van landbouwers is tweeledig: om landbouwproductie te beschermen en om te zorgen voor de betaling van een (billijke) vergoeding aan de houder door de landbouwer. In artikel 2 van de uitvoeringsverordening wordt de nadruk gelegd op de noodzaak van het bewaren van een redelijk evenwicht tussen de belangen van de landbouwer en de belangen van de houder, wanneer de landbouwer het oogstproduct van een of meer rassen van de houder voor aanplanting in het veld of de velden op zijn bedrijf heeft gebruikt. Uit het feit dat de belangen van de houder worden geraakt doordat de landbouwer zijn rassen gebruikt, volgt dat de houder ter bescherming van zijn eigen belangen bepaalde informatie dient te hebben met betrekking tot de rassen die binnen de werkingssfeer van de afwijking ten gunste van landbouwers vallen, namelijk beschermde rassen – hybriden of kunstmatig verkregen rassen uitgezonderd –(14), van de in artikel 14, lid 2, van de basisverordening opgesomde gewassen.
52. Ten aanzien van de algemene regeling met betrekking informatie in zowel de basis- als de uitvoeringsverordening, geldt dat artikel 11 van de uitvoeringsverordening dient te worden onderzocht in samenhang met de artikelen 8 en 9, zoals uitgelegd door het Hof.
53. Het zijn niet alleen officiële instanties die krachtens artikel 11 van de uitvoeringsverordening informatie aan de houder moeten verstrekken, zoals volgt uit artikel 14, lid 3, zesde streepje, van de basisverordening. Artikel 11 van de uitvoeringsverordening is slechts één van de bepalingen in hoofdstuk 4. Binnen dat hoofdstuk, gewijd aan informatie, voorzien de artikelen 8 en 9 in regels over de aan de houder te verstrekken informatie door respectievelijk de landbouwer en de loonwerker. In beide bepalingen wordt duidelijk gemaakt dat de door zowel landbouwers als loonwerkers te verstrekken informatie ook betrekking heeft op rassen en niet op soorten. In aanvulling hierop moet de houder volgens artikel 8, lid 4, en artikel 9, lid 4, van de uitvoeringsverordening in zijn verzoek om informatie „het ras of de rassen waarover hij informatie verlangt, en de referentie of referenties van het communautaire kwekersrecht of de communautaire kwekersrechten in kwestie vermelden”. Indien de landbouwer of de loonwerker dit verlangt, „moet het bewijs van de hoedanigheid van houder worden geleverd”.
54. Op het eerste gezicht zijn deze bepalingen al redelijk helder, in zoverre dat door een houder in principe alleen informatie met betrekking tot rassen kan worden verlangd en verkregen van landbouwers of loonwerkers. Het Hof is zelfs een stap verder gegaan door deze bepalingen in zijn arresten Schulin en Brangewitz vrij strikt uit te leggen.(15)
55. In het arrest Schulin oordeelde het Hof dat de houder niettemin moet worden toegestaan om van een landbouwer informatie te verlangen zodra hij over een aanwijzing beschikt dat die landbouwer van de in artikel 14, lid 1, van de basisverordening bedoelde afwijking gebruik heeft gemaakt of zal maken(16) en derhalve voor vermeerderingsdoeleinden in het veld, op zijn eigen bedrijf het oogstproduct heeft gebruikt of zal gebruiken, dat hij heeft verkregen door aanplanting op zijn eigen bedrijf van teeltmateriaal van een onder dit kwekersrecht vallend ras – hybriden of kunstmatig verkregen rassen uitgezonderd – dat tot de in artikel 14, lid 2, van de basisverordening genoemde landbouwgewassen behoort.(17) Derhalve zou het met het Unierecht in strijd zijn om van alle landbouwers, louter omdat zij tot deze beroepsgroep behoren – zelfs degenen die nooit teeltmateriaal van een door een communautair kwekersrecht beschermd ras van een van de in artikel 14, lid 2, van deze verordening genoemde landbouwgewassen hebben gekocht of aangeplant – te verlangen op verzoek aan houders alle relevante informatie te verstrekken.(18)
56. Het Hof heeft in het arrest Brangewitz met betrekking tot loonwerkers in wezen hetzelfde antwoord gegeven, zij het op een iets opener wijze, vermoedelijk om rekening te houden met het specifieke karakter van loonwerkers vergeleken met landbouwers. Het Hof oordeelde dat artikel 14, lid 3, van de basisverordening juncto artikel 9 van de uitvoeringsverordening aldus dient te worden uitgelegd dat wanneer de houder over een aanwijzing beschikt dat de loonwerker het oogstproduct dat landbouwers hebben verkregen door aanplanting van teeltmateriaal van een onder het voorrecht vallend ras van de houder, voor aanplanting heeft verwerkt of voornemens is te verwerken, de loonwerker verplicht is om hem de relevante informatie niet enkel te verstrekken met betrekking tot de landbouwers ten aanzien van wie de houder over aanwijzingen beschikt dat de loonwerker die verwerking heeft verricht of voornemens is te verrichten, maar ook met betrekking tot alle andere landbouwers voor wie hij het oogstproduct dat is verkregen door aanplanting van teeltmateriaal van het bewuste ras, heeft verwerkt of voornemens is te verwerken, indien aan de loonwerker werd meegedeeld welk ras het betrof of indien dit anderszins aan de loonwerker bekend was.(19)
57. Tegen deze achtergrond valt het nogal moeilijk in te zien waarom, binnen de werking van hetzelfde systeem, voor officiële instanties een veel ruimere verplichting om informatie te verstrekken zou gelden, die zelfs anders van aard zou zijn (betreffende het soort te verstrekken informatie).
58. Dat geldt met name vanwege een belangrijke systematische reden: binnen de in de basis- en uitvoeringsverordening opgenomen algemene regeling blijkt de taak om de relevante informatie aan de houders te verstrekken niet primair bij de officiële instanties te liggen, opdat die laatsten hun recht op vergoeding kunnen uitoefenen.(20)
59. Ten eerste lijkt in artikel 14, lid 3, vijfde en zesde streepje, van de basisverordening een hiërarchie te worden aangebracht tussen degenen aan wie de verzoeken om informatie van de houders zijn gericht. In die bepaling wordt vrij duidelijk vermeld dat het toezicht op de naleving van de regelgeving met betrekking tot de afwijking ten gunste van landbouwers onder de uitsluitende bevoegdheid van de houders valt en dat zij bij het organiseren van dit toezicht niet kunnen voorzien in bijstand door officiële instanties. Houders dienen informatie voornamelijk van landbouwers en loonwerkers te verkrijgen en in tweede instantie van officiële instanties.(21)
60. Het Hof heeft reeds benadrukt dat, aangezien verordening nr. 1768/95 een uitvoeringsverordening is waarin de voorwaarden worden vastgesteld om uitvoering te geven aan de afwijking van artikel 14, lid 1, van de basisverordening, bij de bepalingen daarvan geen ruimere verplichtingen kunnen worden opgelegd dan die welke uit de basisverordening voortvloeien.(22)
61. Het probleem met het overnemen van de door appellante (en deels ook door de Commissie) voorgestelde uitlegging is dat dit zou leiden tot een totaal andere logica en een totaal ander systeem van de basisverordening, doordat die uitlegging van de uitvoeringsverordening zeer expansionistisch is: in feite zouden de officiële instanties dan het standaardaanspreekpunt voor alle informatieverzoeken worden, zowel voor verzoeken met betrekking tot rassen als met betrekking tot soorten. Zoals in het volgende onderdeel van deze conclusie wordt besproken, ontken ik niet dat die benadering wellicht een verstandige zou zijn in termen van verlichting van de administratieve lasten van individuele landbouwers en vermindering van het totale papierwerk voor alle betrokkenen. Het is echter duidelijk dat die stap moeilijk kan worden gezet door dit als een kwestie van eenvoudige uitlegging van een onopvallende bepaling van de uitvoeringsverordening te behandelen.
62. Ten tweede lijkt artikel 11 in vergelijking met de artikelen 8 en 9 van de uitvoeringsverordening een beperktere werkingssfeer te hebben, aangezien lid 2 ervan voorziet in een aantal uitzonderingen op de plicht van officiële instanties om informatie te verstrekken, waarbij de mogelijke draagwijdte van een aantal van die uitzonderingen erg groot is. Met name het tweede en derde streepje van artikel 11, lid 2, voegen zich nogal ruimhartig naar het nationale recht: officiële instanties mogen gewoonweg weigeren de gevraagde informatie te verstrekken indien nationale wetgeving betreffende de discretionaire bevoegdheid ter zake van handelingen van officiële instanties zich hiertegen verzet. Hieruit volgt dat de omvang van de verplichting van officiële instanties om informatie te verstrekken beperkter lijkt in vergelijking met die van landbouwers of loonwerkers. Het is, wederom, systematisch gezien moeilijk de omvang van de informatieplicht van officiële instanties op een ruimere manier uit te leggen dan de overeenkomstige plicht van landbouwers en loonwerkers.
63. Volgens de huidige stand van de Uniewetgeving volgt hieruit dat artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening aldus moet worden uitgelegd dat verzoeken om informatie aan officiële instanties moeten worden geformuleerd aan de hand van specifieke beschermde rassen van de betreffende houder. Deze bepaling weerhoudt de lidstaten er echter niet van om toegang tot informatie van officiële instanties met betrekking tot soorten op grond van nationale wetgeving inzake toegang tot informatie te verlenen.
3. Werking en bruikbaarheid van het systeem
64. Naar mijn mening zijn de sterkste door appellante, en tot op zekere hoogte ook door de Commissie, naar voren gebrachte argumenten die ervoor pleiten dat informatie over soorten zich binnen de werkingssfeer van artikel 11 van de uitvoeringsverordening bevindt, niet van juridische aard. Zij betreffen de praktische werking (of liever het gebrek daaraan) van het door de uitvoeringsverordening ingevoerde systeem.
65. Volgens appellante zou het verstrekken van informatie door officiële instanties om te kunnen achterhalen wie kleine landbouwer is, de procedure voor het uitoefenen van het recht op vergoeding voor alle betrokkenen efficiënter en minder belastend en kostbaar maken. Door een uitlegging te suggereren waarmee ook soorten binnen de werkingssfeer van artikel 11 zouden vallen, erkende de Commissie ter terechtzitting van haar kant dat de uitvoeringsverordening oude regeling van afgeleid recht is, die impliciet een (interpretatieve) actualisatie behoeft.
66. In de discussie in de schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting werd bevestigd dat de afwijking ten gunste van landbouwers in de praktijk nogal ingewikkeld functioneert.
67. Wanneer die afwijking wordt gebruikt om landbouwproductie te beschermen (zijnde de belangen van landbouwers), blijkt het in de praktijk vrij moeilijk ervoor te zorgen dat houders de (billijke) vergoeding ontvangen waar zij recht op hebben (zijnde de belangen van de houders die de telers vertegenwoordigen). Informatie, die voor dat doel van wezenlijk belang is, lijkt moeilijk te verkrijgen vanwege de procedurele regeling die in deze teksten is vastgelegd, zoals in de rechtspraak is uitgelegd.(23) Die conclusie lijkt temeer gerechtvaardigd in vergelijking met de „normale” situatie, namelijk wanneer landbouwers die niet kunnen profiteren van de afwijking ten gunste van landbouwers, beschermde rassen gebruiken. In dat scenario is het voor houders makkelijker om hun intellectuele eigendomsrechten te doen gelden aangezien hun toestemming nodig is, waardoor houders de benodigde informatie over het gebruik van beschermde rassen van tevoren krijgen.
68. Niet mag worden vergeten dat uit artikel 2, lid 2, van de uitvoeringsverordening volgt dat „de rechtmatige belangen [van de houder en van de landbouwer] worden geacht niet te worden beschermd, wanneer een of meer van deze belangen worden geschaad, zonder dat rekening wordt gehouden met de noodzaak een redelijk evenwicht tussen al deze belangen te bewaren”. Niettemin maakt het gezamenlijke effect van de arresten in de zaken Schulin en Brangewitz het in werkelijkheid nogal een uitdaging om informatie van landbouwers (of loonwerkers) te verkrijgen. Zoals hierboven toegelicht(24), oordeelde het Hof dat het de houder niettemin moet worden toegestaan om van een landbouwer informatie te verlangen zodra hij over een aanwijzing beschikt dat die landbouwer van de in artikel 14, lid 1, van de basisverordening bedoelde afwijking heeft gebruikgemaakt of zal maken.(25) Het Hof voegde eraan toe dat „het voor de houder immers mogelijk [moet] zijn om – hoe lang de handelsketen tussen de houder en de landbouwer ook is – ervoor te zorgen dat hij de naam en het adres kent van de landbouwers die teeltmateriaal van een van zijn beschermde plantenrassen kopen”.(26) En „bovendien kan de houder op basis van artikel 13, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 2100/94 zijn distributeurs verplichten de naam en het adres te registreren van de landbouwers die teeltmateriaal van een van zijn plantenrassen kopen”.(27)
69. Appellante heeft ter terechtzitting, zonder door enige andere deelnemer te zijn tegengesproken, echter vrij overtuigend uiteengezet waarom het niet echt een optie is te vertrouwen op distributeurs om de rechten van de houders te doen gelden. Naar verluidt bestaat een dergelijke distributieketen niet, in zoverre dat de door appellante vertegenwoordigde houders hun zaaigoed niet distribueren maar productie- en distributiecertificaten toekennen. Zaaigoed wordt in de praktijk dus door andere ondernemingen op de markt gebracht, waardoor twee verschillende problemen ontstaan. Ten eerste zijn die ondernemingen vanwege vertrouwelijkheid terughoudend met het geven van de namen van hun klanten. Ten tweede kan het ook op het gebied van mededingingsrecht problemen opleveren om ondernemingen verderop in de distributieketen te vragen namen van hun klanten openbaar te maken.
70. Hieruit volgt dat bij het ontbreken van een overeenkomst tussen de landbouwer (of de loonwerker) en de houder waarin de relevante informatie wordt omschreven die de eerste aan de laatste moet verstrekken, zoals is voorzien in artikel 8, lid 1, en artikel 9, lid 1, van de uitvoeringsverordening, het voor de houder in de praktijk niet erg gemakkelijk lijkt om informatie te verkrijgen van landbouwers of loonwerkers.
71. Binnen deze praktische context betoogt appellante in wezen dat de werking van het huidige systeem problemen oplevert en, indien toegang tot informatie van officiële instanties krachtens artikel 11 ruim zou worden uitgelegd, dat voor alle betrokkenen het totaal aan papierwerk en transactiekosten zou verminderen.
72. Wat betreft het opstellen van wetgeving zou ik persoonlijk een groot voorstander zijn van een dergelijke benadering. Iedere maatregel gericht op het ontlasten van personen van de plicht tot het verstrekken van informatie die reeds in bezit is van een openbare instantie, zouden wij uit principe met open armen moeten ontvangen.
73. Daar ligt echter precies het probleem: wat appellant voorstelt gaat veel verder dan hetgeen normaal als uitlegging van een wettelijke bepaling kan worden beschouwd. Een dergelijke uitlegging zou het systeem en de logica van de uitvoeringsverordening wijzigen en zou in tegenspraak zijn met de logica van de basisverordening.(28) Een dergelijke rechterlijke interventie zou ook onmiddellijk leiden tot logische tegenstrijdigheden in de gehele wettekst.(29)
74. Een dergelijke op zichzelf staande interpretatieve interventie zou zelf ook een aantal nieuwe problemen kunnen creëren. Door de ontvangst van meer algemene informatie over een vermoedelijk grote groep landbouwers (ten minste alle landbouwers die de in artikel 14, lid 2, van de basisverordening vermelde soorten telen – of wellicht zelfs andere soorten), waaronder zij die nog nooit overeenkomstig artikel 14, lid 1 beschermde rassen hebben gebruikt of beoogd hebben te gebruiken, kan niet worden genegeerd dat de houders toegang tot informatie zouden verkrijgen die veel meer omvat dan de informatie die nodig is voor het beschermen van hun intellectuele eigendomsrechten. Dergelijke informatie zou in potentie kunnen worden gebruikt voor een aantal andere commerciële doelen, die ver afstaan – of zelfs volledig losstaan – van het beschermen van het recht van houders op vergoeding jegens bestaande klanten.
75. Op basis van de huidige stand van het Unierecht kunnen officiële instanties in een systeem dat steunt op landbouwers en loonwerkers en waarin naleving onder de uitsluitende bevoegdheid van houders valt, zoals duidelijk volgt uit artikel 14, lid 3, vijfde en zesde streepje, van de basisverordening, derhalve niet standaard de hoofdleveranciers van informatie worden.
76. Indien de in dit onderdeel beschreven problemen inderdaad enige reële basis hebben, is het derhalve aan de Commissie, die ter terechtzitting leek te erkennen dat de uitvoeringsbepalingen van het huidige Unierecht enigszins achterhaald waren, om terug te gaan naar de tekentafel en een nieuw systeem te ontwerpen.(30) Het is vrij ongebruikelijk om te proberen die verantwoordelijkheid bij het Hof te leggen, met name in een wetgevend kader als het onderhavige, waar zonder de algehele logica van het systeem te veranderen zelfs een goedbedoelde rechterlijke interventie in verband met een onopvallende bepaling waarschijnlijk tot meer problemen dan oplossingen leidt.(31)
C. Tweede vraag
77. De tweede vraag is in twee stukken verdeeld. Ten eerste doet de verwijzende rechter navraag naar de definitie van een „officiële instantie die bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken is” in de zin van artikel 11, lid 2, eerste streepje, van de uitvoeringsverordening. Ten tweede vraagt de verwijzende rechter of een dergelijke officiële instantie mag weigeren de gevraagde informatie te verstrekken indien dat voor die instantie kosten met zich meebrengt, die de houder desalniettemin bereid zou zijn te dragen.
78. Ondanks het ontkennende antwoord waarvoor ik met betrekking tot de eerste vraag heb gepleit, wat een antwoord op de tweede vraag onnodig maakt, zal ik toch ingaan op de twee vragen van de verwijzende rechter in de tweede vraag, voor het geval dat het Hof zou besluiten langs een andere weg te komen tot de manier waarop verzoeken om informatie krachtens artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening dienen te worden geformuleerd. Aangezien niets appellante, of een andere houder van intellectuele eigendomsrechten, belet om op een willekeurig moment een nader verzoek krachtens artikel 11 van de uitvoeringsverordening te doen, zou ik er bovendien op willen wijzen dat die vragen een zekere algemene en praktische relevantie hebben en een antwoord van het Hof waardig zijn.
1. Tweede vraag, onder a): wie valt onder de kwalificatie „officiële instantie die bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken is”?
79. Krachtens artikel 11, lid 2, eerste streepje, van de uitvoeringsverordening mag een officiële instantie weigeren om informatie te verstrekken indien „zij niet bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken is”. Is een overheidsinstantie, zoals de instantie in de onderhavige zaak, die is belast met toezicht op subsidieverlening aan landbouwers, een officiële instantie „die bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken is”?
80. Appellante en de Commissie delen grotendeels dezelfde mening, alhoewel op iets andere gronden. Appellante betoogt dat een instantie die landbouwsubsidies van de Unie verantwoordelijk is, een officiële instantie is die bij het toezicht op de landbouwproductie is betrokken, aangezien het onderzoeken van de rechtmatigheid van subsidies toezicht op landbouwproductie vereist. De Commissie betoogt dat een ruime uitlegging van dat begrip op zijn plaats is om ervoor te zorgen dat het recht op informatie ook effectief is. Het zou alle officiële instanties moeten omvatten die informatie over landbouwproductie hebben, met inbegrip van de instanties die bevoegd zijn subsidies uit te betalen.
81. Geïntimeerde en de Spaanse regering hebben het tegenovergestelde standpunt. Een voor subsidies van de Unie verantwoordelijke overheidsinstantie is niet bij het toezicht op de productie van planten betrokken. Door het beheer van subsidies van de Unie is die instantie verplicht om bepaalde rasgerelateerde gegevens van landbouwers die dergelijke subsidies aanvragen te verkrijgen om te bepalen of die rassen tot de gemeenschappelijke rassenlijst van plantengewassen van de Unie behoren. De overheidsinstantie hoeft echter niet te verifiëren of die rassen beschermde rassen zijn en wie hun houder is. Voor die instantie is dergelijke informatie niet relevant voor het uitvoeren van haar taken.
82. Inderdaad is een overheidsinstantie die toezicht houdt op subsidies van de Unie strikt genomen niet betrokken bij landbouwproductie. Evenwel is er wat mij betreft bijzonder weinig twijfel dat dergelijke instanties bij iedere redelijke lezing van die woorden duidelijk betrokken zijn bij het toezicht op landbouwproductie.
83. Ten eerste houden overheidsinstanties die toezicht houden op subsidies van de Unie, zelfs als zij niet bezig zijn met landbouwproductie, wel toezicht op die productie, aangezien subsidies van de Unie wat betreft werkingssfeer en hoeveelheid op de productieactiviteiten van landbouwers zijn afgestemd.(32) De instanties zijn daarom wel degelijk betrokken bij toezicht op landbouwproductie, zelfs als zij de productie niet „controleren” in de zin van een centraal geplande economie door bijvoorbeeld te bepalen of en tot welk niveau de productie moet worden gemaximeerd.
84. Het is natuurlijk relevant of die overheidsinstanties binnen de waaier van hun controlewerkzaamheden de beschikking hebben over de exacte soort informatie die door appellante is opgevraagd. Dat is echter een andere vraag. Een overheidsinstantie kan in het algemeen bezig zijn met toezicht op landbouwproductie, zelfs indien dat toezicht niet een heel specifiek soort informatie omvat. Dit neemt niet weg dat ter terechtzitting werd gesteld dat geïntimeerde wel in bezit is van bepaalde relevante gegevens met betrekking tot rassen.
85. Ten tweede bevat artikel 11, lid 2, van de uitvoeringsverordening al meerdere – nogal ruim omschreven – uitzonderingen(33) op de verplichting om informatie te verstrekken op grond waarvan officiële instanties mogen weigeren de gevraagde informatie te verstrekken. Die uitzonderingen moeten echter strikt worden uitgelegd om nog enige residuele effectiviteit van de regel te waarborgen. Een overdreven enge lezing van het begrip „officiële instantie die bij het toezicht op landbouwproductie betrokken is”, zoals het begrip beperken tot alleen die instanties die puur ter uitvoering van artikel 11 van de uitvoeringsverordening zijn ingesteld, zou het praktisch onmogelijk maken om welke instantie dan ook te omschrijven als een „officiële instantie die bij het toezicht op landbouwproductie betrokken is”.(34) Dit begrip moet daarom op een zodanig redelijke manier worden uitgelegd dat wordt gewaarborgd dat het recht van de houder om (bepaalde) informatie van officiële instanties te verkrijgen ook effectief is.(35)
86. Hieruit volgt dat een overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het toezicht op de verlening van subsidies van de Unie een overheidsinstantie is die bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken is. Een dergelijke instantie kan zich dan ook niet beroepen op de uitzondering op de verplichting om de in artikel 11, lid 2, eerste streepje, van de uitvoeringsverordening vermelde informatie te verstrekken.
2. Tweede vraag, onder b): extra kosten
87. Met de tweede vraag, onder b), wordt het Hof gevraagd de voorwaarden vast te stellen waaronder een officiële instantie kan weigeren de verlangde informatie te verstrekken wanneer de verwerking van die informatie voor die instantie extra kosten met zich meebrengt. Is voorts het feit dat de houder, als schrijver van het verzoek om informatie, bereid is om die kosten te dragen, van enig belang voor dat antwoord?
88. Volgens appellante en de Commissie moet onderscheid worden gemaakt tussen het verkrijgen van informatie en het verwerken ervan: een officiële instantie kan alleen weigeren informatie te verstrekken indien het verkrijgen, anders dan het verwerken, van die informatie extra kosten met zich meebrengt. In het onderhavige geval is onomstreden dat de officiële instantie de informatie zonder extra kosten heeft ontvangen. In ieder geval stellen appellante en de Commissie dat de officiële instantie niet kan weigeren om informatie te verstrekken indien de verzoekende persoon bereid is die kosten voor zijn rekening te nemen.
89. Geïntimeerde en de Spaanse regering betogen dat de extra inspanning waartoe de zoekopdracht voor de officiële instantie zou leiden, gevolgen zou hebben voor de organisatie en het beheer en zelfs van invloed zou kunnen zijn op de gewone uitvoering van zijn taken. Alhoewel de door de houder gevraagde informatie beschikbaar is in de databank van geïntimeerde, zou een speciale zoekfunctie moeten worden geïnstalleerd om die informatie uit de databank op te vragen. Geïntimeerde heeft aangevoerd dat hij zelf niet beschikt over de programmeercapaciteiten om de voor het verzamelen van de gevraagde gegevens benodigde zoekopdracht uit te voeren. Daartoe zou hij een beroep moeten doen op de diensten van een externe dienstverlener. De geraamde kosten zouden ongeveer 6 000 EUR bedragen.
90. Naar mijn mening is het uiteindelijk aan de verwijzende rechter om deze vrij feitelijke vraag te beantwoorden en om te bepalen of de noodzakelijke verwerking van de reeds beschikbare gegevens in de omstandigheden van het geval extra werk inhoudt dat zo omvangrijk is dat de uitvoering ervan niet van de officiële instantie kan worden verwacht. In het volgende geef ik evenwel wat algemene richtsnoeren.(36)
91. Ten eerste voorzien artikel 11, lid 2, vijfde en zesde streepje, van de uitvoeringsverordening erin dat de officiële instantie mag weigeren de gevraagde informatie te verstrekken indien „deze informatie niet bij de normale uitoefening van de taak van de officiële instantie kan worden verkregen” of „het verkrijgen van deze informatie extra werk of kosten zou vergen”.
92. Ter terechtzitting erkende geïntimeerde dat de gevraagde informatie in de databank beschikbaar was, alhoewel die informatie zonder de hulp van een andere dienstverlener niet kon worden opgevraagd. Valt die situatie binnen een van de twee hierboven vermelde uitzonderingen?
93. Alhoewel ik het belang van het onderscheid tussen verkrijgen en verwerken van informatie in de context van papierwerk erken, waar geïntimeerde en de Commissie terecht op wezen, ben ik niet geheel overtuigd dat dat onderscheid in de context van elektronische databanken analytisch heel waardevol is. Een (in potentie onbeperkt) reservoir met informatie moet waarschijnlijk in een grote elektronische databank of gegevensverzameling worden bewaard. In de praktijk zorgt de noodzaak om de informatie op een gestructureerde en handige manier uit die bron te halen voor het echte probleem en de echte lasten.(37)
94. Uiteraard vereist ieder verzoek om informatie enig werk aan de zijde van degene die de informatie (vermoedelijk) in bezit heeft. In de context van zijn rechtspraak over toegang tot documenten van instellingen van de Unie, mag volgens het Hof de werklast die met het verwerken van verzoeken om toegang tot documenten gepaard gaat, in het belang van een behoorlijk bestuur niet onevenredig zijn.(38)
95. In plaats van de aandacht te richten op het onderscheid tussen het verkrijgen van een document en het verwerken van een document, is het in de context van het verkrijgen van informatie uit elektronische databanken of gegevensverzamelingen derhalve wellicht zinvoller om te kijken naar de totale hoeveelheid benodigd extra werk. Een verzoek om informatie kan niet uitsluitend worden geweigerd omdat het extra werk met zich meebrengt. De toets is veeleer hoeveel extra werk nodig is en wanneer dat extra werk onevenredig wordt.
96. Zoals door appellante en de Commissie gesteld, is in de onderhavige zaak de informatie reeds in de databank beschikbaar. Aangezien er geen officiële instantie specifiek belast is met het verzamelen van informatie over het gebruik van beschermde rassen, ook niet voor een ander doel, zou het recht op informatie bovendien worden uitgehold indien verstrekking zou worden geweigerd vanwege de kosten die met het verwerken van die informatie gepaard gaan.
97. Deze twee overwegingen hebben wel een zeker gewicht, met name in de specifieke context van elektronische databanken. Afhankelijk van de structuur en de interne organisatie ervan, kan vaak met minimale inspanning een hoop informatie worden verkregen uit een elektronische databank. Net als bij een caleidoscoop kan een kleine rotatie (een commando of een klik) het beeld volledig veranderen.(39) In die context kunnen veel soorten informatie makkelijker worden opgevraagd en kan daar met relatief weinig inspanning toegang toe worden verkregen, hoewel individuele verzoeken de instantie uiteraard niet mogen veranderen in een onderzoeksbureau voor particuliere doeleinden.
98. Daarom moeten de redelijkheid en de billijkheid en het evenredigheidsbeginsel worden toegepast bij de beslissing of de instantie toegang tot de gevraagde gegevens moet verlenen ondanks het feit dat eerst enige verwerking van die gegevens noodzakelijk is. Binnen die algehele context is het aan de verwijzende rechter om in de omstandigheden van de onderhavige zaak te beoordelen of het opvragen van de gevraagde informatie aanzienlijk extra werk vereist dat in redelijkheid niet ten laste van de instantie kan komen.
99. Ten slotte, wat betreft het aanbod van appellante om de aan het opvragen van de gevraagde informatie verbonden extra kosten te dragen, moet vooraf worden opgemerkt dat die kwestie losstaat van de vraag of toegang tot de informatie moet worden verleend. Voor kosten geldt een andere overweging dan voor toegang. De beslissing om toegang tot informatie te verlenen of te weigeren is niet afhankelijk van iemand die verklaart bereid te zijn om door de instantie gemaakte kosten te dragen.
100. Dat volgt niet alleen uit de logica van de regelgeving over toegang tot documenten, waar toegang een stap is die losstaat van kosten, maar ook uit het dwingende vereiste van gelijkheid: de (on)mogelijkheid om kosten te dragen mag nooit bepalen wie toegang heeft. Anders zouden alleen degenen die dat kunnen betalen toegang tot documenten kunnen krijgen.
101. Zodra met het oog op de redelijke hoeveelheid benodigd extra werk is beslist toegang te verlenen, is het derhalve aan de officiële instantie om als volgende en onafhankelijke stap te bepalen of de eventuele kosten moeten worden gedragen door degene die om de informatie vraagt. In dat opzicht kunnen parallellen worden getrokken met toegang tot documenten van instellingen van de Unie of met het hergebruik van overheidsinformatie. Met name wordt in verordening (EG) nr. 1049/2001 bepaald dat de kosten van het vervaardigen en verzenden van kopieën ten laste van de aanvrager kunnen worden gebracht, zij het dat deze kosten de werkelijke kosten van het vervaardigen en verzenden van de kopieën niet mogen overschrijden.(40) Tegelijkertijd wordt in richtlijn 2003/98 bepaald dat wanneer een vergoeding wordt verlangd voor het hergebruik van documenten, deze vergoeding beperkt blijft tot de marginale kosten voor hun vermenigvuldiging, verstrekking en verspreiding.(41)
102. Door deze regelgeving naar analogie te volgen, lijkt het in de onderhavige context redelijk wanneer de officiële instantie die is verzocht informatie te verstrekken, van houders zou verlangen om de kosten voor het verstrekken van die informatie te betalen binnen de grenzen van de extra kosten die de officiële instantie daadwerkelijk heeft gedragen voor het verwerken van de informatie.
103. Derhalve dient artikel 11, lid 2, van de uitvoeringsverordening aldus te worden uitgelegd dat een officiële instantie mag weigeren de gevraagde informatie te verstrekken indien het verwerken van de reeds beschikbare gegevens naar verwachting een onevenredige werklast oplevert die in redelijkheid niet ten laste van die instantie kan komen.
V. Conclusie
104. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Thüringer Oberlandesgericht te beantwoorden als volgt:
„– Artikel 11, lid 1, van verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers moet aldus worden uitgelegd dat verzoeken om informatie bij officiële instanties moeten worden geformuleerd met het oog op specifieke beschermde rassen. Deze bepaling weerhoudt de lidstaten er echter niet van om toegang tot informatie van officiële instanties met betrekking tot soorten op grond van nationale wetgeving te verlenen.
– Een overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het toezicht op de verlening van subsidies van de Unie is een overheidsinstantie die bij het toezicht op de landbouwproductie betrokken is. Een dergelijke instantie kan zich dan ook niet beroepen op de uitzondering op de verplichting om de in artikel 11, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1768/95 vermelde informatie te verstrekken.
– Artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1768/95 moet aldus worden uitgelegd dat een officiële instantie mag weigeren de gevraagde informatie te verstrekken indien het verwerken van de reeds beschikbare gegevens naar verwachting een onevenredige werklast oplevert die in redelijkheid niet ten laste van die instantie kan komen.”
1 Oorspronkelijke taal: Engels.
2 Arrest van 10 april 2003 (C‑305/00, EU:C:2003:218).
3 Arrest van 14 oktober 2004 (C‑336/02, EU:C:2004:622).
4 PB 1994, L 227, blz. 1.
5 PB 1995, L 173, blz. 14.
6 Uit het aan het Hof overgelegde nationale dossier blijkt dat appellante meer dan vijftig kwekers vertegenwoordigt, met name bestaande uit in Duitsland gevestigde ondernemingen maar ook een aantal gevestigd in Denemarken, Frankrijk, Nederland en Polen.
7 Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549).
8 Gedelegeerde verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de betaalorganen en andere instanties, het financieel beheer, de goedkeuring van de rekeningen, de zekerheden en het gebruik van de euro (PB 2014, L 255, blz. 18).
9 Arresten van 10 april 2003, Schulin (C‑305/00, EU:C:2003:218); 11 maart 2004, Saatgut-Treuhandverwaltungsgesellschaft (C‑182/01, EU:C:2004:135); 14 oktober 2004, Brangewitz (C‑336/02, EU:C:2004:622), en 15 november 2012, Raiffeisen-Waren-Zentrale Rhein-Main (C‑56/11, EU:C:2012:713).
10 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie (PB 2003, L 345, blz. 90).
11 Zie ook de zesde overweging van de uitvoeringsverordening, waarin staat dat de Commissie zal toezien op de gevolgen die de definitie van „kleine landbouwers” voor de rol van de vergoeding kan hebben.
12 Zie bijvoorbeeld mijn conclusie in de zaak Buccioni (C‑594/16, EU:C:2018:425, punt 32).
13 Zie bijvoorbeeld arresten van 12 oktober 2017, Kamin und Grill Shop (C‑289/16, EU:C:2017:758, punt 22), en 19 oktober 2017, Vion Livestock (C‑383/16, EU:C:2017:783, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
14 Deze beperking volgt uit artikel 14, lid 1, van de basisverordening.
15 Arresten van 10 april 2003, Schulin (C‑305/00, EU:C:2003:218), en 14 oktober 2004, Brangewitz (C‑336/02, EU:C:2004:622).
16 Arrest van 10 april 2003 (C‑305/00, EU:C:2003:218, punt 63).
17 Idem, punt 72.
18 Idem, punt 57.
19 Arrest van 14 oktober 2004 (C‑336/02, EU:C:2004:622, punten 65 en 66).
20 Maar niet alleen hier, dezelfde logica wordt herhaald en benadrukt in artikel 16, lid 1, van de uitvoeringsverordening.
21 Ook volgt uit deze bepalingen dat hoewel relevante informatie in het algemeen door landbouwers en loonwerkers moet worden verstrekt, het door bepaalde officiële instanties kan worden verstrekt, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan.
22 Met betrekking tot landbouwers is die uitspraak gedaan in het arrest van 10 april 2003, Schulin (C‑305/00, EU:C:2003:218, punt 60), en met betrekking tot loonwerkers in het arrest van 14 oktober 2004, Brangewitz (C‑336/02, EU:C:2004:622, punt 48).
23 Opgemerkt dient te worden dat het Hof in het arrest Schulin uitdrukkelijk „de moeilijkheid voor de houder om zijn recht op informatie geldend te maken omdat [...] onderzoek van een plant het niet mogelijk maakt vast te stellen of deze door het gebruik van het oogstproduct of door de aanschaf van zaad is verkregen” heeft benadrukt. Arrest van 10 april 2003 (C‑305/00, EU:C:2003:218, punt 63).
24 Zie punten 55 en 56 supra.
25 Arrest van 10 april 2003, Schulin (C‑305/00, EU:C:2003:218, punt 63).
26 Idem. Punt 66.
27 Idem. Punt 68. Artikel 13, lid 2, onder c) en d), van de basisverordening voorziet er met name in dat de toestemming van de houder nodig is voor het te koop aanbieden, verkopen of op andere wijze in de handel brengen.
28 Hierboven, punt 61.
29 Binnen artikel 11 van de uitvoeringsverordening zelf, maar ook met andere bepalingen ervan – zie hierboven, punten 51‑62.
30 Zie in het algemeen mijn conclusies in de zaken Confédération paysanne e.a. (C‑528/16, EU:C:2018:20, punt 139) en Lietuvos Respublikos Seimas (C‑2/18, EU:C:2019:180, punt 99) over de verplichting van de Uniewetgever om op de hoogte te blijven van sociale en economische ontwikkelingen (of geconfronteerd te worden met de gevolgen van wetgeving waarvan de geldigheid in twijfel wordt getrokken).
31 Zie evenzo mijn conclusie in de zaak Schrems (C‑498/16, EU:C:2017:863, punt 123).
32 Betaalorganen die verantwoordelijk zijn voor het beheer en de controle van landbouwfondsen, moeten een systeem hebben van integrale controles waarmee voldoende garantie wordt geboden dat betalingen wettig en rechtmatig zijn. Dat geïntegreerde systeem moet een geautomatiseerde gegevensbank, een systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen, steunaanvragen en een geïntegreerd controlesysteem omvatten. Ten aanzien van dat laatste moeten controles op steunaanvragen om de subsidiabiliteitsvoorwaarden voor de steun te verifiëren worden uitgevoerd. Zie met name artikelen 59, 67, 68 en 74 van verordening nr. 1306/2013.
33 Zie hierboven punten 8 en 62.
34 Ook omdat uit de discussie ter terechtzitting bleek dat, aangezien het standaard- en basistoezicht op grond van zowel de basisverordening als de uitvoeringsverordening aan de houder is toevertrouwd, er geen speciaal netwerk van aangewezen nationale instanties is ingesteld.
35 De kracht van de regel op grond waarvan officiële instanties wettelijk gevraagde informatie moeten verstrekken wordt verder benadrukt door artikel 11, lid 4, van de uitvoeringsverordening, dat voorziet in een verplichting om weigeringen voor het geven van toegang tot de gevraagde informatie schriftelijk te motiveren.
36 Uiteraard met het voorbehoud dat wat volgt alleen relevant zou zijn indien het aanvankelijke verzoek inderdaad onder artikel 11 van de uitvoeringsverordening valt. Conform wat bij punten 38 tot en met 42 supra is voorgesteld, zouden, indien aan de nationale bestuurlijke instantie een verzoek met betrekking tot soorten zou zijn geformuleerd, het nationale recht en de bijbehorende beginselen met betrekking tot toegang en extra kosten van toepassing zijn.
37 Zie met name het arrest van 11 januari 2017, Typke/Commissie (C‑491/15 P, EU:C:2017:5, punt 34). Anders gezegd, in de context van dergelijke elektronische databanken of gegevensverzamelingen houdt het grootste deel van de echte lasten waarschijnlijk verband met verwerking. De informatie is feitelijk beschikbaar, maar zonder de juiste structuur en vormgeving is zij in feite waardeloos.
38 Zie bijvoorbeeld arrest van 2 oktober 2014, Strack/Commissie (C‑127/13 P, EU:C:2014:2250, punten 27 en 28). Zie ook mijn conclusie in de zaak Typke/Commissie (C‑491/15 P, EU:C:2016:711, punt 41).
39 Zie mijn conclusie in de zaak Typke/Commissie (C‑491/15 P, EU:C:2016:711, punten 45 en 46).
40 Zie artikel 10, lid 1, van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).
41 Zie artikel 6 van richtlijn 2003/98.