Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. PITRUZZELLA
van 13 juni 2019(1)
Zaak C‑261/18
Europese Commissie
tegen
Ierland
„Niet-nakoming – Niet-uitvoering van het arrest van 3 juli 2008, Commissie/Ierland (C‑215/06) – Verzoek om veroordeling tot betaling van een dwangsom en een forfaitaire som”
1. Met het krachtens artikel 260, lid 2, VWEU ingestelde beroep dat het voorwerp van deze conclusie is, verzoekt de Europese Commissie het Hof om vast te stellen dat Ierland, door niet de noodzakelijke maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest van 3 juli 2008, Commissie/Ierland (C‑215/06, EU:C:2008:380; hierna: „arrest Commissie/Ierland”), ten uitvoer wordt gelegd, zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 260 VWEU niet is nagekomen, en om deze lidstaat wegens deze niet-nakoming te veroordelen tot betaling van een forfaitaire som en een dwangsom.
I. Voorgeschiedenis van het geding en arrest Commissie/Ierland
2. In 2003 werd in Derrybrien, County Galway, Ierland, begonnen met de bouw van een windturbinepark (hierna: „windturbinepark van Derrybrien”). Dit is het grootste project aan land voor het gebruik van windenergie dat ooit in Ierland is verwezenlijkt, en een van de grootste van Europa. De fasen voor de verlening van de bouwvergunning voor het windturbinepark van Derrybrien zijn uiteengezet in punt 83 van het arrest Commissie/Ierland: „[...] op 4 en 18 december 1997 [zijn] vergunningaanvragen ingediend voor de eerste twee fasen van het project, die elk 23 windturbines omvatten. Op 23 januari 1998 zijn nieuwe aanvragen ingediend, aangezien de eerdere aanvragen ongeldig waren geacht. Op 12 maart 1998 is een vergunning verleend. Op 5 oktober 2000 is een vergunningaanvraag voor een derde fase ingediend, die de bouw van 25 turbines en de aanleg van toegangswegen omvatte. Op deze aanvraag is op 15 november 2001 gunstig beslist. Op 20 juni 2002 verzocht de opdrachtgever om een wijziging van de eerste twee fasen van het project toe te staan. De desbetreffende vergunning is hem op 30 juli 2002 verleend. In november 2003 is de inmiddels verstreken vergunning voor de eerste twee fasen van de werkzaamheden verlengd na een door de opdrachtgever in oktober 2003 ingediende aanvraag.”
3. Op 16 oktober 2003 heeft in Derrybrien een enorme grondverschuiving plaatsgevonden waarbij ongeveer een half miljoen kubieke meter turf naar de rivier Owendalulleegh werd verplaatst, waardoor deze rivier werd vervuild en er ongeveer 50 000 vissen stierven. Zoals uit het dossier van zaak C‑215/06 blijkt, was de conclusie van twee in februari 2004 bekendgemaakte onderzoeksverslagen dat de milieuramp in verband moest worden gebracht met de bouwwerkzaamheden van het windturbinepark van Derrybrien.
4. Na een aanmaningsbrief van 5 april 2001 stuurde de Commissie op 21 december 2001 een met redenen omkleed advies waarin werd gewezen op meerdere projecten voor turfwinning die, in strijd met richtlijn 85/337(2), waren uitgevoerd zonder de milieueffecten daarvan te beoordelen. Op 7 juli 2004 stuurde de Commissie Ierland een aanvullende aanmaningsbrief met een lijst van inbreuken op richtlijn 85/337, waaronder de bouw van het windturbinepark van Derrybrien op basis van een milieueffectbeoordeling die leemten vertoonde. Deze brief werd op 5 januari 2005 gevolgd door een aanvullend met redenen omkleed advies.
5. Op 11 mei 2006 heeft de Commissie krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld tegen Ierland. De Commissie verweet Ierland niet alle nodige maatregelen te hebben getroffen om ervoor te zorgen dat de projecten die een aanzienlijk milieueffect konden hebben, vóór de vergunningverlening aan een milieueffectbeoordeling als bedoeld in richtlijn 85/337 waren onderworpen, en toe te staan dat een aanvraag tot regularisatie werd ingediend na de volledige of gedeeltelijke uitvoering van een niet-toegelaten project, in strijd met de preventiedoelstellingen van deze richtlijn. Daarnaast betwistte de Commissie de voorwaarden voor de verlening van de bouwvergunningen voor het windturbinepark van Derrybrien.
6. In het arrest Commissie/Ierland heeft het Hof beide grieven aanvaard. In punt 1, tweede streepje, van het dictum van dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat Ierland, door niet alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat „de afgifte van de vergunningen voor de bouw van een windturbinepark en de daarmee verbonden activiteiten te Derrybrien, County Galway, en de uitvoering van de desbetreffende werkzaamheden, werd voorafgegaan door een milieueffectbeoordeling van het project overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10 van richtlijn 85/337 als luidend zowel vóór als na de wijziging bij richtlijn 97/11 [(3)]”, zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 2, 4 en 5 tot en met 10 van deze richtlijn niet was nagekomen.
II. Precontentieuze procedure en procesverloop voor het Hof
7. Bij brief van 15 juli 2008 verzocht de Commissie Ierland om binnen twee maanden na de datum van het arrest Commissie/Ierland informatie te verstrekken over de maatregelen die deze lidstaat had genomen om uitvoering te geven aan dit arrest. In zijn antwoord van 3 september 2008 verklaarde Ierland het arrest Commissie/Ierland volledig te aanvaarden en daar snel uitvoering aan te willen geven. Over het windturbinepark van Derrybrien deelden de Ierse autoriteiten de Commissie mede dat de beheerder van het windturbinepark ermee had ingestemd om een geactualiseerde milieueffectbeoordeling te verstrekken met de in artikel 5 en bijlage IV bij richtlijn 85/337 bedoelde informatie, met het oogmerk „de rechtstreekse en indirecte effecten van het windturbinepark op het milieu en de wisselwerking tussen deze effecten vast te stellen, te onderzoek en te beoordelen, en te bepalen welke corrigerende maatregelen eventueel moeten worden genomen om deze effecten weg te nemen”. Deze beoordeling moest vóór het einde van 2008 zijn voltooid.
8. Op 18 september 2008 hebben de Commissie en de Ierse autoriteiten een bijeenkomst gehouden, waarin laatstgenoemden nogmaals hebben beloofd dat zij een corrigerende milieueffectbeoordeling van het windturbinepark van Derrybrien zouden laten uitvoeren. Tijdens deze bijeenkomst werd besproken of de betrokken beoordeling kon worden uitgevoerd zonder de bestaande vergunning ter discussie te stellen, en werd besloten om te wachten tot de wijziging van de Ierse wetgeving inzake de regularisatieprocedure zou zijn vastgesteld die was voorzien ter uitvoering van punt 1, eerste streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland.
9. Op 10 maart 2009 deelden de Ierse autoriteiten de Commissie mede dat bij de geplande wetswijziging een procedure voor de verlening van een „vervangende vergunning” (hierna: „vervangingsprocedure”) zou worden ingevoerd, waarmee – uitsluitend in uitzonderingsgevallen – in strijd met richtlijn 85/337 verleende vergunningen konden worden geregulariseerd. Zoals zij tijdens de bijeenkomst op 18 maart 2009 hadden beloofd, hebben de Ierse autoriteiten de Commissie op 17 april 2009 een kaderdocument doen toekomen met de titel „ECJ Judgement in case C‑215/06: Draft framework response by Ireland 17 April 2009”, met de maatregelen die Ierland voornemens was te treffen om uitvoering te geven aan het arrest Commissie/Ierland. In section D van dit document werd de vervangingsprocedure beschreven die in de geplande wetswijziging zou worden opgenomen, welke naar verwachting eind 2009 zou worden goedgekeurd. In section E van het kaderdocument, met het opschrift „Specific proposals for the Derrybrien wind farm”, werd vermeld dat de beheerder van het windturbinepark middels deze procedure een vervangende vergunning zou aanvragen.
10. Op 26 juni 2009 heeft de Commissie Ierland krachtens artikel 228, lid 2, EG-Verdrag een aanmaning gestuurd, waarin zij erop wees geen nadere informatie te hebben ontvangen over de vooruitgang met de milieueffectbeoordeling van het windturbinepark van Derrybrien. In zijn antwoord van 9 september 2009 deelde Ierland onder andere mede dat de wetswijziging waarbij de vervangingsprocedure zou worden ingevoerd op korte termijn zou worden goedgekeurd, en bevestigde deze lidstaat dat de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien ermee had ingestemd om zodra deze wetswijziging in werking was getreden een vervangende vergunning aan te vragen en een milieueffectbeoordeling uit te voeren.
11. Bij gebreke van nadere informatie over de vaststelling van de voorgestelde maatregelen, heeft de Commissie Ierland op 22 maart 2010 opnieuw een aanmaning gestuurd, waar Ierland op heeft geantwoord bij brieven van 18 mei 2010, 22 juli 2010 en 13 september 2010. In hun brief van 22 juli 2010 hebben de Ierse autoriteiten meegedeeld dat de nieuwe wet, die door het parlement was goedgekeurd, eind juli in werking zou treden. Ten aanzien van het windturbinepark van Derrybrien deelden de Ierse autoriteiten opnieuw mee dat de beheerder, zodra de vervangingsprocedure in gebruik werd genomen, een aanvraag voor een vervangende vergunning zou indienen, samen met een corrigerende milieueffectbeoordeling, „met informatie over maatregelen om de door de uitvoering van het project veroorzaakte schade weg te nemen”. In hun brief van 13 september 2010 hebben de Ierse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat de Planning and Development (Amendment) Act 2010 (No. 30 of 2010) (hierna: „PDAA”) was vastgesteld. Section XA van deze wet regelt de procedure voor de vervangende vergunning.
12. Op 19 september 2012 heeft de Commissie de Ierse autoriteiten schriftelijk verzocht nadere informatie over de aangekondigde wetgevingsmaatregelen te verstrekken, teneinde te kunnen beoordelen of zij in overeenstemming zijn met het arrest Commissie/Ierland. Aangezien de Commissie had vernomen dat niet zeker was of de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien wel bereid was om een vervangende vergunning aan te vragen, heeft zij de Ierse autoriteiten ook hierover om nadere informatie verzocht. Bij brief van 13 oktober 2012 bevestigden de Ierse autoriteiten dat de huidige beheerder van het windturbinepark van Derrybrien weigerde zich aan de vervangingsprocedure te onderwerpen wegens de daarmee gemoeide kosten, en uit vrees dat de vergunningen zouden worden ingetrokken. In dezelfde brief legden de Ierse autoriteiten uit dat zij na een diepgaande analyse van het Unierecht tot de overtuiging waren gekomen dat de – inmiddels definitief geworden – vergunningen voor de bouw van het windturbinepark van Derrybrien volgens dit recht niet opnieuw ter discussie konden worden gesteld, en dat het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, alsook de rechtspraak van het Hof op het gebied van procesautonomie van de lidstaten zich verzetten tegen een oplossing die inhield dat deze vergunningen zouden worden ingetrokken. In deze omstandigheden zou volgens de Ierse autoriteiten elke poging van de Ierse Staat om de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien te dwingen zich aan de vervangingsprocedure te onderwerpen vrijwel zeker worden geblokkeerd door de rechterlijke autoriteiten, die voorrang zouden geven aan de – door de Ierse grondwet gewaarborgde – rechten van deze beheerder. Om deze redenen kwamen de Ierse autoriteiten tot de slotsom dat een corrigerende milieueffectbeoordeling uitsluitend kon worden verkregen met de vrijwillige medewerking van de beheerder van het windturbinepark. De Ierse autoriteiten bevestigden dit standpunt in hun brief van 21 december 2012 aan de Commissie.
13. Op 10 mei 2013 meldden de Ierse autoriteiten de Commissie dat zij contact hadden opgenomen met de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien om de mogelijkheid te bestuderen van een „onafhankelijke, niet-officiële” milieueffectbeoordeling, die op basis van een „duidelijk en beknopt memorandum van overeenstemming” zou worden uitgevoerd. Bij brief van 13 december 2013 informeerden de Ierse autoriteiten de Commissie dat de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien, ondanks dat hij er „sterk van was overtuigd daartoe niet verplicht te zijn”, had ingestemd met een dergelijke milieueffectbeoordeling. Na deze brief stuurden de Ierse autoriteiten op 8 mei en 1 augustus 2014 een document met de titel „Derrybrien Environmental Review-Concept” (hierna: „ontwerpdocument”), waarin stond dat de milieueffectbeoordeling – ten aanzien van de in de bijlage bij dit document vermelde punten, die waren vastgesteld op basis van een „parallelakkoord” – was uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige die rechtstreeks door de Ierse regering was aangesteld, wiens handelen werd gecontroleerd door een directiecomité. Deze beoordeling bracht geen herziening van de bestaande vergunningen met zich mee, en werd evenmin door de rechter getoetst. Op 6 augustus 2014 hebben de diensten van de Commissie de Ierse autoriteiten erop gewezen dat de in het voornoemde document vermelde regelingen niet aan de vereisten van richtlijn 85/337 voldeden.
14. Op 15 september 2014 deelden de Ierse autoriteiten de Commissie mede dat zij bezig waren samen met de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien een memorandum van overeenstemming op te stellen. Een ontwerp van dit memorandum van overeenstemming werd op 11 maart 2015 naar de Commissie gestuurd. Tijdens de pakketvergadering op 17 november 2015 zijn de Commissie en de Ierse autoriteiten overeengekomen dat de definitieve versie van het memorandum van overeenstemming onverwijld naar de Commissie zou worden opgestuurd.
15. Bij gebreke van nadere informatie verzocht de Commissie de Ierse autoriteiten op 18 januari 2016 om de definitieve versie van het memorandum van overeenstemming toe te sturen. Op 7 maart 2016 werd een nieuwe versie van het memorandum van overeenstemming naar de Commissie gestuurd, met de vermelding dat over een aantal punten nog geen overeenstemming was bereikt met de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien. Bij e-mail van 6 juni 2016 wezen de diensten van de Commissie de Ierse autoriteiten erop dat een aantal punten in de nieuwe versie van het memorandum van overeenstemming moesten worden gewijzigd. Naar aanleiding van een bijeenkomst van 29 november 2016 hebben de diensten van de Commissie de Ierse autoriteiten bij e-mail van 15 december 2016 meegedeeld dat indien de Commissie de definitieve tekst van het memorandum van overeenstemming niet vóór eind 2016 ontving, zij begin 2017 opnieuw beroep zou instellen bij het Hof. Op 22 december 2016 heeft Ierland de Commissie een nieuwe versie van het ontwerpdocument gestuurd die volgens de Ierse autoriteiten volledig aan de criteria van richtlijn 85/337 voldeed, alsmede een nieuwe achtergrondnota van 2 december 2015. De begeleidende brief vermeldde dat de twee documenten naar verwachting eind januari 2017 zouden worden ondertekend.
16. Op 2 oktober 2017 schreef de Commissie de Ierse autoriteiten dat zij, aangezien geen vooruitgang werd geboekt met de uitvoering van punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland, voornemens was de zaak bij het Hof aanhangig te maken. Bij zijn antwoord van 16 oktober 2017 heeft Ierland een nieuw ontwerpdocument gevoegd, dat op 11 oktober 2017 was ondertekend, waarin deze lidstaat verklaarde dat hij op antwoord van de Commissie wachtte. De nieuwe versie van het ontwerpdocument is niet aan het Hof overgelegd. In haar beroep vermeldde de Commissie evenwel dat dit document verwees naar een bilateraal memorandum van overeenstemming tussen de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien en de Ierse autoriteiten dat haar niet was toegestuurd.
17. Bij brief van 13 december 2017 bevestigde de Commissie dat de tot dan toe geboekte vooruitgang nog niet toereikend was om uitvoering te geven aan punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland, en merkte zij nogmaals op dat zij vóór eind 2016 een definitieve versie van het memorandum van overeenstemming verwachtte. Op 9 januari 2018 antwoordden de Ierse autoriteiten dat het memorandum van overeenstemming op verzoek van de Commissie was aangevuld met een ontwerpdocument, dat dit document was ondertekend, en dat zij wachtten op goedkeuring van de Commissie om met de niet-officiële milieueffectbeoordeling te beginnen. Bij brief van 26 januari 2018 antwoordde de Commissie dat, los van de formele kwesties betreffende de door de Ierse autoriteiten toegestuurde documenten, in negen jaar tijd geen materiële vooruitgang was geboekt om een procedure tot stand te brengen waarmee een serieuze milieueffectbeoordeling van het windturbinepark van Derrybrien kon worden uitgevoerd, en dat volgens haar om deze reden een nieuwe fase was aangebroken waarin zij niet langer bereid was om een „buitengerechtelijk akkoord” goed te keuren. De Commissie stelde Ierland tevens voor om opnieuw de mogelijkheid te overwegen de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien aan de vervangingsprocedure te onderwerpen. In hun antwoord van 1 februari 2018 betreurden de Ierse autoriteiten de verslechtering in de samenwerking met de Commissie, en verweten zij haar geen standpunt te hebben ingenomen over de – definitieve – documenten die Ierland op 22 december 2016 had toegestuurd, waardoor de aanvang van de milieueffectbeoordeling nog verder werd vertraagd.
18. Aangezien Ierland volgens de Commissie niet alle nodige maatregelen had genomen om volledig uitvoering te geven aan punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland, heeft zij op 13 april 2018 het beroep ingesteld waarop deze conclusie betrekking heeft.
19. Partijen hebben tweemaal schriftelijke memories uitgewisseld, en zijn gehoord ter terechtzitting van 1 april 2019. Overeenkomstig artikel 62, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering heeft de rechter-rapporteur partijen schriftelijke vragen voor beantwoording ter terechtzitting doen toekomen. Bij brief die op 1 april 2019, vóór de aanvang van de terechtzitting, is ingekomen ter griffie van het Hof, heeft de Commissie het Hof meegedeeld dat zij op 29 maart 2019 van de Ierse autoriteiten bericht had ontvangen dat de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien had aanvaard om mee te werken aan de inleiding van de in de PDAA geregelde vervangingsprocedure. De Commissie heeft de aan haar gerichte brief van de Ierse autoriteiten van 29 maart 2019 naar de griffie van het Hof doorgestuurd, waar deze op 1 april 2019 is ingekomen. In die brief is vermeld dat de vervangingsprocedure „zo snel mogelijk zal worden ingeleid, zodat een volgens de regels uitgevoerde milieueffectbeoordeling achteraf wordt gegarandeerd”.
III. Beroep
A. Niet-nakoming
1. Standpunten van partijen
20. De Commissie meent dat Ierland niet het nodige heeft gedaan om gevolg te geven aan punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland. Ondanks dat deze lidstaat zich bereid verklaarde om snel uitvoering te geven aan het voormelde arrest, heeft hij in de afgelopen tien jaar, vanaf de uitspraak van het Hof tot aan het beroep dat het voorwerp van deze conclusie is, enkel voorstellen ingediend om de niet-nakoming met betrekking tot het windturbinepark van Derrybrien te verhelpen, zonder evenwel enig voorstel ten uitvoer te brengen.
21. Ierland merkt ten eerste op dat uit de overwegingen en het dictum van het arrest Commissie/Ierland blijkt dat de door het Hof geconstateerde niet-nakomingen in het algemeen de onjuiste omzetting van richtlijn 85/337 betroffen, terwijl er ten aanzien van windturbinepark van Derrybrien „geen enkele specifieke maatregel is vereist of toegekend”.
22. Ten tweede herinnert Ierland eraan dat de verplichting tot herstel van het verzuim om de milieueffectenbeoordeling te verrichten ten aanzien van een specifiek project wordt begrensd door de procesautonomie van de lidstaten, en dat het Hof in het arrest van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882, punt 41 en 42), heeft geoordeeld dat het Unierecht zich in beginsel er niet tegen verzet dat de betrokken lidstaat redelijke termijnen vaststelt voor beroep tegen vergunningen die zijn afgegeven in strijd met de in richtlijn 85/337 neergelegde verplichting van een voorafgaande milieueffectbeoordeling. In deze context preciseert Ierland dat de voor de bouw van het windturbinepark van Derrybrien en de daarmee verbonden activiteiten verleende vergunningen uitsluitend konden worden ingetrokken bij een uitspraak van de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland), na rechterlijke toetsing van het verleningsbesluit, waartoe binnen de wettelijke termijnen een verzoek moet worden ingediend, te weten binnen acht weken na de datum van het besluit.(4) Aangezien de wettelijke termijnen om de geldigheid van deze vergunningen aan te vechten inmiddels zijn verstreken – en wel meerdere jaren voordat de Commissie van het beroep wegens niet-nakoming heeft ingesteld dat tot het arrest Commissie/Ierland heeft geleid – zijn de Ierse autoriteiten geenszins verplicht om deze vergunningen in te trekken.
23. Ten derde merkt Ierland op dat indien wordt aanvaard dat een arrest waarbij het Hof een beroep wegens niet-nakoming als bedoeld in artikel 258 VWEU toewijst aan het einde van een inbreukprocedure waarbij uitsluitend de Commissie en de desbetreffende lidstaat betrokken zijn, tot gevolg kan hebben dat een op grond van het nationale recht definitief geworden besluit ongeldig wordt, dit in strijd zou zijn met het gewettigd vertrouwen van de geadresseerden van dit besluit, met name in de situatie van de onderhavige zaak waarin er tussen de verlening van de eerste bouwvergunning en het arrest van het Hof in de zaak Commissie/Ierland bijna tien jaar is verstreken.
24. Ten vierde heeft Ierland aangevoerd dat uit het verloop van de precontentieuze procedure blijkt dat de vertraging bij de vaststelling van maatregelen voor de uitvoering van arrest Commissie/Ierland eerder te wijten is aan de complexiteit van de onderliggende rechtsvragen, met name wat betreft de eerbiediging van de rechtszekerheid en de bescherming van het gewettigd vertrouwen en de eigendomsrechten van de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien, dan aan een gebrek aan medewerking van de zijde van Ierland. Deze lidstaat merkt op dat de Ierse autoriteiten naar aanleiding van hun in 2013 opgestelde voorstel om een niet-officiële milieueffectbeoordeling uit te voeren, bij brief van 22 december 2016 een ontwerpdocument naar de Commissie hebben gestuurd om haar formele goedkeuring te verkrijgen, die evenwel niet is verleend. De tijd die is verstreken tussen de verzending van dit ontwerpdocument en de verzending in oktober 2017 van hetzelfde ondertekende document is te wijten aan een misverstand tussen de Ierse autoriteiten en de functionarissen van de Commissie, of zelfs aan een volledig gebrek aan medewerking van de zijde van de Commissie. Daarnaast voert Ierland aan dat de uitvoering van het arrest Commissie/Ierland inhield dat een procedure werd ingeleid die buiten de werkingssfeer van de omzettingsbepalingen van richtlijn 85/337 viel, en dat de Commissie niet in staat is geweest – ook niet in de beroepsprocedure – om aan te geven welke specifieke maatregelen deze lidstaat moest nemen om de gevolgen van de niet-nakoming in punt 1, tweede streepje, van het dictum van dit arrest ongedaan te maken. In deze omstandigheden dient Ierland niet te worden bestraft omdat het zo lang als nodig was heeft gewacht om de juiste maatregelen ten uitvoer te brengen of omdat het niet op juiste wijze en niet tijdig heeft bepaald welke maatregelen dat zijn.
25. Tot slot betoogt Ierland dat het punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland inmiddels volledig ten uitvoer heeft gelegd, gezien de vooruitgang met de niet-officiële beoordeling overeenkomstig het ontwerpdocument.
2. Beoordeling
a) Omvang van de in punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland vastgestelde niet-nakoming
26. Artikel 260, lid 1, VWEU bepaalt dat indien het Hof vaststelt dat een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, deze staat gehouden is de maatregelen te nemen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof.
27. In de overwegingen van het arrest Commissie/Ierland heeft het Hof de grieven van de Commissie afzonderlijk geanalyseerd, waarvan de eerste betrekking had op een onjuiste omzetting van richtlijn 85/337 in Iers recht (punten 34 tot en met 81), en de tweede op de omstandigheden waarin de vergunningen voor de bouw van het windturbinepark van Derrybrien en voor de uitvoering van de betrokken werkzaamheden zijn verleend (punten 82 tot en met 112). Na beide grieven te hebben toegewezen, heeft het Hof in het dictum van dit arrest geoordeeld dat Ierland twee afzonderlijke verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn niet is nagekomen.
28. De niet-nakoming wegens het niet uitvoeren van een milieueffectbeoordeling van het bouwproject voor het windturbinepark overeenkomstig richtlijn 85/337, is ongetwijfeld het gevolg van de toepassing, op een concrete situatie, van bepalingen van Iers recht die volgens het Hof niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze richtlijn. Anders dan Ierland lijkt te betogen, betekent dit evenwel niet dat deze niet-nakoming – die het Hof afzonderlijk heeft vastgesteld in punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland – moet worden geacht in de in punt 1, eerste streepje, vastgestelde niet-nakoming te zijn begrepen.(5)
29. Hieruit volgt dat het voor Ierland niet volstond om zijn wetgeving aan richtlijn 85/337 aan te passen om uitvoering te geven aan punt 1, tweede streepje, van het dictum – omdat anders aan de afzonderlijke constatering van de niet-nakoming in dit streepje elk nuttig effect zou worden ontnomen – maar dat deze lidstaat afzonderlijke maatregelen moest treffen die specifiek gericht waren op het herstel van de inbreuk op deze richtlijn als gevolg van de bouw van het windturbinepark van Derrybrien. De door Ierland aangevoerde omstandigheid dat de aard van deze maatregelen niet in het arrest Commissie/Ierland is gespecificeerd, laat niet toe dat de door het Hof vastgestelde niet-nakoming en de uit deze uitspraak voortvloeiende verplichtingen van deze lidstaat opnieuw ter discussie worden gesteld, zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd.
b) Maatregelen die nodig zijn om uitvoering te geven aan punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland
1) Doel van de milieueffectbeoordeling als bedoeld in richtlijn 85/337
30. Richtlijn 85/337 verplicht de lidstaten de nodige maatregelen te treffen om te verzekeren dat een milieueffectbeoordeling volgens de op Unieniveau geharmoniseerde beginselen wordt uitgevoerd op projecten die, met name gezien hun aard, omvang of ligging, een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben.(6) Deze beoordeling dient hoofdzakelijk om de nodige informatie te verzamelen opdat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten tijdens de vergunningsprocedure voor deze projecten kunnen beoordelen welke milieuaspecten daardoor nadelig kunnen worden beïnvloed, en het besluit tot verlening of weigering van betrokken bouwvergunningen derhalve kunnen onderbouwen.(7)
31. De aan richtlijn 85/337 ten grondslag liggende logica is ongetwijfeld het voorkomen van milieuschade.(8) Binnen deze logica beantwoordt de verplichting om vooraf de milieueffecten van een project te beoordelen aan de noodzaak dat de bevoegde autoriteiten in het besluitvormingsproces zo vroeg mogelijk rekening houden met de milieueffecten van alle technische plannings- en beslissingsprocessen, teneinde „vervuiling of hinder van meet af aan te vermijden, in plaats van later de gevolgen ervan te bestrijden”.(9) Uit de tekst van deze richtlijn blijkt evenwel dat de milieueffectbeoordeling tevens tot doel heeft de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de mogelijkheid te bieden om, indien de vergunning wordt verleend, daarbij als vereiste te stellen dat de voorwaarden die de nadelige gevolgen van de verwezenlijking van het project beperken worden nagekomen, en meer in het algemeen, dat maatregelen worden genomen ter garantie dat het daarmee tot stand gebrachte bouwwerk wordt gebruikt volgens criteria van correct milieubeheer.(10)
32. Anderzijds heeft het Hof meerdere malen verklaard dat richtlijn 85/337 „een ruime werkingssfeer en een zeer breed doel heeft”(11), en daarbij erkend dat het „restrictief” en onverenigbaar met de door de Uniewetgever beoogde aanpak zou zijn als bij de „algemene milieueffectbeoordeling” waarnaar deze richtlijn verwijst „enkel rekening werd gehouden met de rechtstreekse gevolgen van de geplande werkzaamheden zelf, zonder acht te slaan op de milieueffecten die het gebruik en de exploitatie van de met deze werkzaamheden aangelegde installaties kunnen veroorzaken”.(12)
33. Anders dan Ierland lijkt te suggereren, volgt hieruit dat de door richtlijn 85/337 voorgeschreven milieueffectbeoordeling niet alleen gevolgen heeft op de datum waarop wordt besloten voor het betrokken project een vergunning te verlenen, maar ook daarna, tijdens de verwezenlijking en het gebruik van het bouwwerk dat daaruit voortkomt. Deze beoordeling dient daarbij als basis voor een optimaal beheer van de milieurisico’s in verband met de exploitatie van het bouwwerk en voor de beperking van de nadelige effecten die deze exploitatie met zich brengt voor meerdere factoren die bij deze beoordeling in aanmerking worden genomen.
34. Een lidstaat die zijn verplichting niet is nagekomen om te garanderen dat de vergunningverlening voor een project dat aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, wordt voorafgegaan door een milieueffectbeoordeling, kan aan de logica van preventie die aan richtlijn 85/337 ten grondslag ligt derhalve geen argumenten ontlenen om geen maatregelen te treffen voor herstel achteraf van deze niet-nakoming.
2) Nodige maatregelen om het verzuim om een milieueffectbeoordeling te verrichten overeenkomstig richtlijn 85/337 te herstellen
35. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat ondanks dat richtlijn 85/337 (net als richtlijn 2011/92, die momenteel van kracht is) niets bepaalt over de gevolgen van niet-nakoming van de verplichting om vooraf de milieueffecten te beoordelen, de lidstaten niettemin op grond van het in artikel 4 VEU vervatte beginsel van loyale samenwerking verplicht zijn om de onrechtmatige gevolgen van deze inbreuk weg te nemen, en dat het derhalve aan de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat is om „alle noodzakelijke algemene en bijzondere maatregelen te treffen om te verzekeren dat de projecten worden onderzocht teneinde vast te stellen of zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en, indien dit het geval is, dat zij aan een milieueffectbeoordeling worden onderworpen”(13). Ik wijs er overigens op dat deze verplichting volgens het Hof ook geldt in situaties waarin het project dat, in strijd met richtlijn 85/337, niet aan een milieueffectbeoordeling was onderworpen, volledig was verwezenlijkt en al werd geëxploiteerd.(14) Het Hof heeft tevens gepreciseerd dat de maatregelen om de onrechtmatige gevolgen van een niet-nakoming van de verplichting tot een voorafgaande milieueffectbeoordeling weg te nemen met name bestaan in „de intrekking of de opschorting van een reeds verleende vergunning teneinde een beoordeling van de milieueffecten van het betrokken project, zoals bedoeld in richtlijn 85/337, te verrichten”(15). Indien de nationale wetgeving voorziet in de mogelijkheid om dergelijke maatregelen te nemen, zijn de bevoegde autoriteiten van deze lidstaat – op grond van het beginsel van loyale samenwerking, en met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel – verplicht om deze maatregelen te treffen.(16)
36. Hieruit volgt dat indien de lidstaten hun verplichting om een voorafgaande milieueffectbeoordeling uit te voeren voor een project dat aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, niet nakomen, zij alle nodige maatregelen moeten treffen om deze beoordeling of een corrigerende beoordeling na de verlening van de vergunning te verrichten, zelfs indien het project al wordt uitgevoerd of reeds is verwezenlijkt, overeenkomstig de in de punten 31 tot en met 33 van deze conclusie vermelde doelstellingen van richtlijn 85/337. Waar dat op grond van het nationale recht mogelijk is, dienen de bevoegde nationale autoriteiten de reeds verleende vergunning op te schorten of in te trekken, zodat zij kan worden geregulariseerd of een nieuwe vergunning kan worden verleend die in overeenstemming is met de voorschriften van deze richtlijn.
37. De verplichting van de betrokken lidstaat te garanderen dat achteraf een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd geldt des te sterker in een situatie als die welke in deze conclusie wordt geanalyseerd, waarin het betrokken project, met name wegens de omvang ervan, bijzonder ernstige en blijvende gevolgen voor het milieu kan hebben, de uitvoering daarvan reeds enorme milieuschade heeft aangericht, en het Hof in het kader van een niet-nakomingsprocedure reeds heeft geoordeeld dat inbreuk op de richtlijn is gemaakt.
38. Het argument van Ierland dat het, om uitvoering te geven aan punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland, niet gehouden was om de vergunningen die de beheerder van het windturbinepark Derrybrien in bezit had in te trekken, en evenmin om laatstgenoemde te verplichten om achteraf een milieueffectbeoordeling te verrichten (of toe te staan dat deze wordt verricht), slaagt derhalve niet.
c) Door Ierland aangevoerde rechtvaardigingsgronden
1) Grenzen aan de procesautonomie en het gewettigd vertrouwen van de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien
39. Ierland betwist de door de Commissie gestelde niet-nakoming door zich ten eerste te beroepen op het beginsel van procesautonomie van de lidstaten. Onder verwijzing naar het arrest van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882), voert deze lidstaat aan dat hij niet verplicht is om de geldigheid van de voor het windturbinepark Derrybrien verleende bouwvergunningen, die op grond van het Ierse recht reeds meerdere jaren vóór de uitspraak van het Hof in het arrest Commissie/Ierland definitief waren geworden, opnieuw ter discussie te stellen.
40. In dit verband herinner ik eraan dat het Hof in het arrest van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 65), naar aanleiding van een prejudiciële verwijzing – in het kader van een geding waarin een particulier beroep had ingesteld tegen de weigering van het nationale overheidsorgaan om een exploitatievergunning die zonder milieueffectbeoordeling was verleend in te trekken of te wijzigen(17) – heeft geoordeeld dat de verplichting van de bevoegde nationale autoriteiten om een in strijd met richtlijn 85/337 verleende vergunning in te trekken of op te schorten, wordt begrensd door het beginsel van procesautonomie van de lidstaten.(18) Bij gebreke van Unierechtelijke regelgeving dienaangaande, is het volgens dit beginsel een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van rechten die de justitiabelen aan de rechtstreekse werking van het Unierecht ontlenen, welke regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke situaties op basis van het interne recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en evenmin aldus mogen zijn gestructureerd dat zij de uitoefening van deze rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).(19)
41. In het door Ierland aangehaalde arrest van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882, punten 41 en 42), heeft het Hof gepreciseerd dat het Unierecht – dat geen regeling bevat voor beroepstermijnen tegen vergunningen die zijn afgegeven in strijd met de in artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337 neergelegde verplichting van een voorafgaande milieueffectbeoordeling – in beginsel en mits het gelijkwaardigheidsbeginsel in acht wordt genomen, niet in de weg staat aan de vaststelling door de betrokken lidstaat „van redelijke beroepstermijnen in het belang van de rechtszekerheid, die tegelijkertijd bescherming biedt aan de betrokken particulier en aan de betrokken autoriteit”(20).
42. Anders dan Ierland betoogt, ben ik van mening dat noch het beginsel van procesautonomie van de lidstaten, noch het feit dat de maatregel waarbij de bouwvergunning voor het windturbinepark van Derrybrien is verleend, na het verstrijken van de beroepstermijnen voor particulieren tegen dergelijke maatregelen definitief is geworden, geldig door deze lidstaat kan worden ingeroepen om zich te onttrekken aan de verplichting om punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest volledig ten uitvoer te leggen.
43. Voor deze uitvoering diende deze lidstaat immers alle nodige – algemene of specifieke – maatregelen te treffen om het verzuim om een milieueffectbeoordeling te verrichten overeenkomstig richtlijn 85/337, te herstellen, waaronder met name maatregelen waarmee kan worden gegarandeerd dat achteraf een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd.
44. Het verstrijken van de beroepstermijnen voor particulieren om bescherming tegen maatregelen van het overheidsorgaan in te roepen, sluit in beginsel niet uit dat het overheidsorgaan de onrechtmatige maatregel intrekt of de uitvoering daarvan opschort op grond van zijn bevoegdheid zijn eigen handelingen in te trekken, te schorsen of te wijzigen, en evenmin dat maatregelen worden getroffen die de houder van een bouwvergunning verplichten om zijn positie te regulariseren, eventueel door eerder niet nagekomen verplichtingen te voldoen, of door het beheer van de op grond van deze vergunning opgerichte bouwwerken aldus aan te passen dat aan bepaalde voorwaarden of criteria ter bescherming van openbare belangen wordt voldaan. Op grond van het beginsel van loyale samenwerking zijn de autoriteiten van de lidstaten verplicht om, elk binnen hun respectieve bevoegdheden, dergelijke maatregelen te nemen en de hun toegekende bevoegdheden uit te oefenen, indien daardoor een inbreuk op het Unierecht kan worden hersteld.
45. In antwoord op een vraag van het Hof ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van Ierland gepreciseerd dat het Ierse recht niet voorziet in de mogelijkheid dat een overheidsorgaan bouwvergunningen als die welke voor het windturbinepark van Derrybrien zijn verleend – die definitief zijn geworden – intrekt op grond van zijn bevoegdheid zijn eigen handelingen om redenen van algemeen belang in te trekken, te schorsen of te wijzigen, en daarnaast heeft hij bevestigd dat dergelijke vergunningen slechts nietig kunnen worden verklaard bij vonnis van de High Court. Aangezien de beroepstermijnen zijn verstreken, zijn dergelijke besluiten niet meer voor beroep vatbaar. Deze omstandigheid kan mijns inziens evenwel niet het standpunt van Ierland rechtvaardigen dat het in de onderhavige zaak niet verplicht was om specifieke maatregelen te nemen om de door het Hof vastgestelde niet-nakoming te herstellen.
46. Het huidige Ierse recht voorziet namelijk in een procedure voor de regularisering van vergunningen die in strijd met de verplichtingen van richtlijn 85/337 zijn verleend, en deze procedure is in de onderhavige zaak van toepassing.
47. Section 177B, leden 1 en 2, onder b), van deel XA van de PDAA, die is ingevoerd bij de wetswijziging van 2010, bepaalt immers dat indien bij „definitief arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie” is geoordeeld dat de vergunning voor een project waarvoor een milieueffectbeoordeling is vereist onrechtmatig is verleend, de bevoegde planning authority de beheerder van het project schriftelijk daarvan kennis geeft en hem gelast om een vervangende vergunning aan te vragen. In section 177B, lid 2, onder c), wordt gepreciseerd dat de beheerder volgens deze kennisgeving samen met de vergunningaanvraag een corrigerende milieueffectbeoordeling („remedial environmental impact statement”) moet indienen.
48. Ierland legt deze bepaling aldus uit dat zij niet van toepassing is op omstandigheden als in de onderhavige zaak aan de orde zijn, waarin de verleende bouwvergunning definitief is geworden. Een dergelijke beperking is evenwel niet in de tekst van section 177B PDAA terug te vinden, en kan evenmin uit een letterlijke lezing van deze bepaling worden afgeleid. De uitlegging van Ierland wordt weersproken door het feit dat lid 1 van deze bepaling geen onderscheid maakt tussen een arrest van het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing, die deel uitmaakt van een nationale procedure waarmee wordt beoogd de geldigheid van de betrokken vergunning aan te tasten, en een arrest van het Hof in het kader van niet-nakomingsprocedure, dat, zoals in het geval van het arrest Commissie/Ierland, kan worden gewezen na het verstrijken van de termijnen voor beroep tegen het bestuurlijke besluit waarbij de vergunning is verleend, of nadat een nationaal beroep tegen dit besluit definitief is verworpen.
49. Daarnaast wijs ik er op dat de Supreme Court (hoogste rechter, Ierland) – die onlangs uitspraak heeft gedaan in een zaak die onder andere betrekking had op de toepassing van section 177B PDAA op de eigenaar van een steengroeve waarvan de exploitatie in de jaren 60 was begonnen, in een periode waarin geen vergunning hoefde te worden aangevraagd – heeft verklaard dat deze section van toepassing is op een „uitzonderingscategorie” van projecten ten aanzien waarvan de „eerder verleende vergunning” die „verder geldig” was, volgens het Hof van Justitie onrechtmatig was verleend omdat geen milieueffectbeoordeling was uitgevoerd.(21) Het Hof maakt daarbij geen melding van enige beperking naargelang de vergunning al dan niet definitief is geworden. Anders dan Ierland betoogt, was het dus allerminst zeker dat elke poging om de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien aan de procedure van section 177B PDAA te onderwerpen door de Ierse rechters zou worden geblokkeerd.(22)
50. Tot slot breng ik in herinnering dat de door Ierland voorgestane enge uitlegging pas in oktober 2012 in de precontentieuze procedure is aangevoerd. Tot op dat tijdstip hadden de Ierse autoriteiten de Commissie, zowel voor als na de inwerkingtreding van de PDAA, steeds te kennen gegeven dat zij om uitvoering te geven aan het onderdeel van het dictum van het arrest Commissie/Ierland dat betrekking heeft op het windturbinepark van Derrybrien, voornemens waren de vervangingsprocedure in te leiden. Zoals Ierland ter terechtzitting heeft bevestigd, heeft de County Galway op 12 oktober 2011 een kennisgeving als bedoeld in section 177B PDAA naar de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien gestuurd, om deze vervolgens enkele dagen daarna weer in te trekken, waaruit blijkt dat die County, althans aanvankelijk, aan deze bepaling een andere uitlegging heeft gegeven dan deze lidstaat.
51. In deze omstandigheden kan Ierland niet geldig aanvoeren dat het Ierse recht geen instrumenten biedt om vergunningen als die voor het windturbinepark van Derrybrien opnieuw te onderzoeken. De procedure in section 177B PDAA vormt een dergelijk instrument. Het stond derhalve aan de Ierse autoriteiten om deze procedure in te leiden teneinde volledig uitvoering te geven aan punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland.
52. De door Ierland aangevoerde argumenten betreffende de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien kunnen mijns inziens niet aan een dergelijke uitvoeringsmaatregel in de weg staan.
53. De vervangingsprocedure van de PDAA dient in de eerste plaats immers hoofdzakelijk om het in welbepaalde omstandigheden mogelijk te maken om in strijd met richtlijn 85/337 verleende vergunningen en de projecten waarvoor zij zijn verleend te herzien en aan te passen aan door deze richtlijn voorgeschreven criteria, met name wat betreft het vereiste dat een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd. Deze procedure heeft overigens niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat aan herziening onderworpen vergunningen worden ingetrokken en de activiteiten waarvoor zij zijn verleend worden stopgezet. Het kan zijn dat uitsluitend de verplichting wordt opgelegd de vergunning te regulariseren, en de eventueel noodzakelijk geachte corrigerende maatregelen te nemen.(23)
54. In de tweede plaats herinner ik eraan dat het Hof in het arrest van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882), heeft gepreciseerd dat „projecten, met een vergunning waartegen geen rechtstreeks beroep meer kan worden ingesteld omdat de in de nationale wetgeving bepaalde beroepstermijn verstreken is” niet „zonder meer worden geacht rechtmatig te zijn vergund conform de eisen van de milieueffectbeoordelingsverplichting”(24), met als gevolg dat indien het nationale recht voorziet in een instrument waarmee kan worden gewaarborgd dat een dergelijke beoordeling wordt uitgevoerd, de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat verplicht is om dat te gebruiken.(25) Hieruit volgt dat de beheerder van een dergelijk project niet kan aanvoeren dat er sprake is van gewettigd vertrouwen in de geldigheid van de vergunning die zonder nakoming van de verplichting om een voorafgaande milieueffectbeoordeling te verrichten is verleend en op nationaal niveau niet meer voor beroep vatbaar is, om zich te verzetten tegen de verplichting om achteraf een milieueffectbeoordeling uit te voeren, waartoe hij verplicht is op grond van een maatregel die de nationale autoriteiten hebben vastgesteld ter uitvoering van een niet-nakomingsarrest van het Hof. Dat geldt a fortiori voor de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien die, zoals uit de processtukken blijkt en zoals Ierland ter terechtzitting heeft bevestigd, een volle dochteronderneming van de Electricity Supply Board (ESB) is, die op haar beurt weer voor 95 % in handen is van de Ierse Staat.(26)
55. De tijd die is verstreken tussen de verlening van de betrokken vergunningen en het arrest Commissie/Ierland doet daar niets aan af. Overigens wijs ik erop dat dat hoewel het juist is dat dit arrest in 2008 is gewezen en de laatste vergunning voor het windturbinepark van Derrybrien in 2003 definitief is geworden, er op het tijdstip waarop deze vergunning werd verleend tegen Ierland reeds een inbreukprocedure krachtens artikel 226 EG was ingeleid waarin weliswaar nog niet rechtstreeks het bouwproject van het windturbinepark werd betwist, maar Ierland wel werd verweten systematisch inbreuk te hebben gemaakt op zijn verplichtingen uit hoofde van richtlijn 85/337. Ik vraag mij af in hoeverre een openbare exploitant zich kan beroepen op een gewettigd vertrouwen in de geldigheid van een niet met die richtlijn strokende vergunning die in dergelijke omstandigheden is verleend.
56. Tot slot merk ik op dat zelfs indien de stelling van Ierland wordt gevolgd dat de dwingende procedure van section 177B PDAA niet op de onderhavige zaak van toepassing is omdat de betrokken vergunningen definitief zijn geworden, de beheerder van een project waarvoor zonder voorafgaande milieueffectbeoordeling een vergunning is verleend, op grond van section 177C van deze wet kan verzoeken dat de vervangingsprocedure op hem wordt toegepast. Naast een overheidsmaatregel bood de PDAA de Ierse autoriteiten derhalve een alternatief instrument waarmee het verzuim om een milieueffectbeoordeling voor het bouwproject voor het windturbinepark van Derrybrien te verrichten, kon worden hersteld(27), welk alternatief zij gezien de zeggenschap die de Staat over de beheerder van dit windturbinepark heeft, zonder problemen hadden kunnen aanwenden.
2) Complexiteit van de gestelde rechtsvragen en het gebrek aan medewerking van de zijde van de Commissie
57. Anders dan Ierland ben ik van mening dat het voor de uitvoering van punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland niet bijzonder moeilijk was om te bepalen welke maatregelen moesten worden genomen om de gevolgen van de niet-nakoming weg te nemen, en dat de rechtsvragen die deze uitvoering opriep niet dermate ingewikkeld waren dat zij kunnen rechtvaardigen dat de feitelijke impasse al meer dan tien jaar voortduurt.
58. Uit de processtukken blijkt dat de Commissie en de Ierse autoriteiten sinds hun allereerste correspondentie en tijdens de volledige precontentieuze procedure beide hadden vastgesteld dat het verzuim om een voorafgaande milieueffectbeoordeling te verrichten uitsluitend kon worden hersteld door de milieueffectbeoordeling achteraf uit te voeren. De Commissie en Ierland hebben in de laatste fase van de precontentieuze procedure gediscussieerd over de wijze waarop deze beoordeling moet worden uitgevoerd, maar uit de processtukken blijkt niet dat zij alternatieve uitvoeringsmaatregelen hebben overwogen.
59. Pas aan het einde van 2012, dat wil zeggen, vier jaar na het arrest Commissie/Ierland van het Hof, hebben de Ierse autoriteiten – die tot dan toe steeds hadden verzekerd dat de vervangingsprocedure op de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien zou worden toegepast – aangevoerd dat er problemen waren in verband met de bescherming van de rechtszekerheid en het gewettigd vertrouwen van deze beheerder, en hebben zij de Commissie een alternatieve oplossing voorgesteld, dat wil zeggen, een „niet-reglementaire” milieueffectbeoordeling. Ook bij de verwezenlijking van deze oplossing werd inhoudelijk evenwel geen vooruitgang gemaakt, hetgeen, niettegenstaande de verklaringen van Ierland, niet te wijten is aan een gebrek aan medewerking van de zijde van de Commissie.
60. Anders dan deze lidstaat betoogt, kan het lange tijdsbestek tussen 22 december 2016 en 2 oktober 2017 – de twee data waarop het in punt 15 van deze conclusie vermelde conceptdocument werd verzonden – naar mijn mening niet aan de Commissie worden verweten. Ten eerste werd in de begeleidende brief bij het eerste document immers niet vermeld dat de Ierse autoriteiten op formele goedkeuring van de Commissie wachtten alvorens naar de volgende fase over te gaan, zoals Ierland ook heeft toegegeven. Ten tweede was de in december 2016 verstuurde versie van dit document niet door de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien ondertekend, waardoor er twijfel rees of deze beheerder werkelijk bereid was om deze verplichting op zich te nemen. Tot slot voert de Commissie aan dat de inhoud van het in december 2016 verstuurde document vrijwel identiek was aan een eerder document, waarover zij een reeks opmerkingen had gemaakt, die de Ierse autoriteiten niet in aanmerking hebben genomen, hetgeen Ierland niet heeft betwist.
61. Meer in het algemeen heeft de Commissie mijns inziens tijdens de gehele precontentieuze procedure blijk gegeven van een bijna overdreven beschikbaarheid en bereidheid tot samenwerking, met name toen de Ierse autoriteiten meer dan vier jaar na het arrest Commissie/Ierland hun standpunt over de toepasselijkheid van de vervangingsprocedure op de beheerder van het windturbinepark van Derrybrien drastisch wijzigden.
62. Gelet op het bovenstaande ben ik van oordeel dat het trage verloop en het mislukken van de precontentieuze fase niet, zelfs niet gedeeltelijk, kunnen worden geweten aan de complexiteit van de gerezen rechtsvragen, en evenmin aan onzekerheid van de Commissie bij het bepalen welke maatregelen nodig waren om de uitvoering van het arrest Commissie/Ierland te garanderen, of aan een gebrek aan samenwerking van de zijde van deze instelling.
d) Conclusies betreffende de vraag of de bestreden niet-nakoming zich heeft voorgedaan
63. Ruim tien jaar na het arrest Commissie/Ierland heeft niet alleen nog steeds geen milieueffectbeoordeling van bouwwerkzaamheden van het windturbinepark van Derrybrien en de daarmee verbonden activiteiten overeenkomstig de voorschriften van richtlijn 85/337 plaatsgevonden – ondanks dat Ierland de mogelijkheid daartoe nooit heeft betwist –, maar is er zelfs geen enkele concrete maatregel vastgesteld om deze beoordeling uit te voeren. Integendeel: na in zijn verweerschrift op dit punt te hebben verklaard dat het op elk moment een niet-reglementaire beoordeling achteraf van de beheerder van dit windturbinepark kon verwachten, heeft Ierland vlak voor de terechtzitting in de onderhavige zaak aangekondigd dat het „terug naar af” ging – als in een ganzenbordspel –, en de Commissie daarbij meegedeeld dat het weer een ander standpunt had ingenomen ten aanzien van de mogelijkheid om van de vervangingsprocedure gebruik te maken. In deze omstandigheden, en op grond van de bovenstaande overwegingen, kan naar mijn mening geen andere conclusie worden getrokken dan dat er inderdaad sprake is van de door Ierland betwiste niet-nakoming, en dat de door deze lidstaat aangevoerde rechtvaardigingsgronden moeten worden afgewezen.
B. Geldboetes
64. In haar beroepschrift geeft de Commissie het Hof in overweging om overeenkomstig artikel 260, lid 2, VWEU, en op grond van haar mededeling van 13 december 2005 inzake de uitvoering van artikel 228 EG (hierna: „mededeling van 2005”)(28), wegens de niet-uitvoering van het arrest Commissie/Ierland een dwangsom en een forfaitaire som op te leggen.
65. In zijn repliek voert Ierland aan dat er geen sanctie zou moeten worden opgelegd voor zover de arresten van 26 juli 2017, Comune di Corridonia e.a. (C‑196/16 en C‑197/16, EU:C:2017:589), en 28 februari 2018, Comune di Castelbellino (C‑117/17, EU:C:2018:129), waarop de Commissie zich baseert, een breuk met de eerdere rechtspraak vormen. Dit argument moet mijns inziens worden afgewezen op grond van mijn overwegingen in de punten 26 tot en met 38 van deze conclusie.
1. Dwangsom
66. Zoals ik in punt 63 van deze conclusie heb geconstateerd, had Ierland in elk geval op de datum van de terechtzitting voor het Hof nog steeds geen uitvoering gegeven aan punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland. Indien deze inbreuk op de datum van de uitspraak op dit beroep voortduurt(29), moet de oplegging van de dwangsom uit hoofde van artikel 260, lid 2, VWEU gerechtvaardigd worden geacht(30).
67. Wat de het bedrag van deze sanctie betreft, staat het aan het Hof om de dwangsom aldus vast te stellen dat zij in overeenstemming is met de omstandigheden en evenredig is aan de vastgestelde inbreuk en aan de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat.(31) Bij de beoordeling van het Hof zijn de fundamentele criteria die moeten worden gehanteerd de duur van de inbreuk, de ernst ervan en de financiële draagkracht van de betrokken lidstaat. Bij de toepassing van deze criteria moet het Hof in het bijzonder rekening houden met de gevolgen van de niet-uitvoering van het arrest voor de publieke en particuliere belangen en met de urgentie waarmee de betrokken lidstaat moet worden aangemoedigd zijn verplichtingen na te komen.(32)
68. De Commissie geeft in overweging om een dagelijkse dwangsom op te leggen bestaande in een forfaitair bedrag van 700 EUR, vermeerderd met de coëfficiënten voor de ernst en de duur en een afschrikkingsfactor, wat neerkomt op een totaalbedrag van 12 264 EUR per dag, te rekenen vanaf de datum waarop het arrest in de onderhavige zaak wordt gewezen tot aan de volledige uitvoering van het arrest Commissie/Ierland.
69. Wat de ernst betreft, heeft de Commissie in de eerste plaats rekening gehouden met het belang van de geschonden Unieregels en de context waarin deze inbreuk heeft plaatsgevonden, in de tweede plaats met de gevolgen van deze inbreuk en met het feit dat Ierland bij herhaling inbreuk op richtlijn 85/337 heeft gepleegd(33), en in de derde plaats met het feit dat deze lidstaat gedurende een lange periode geen medewerking heeft verleend. Gelet op deze aspecten, en rekening houdend met de omstandigheid dat de niet-uitvoering van het arrest Commissie/Ierland slechts één deel daarvan betreft, stelt de Commissie voor om een ernstcoëfficiënt toe te passen van 2 op een schaal van 1 tot en met 20, overeenkomstig de mededeling van 2005.
70. De factoren die de Commissie in aanmerking heeft genomen om de ernst van de betrokken inbreuk te beoordelen zijn mijns inziens relevant. De door Ierland aangevoerde argumenten dat daarbij rekening moet worden gehouden met zijn inspanningen om aan de vereisten van de Commissie te voldoen en met het gebrek aan samenwerking van de zijde van laatstgenoemde, moeten daarentegen buiten beschouwing worden gelaten. In dit verband verwijs ik naar mijn opmerkingen in de punten 58 tot en met 62 van deze conclusie.
71. Daarnaast betwist Ierland dat de niet-nakoming die het Hof in punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland heeft vastgesteld de oorzaak is van de milieuschade die het gevolg was van de grondverschuiving in 2003, en dat dit aspect derhalve niet in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk. In dit verband wijs ik erop dat uit het arrest Commissie/Ierland blijkt dat Ierland nog nooit heeft betwist dat deze grondverschuivingen zijn veroorzaakt door de voor de bouw van het windturbinepark van Derrybrien uitgevoerde werkzaamheden (zie punt 93). In deze context is niet uitgesloten dat een voorafgaande milieueffectbeoordeling, waarin duidelijk zou zijn geworden welke risico’s aan deze werkzaamheden waren verbonden of bepaalde preventiemaatregelen zouden zijn aanbevolen, de daaruit voortgekomen schade had kunnen beperken. De gevolgen van de grondverschuiving in 2003 moeten dus in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de ernst van de niet-nakoming door Ierland, al moet bij de beoordeling geen te groot gewicht daaraan worden toegekend.
72. Wat de duur betreft heeft de Commissie de maximale coëfficiënt toegepast zoals zij deze in de mededeling van 2005 had vastgesteld, te weten 3, aangezien er tussen de datum van het arrest Commissie/Ierland en 25 januari 2018, de datum waarin de Commissie het onderhavige beroep heeft ingesteld, 114 maanden zijn verstreken. Ofschoon artikel 260, lid 1, VWEU niet aangeeft binnen welke termijn aan een arrest uitvoering moet worden gegeven, vereist volgens vaste rechtspraak van het Hof het belang van een onverwijlde en eenvormige toepassing van het Unierecht dat die uitvoering onverwijld in gang wordt gezet en zo snel mogelijk wordt voltooid.(34) In de onderhavige zaak duurt de aan Ierland verweten niet-nakoming al meer dan tien jaar zonder dat enige wezenlijke vooruitgang is geboekt om een milieueffectbeoordeling van de bouw van het windturbinepark van Derrybrien en de daarmee verbonden werkzaamheden te verkrijgen. Dit tijdsbestek is zonder meer te lang. Zelfs indien wordt aanvaard dat voor de uitvoering van punt 1, tweede streepje, van het dictum van het arrest Commissie/Ierland de vervangingsprocedure moet worden ingeleid, zoals deze lidstaat betoogt, zou de niet-nakoming tot nog toe meer dan zeven jaar hebben geduurd, wat hoe dan ook een aanzienlijk tijdsbestek is.
73. Tot slot heeft de Commissie de afschrikkingsfactor toegepast, die zij in de mededeling van 2005 voor Ierland heeft vastgesteld op 2,92. Ierland heeft deze waarde niet betwist.
74. Tegen deze achtergrond geef ik het Hof in overweging om een dwangsom van 10 000 EUR per dag vast te stellen.
2. Forfaitaire som
75. Overeenkomstig de mededeling van 2005 geeft de Commissie het Hof in overweging om een forfaitaire som toe te passen bestaande in een forfaitair bedrag van 230 EUR, vermenigvuldigd met een ernstfactor en een afschrikkingsfactor „n”, wat neerkomt op een bedrag van 1 343,20 EUR per dag vanaf 3 juli 2008 tot de datum waarop het arrest Commissie/Ierland is uitgevoerd of, indien het arrest niet is uitgevoerd, tot de datum waarop het arrest in de onderhavige zaak wordt gewezen, met een vast bedrag van ten minste 1 685 000 EUR.(35) Op grond van de overwegingen in punt 68 van deze conclusie, geef ik het Hof in overweging om dit bedrag te verlagen tot 1 000 EUR.
IV. Conclusie
76. Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„– Door niet alle maatregelen te hebben getroffen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van 3 juli 2008, Commissie/Ierland (C‑215/06, EU:C:2008:3807), is Ierland zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 260, lid 1, VWEU niet nagekomen.
– Indien de niet-nakoming nog steeds voortduurt op de dag van de uitspraak van het onderhavige arrest, wordt Ierland veroordeeld tot betaling aan de Europese Commissie op de rekening ‚Eigen middelen van de Europese Unie’ van een dwangsom van 10 000 EUR per dag vertraging in de uitvoering van de maatregelen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan het arrest van 3 juli 2008, Commissie/Ierland (C‑215/06, EU:C:2008:3807), te rekenen vanaf de datum van de uitspraak van het onderhavige arrest tot de volledige uitvoering van het arrest van 3 juli 2008, Commissie/Ierland (C‑215/06, EU:C:2008:3807).
– Ierland wordt veroordeeld om aan de Europese Commissie op de rekening ‚Eigen middelen van de Europese Unie’ een forfaitaire som van 1 000 EUR te betalen voor elke dag die is verstreken tussen de datum van de uitspraak van het arrest van 3 juli 2008, Commissie/Ierland (C‑215/06, EU:C:2008:3807), en de datum van de uitvoering van dit arrest of, indien daaraan geen uitvoering is gegeven, de datum van het arrest dat in de onderhavige zaak wordt gewezen.
– Ierland wordt verwezen in de kosten.”
1 Oorspronkelijke taal: Italiaans.
2 Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985, L 175, blz. 40). Deze richtlijn is met ingang van 16 februari 2012 vervangen door richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (codificatie) (PB 2012, L 26, blz. 1).
3 Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1997, L 73, blz. 5).
4 Zie section 50 van de Planning and Development Act 2000. Ierland merkt op dat een verlenging van deze termijnen mogelijk is, doch onder voorwaarden die niet op de onderhavige zaak van toepassing zijn.
5 In die zin dat de twee soorten niet-nakoming los van elkaar staan, zie arrest van 5 juli 2007, Commissie/Italië (C‑255/05, EU:C:2007:406, punten 50 en 51). Meer in het algemeen merk ik op dat het Hof meermaals niet-nakomingen wegens inbreuk op bepalingen van richtlijn 85/337 heeft vastgesteld ten aanzien van afzonderlijke projecten, zowel in losstaande gevallen als bij de constatering van een systematische niet-nakoming, zie in deze zin bijvoorbeeld arresten van 10 juni 2004, Commissie/Italië (C‑87/02, EU:C:2004:363); 2 juni 2005, Commissie/Italië (C‑83/03, EU:C:2005:339); 16 maart 2006, Commissie/Spanje (C‑332/04, niet gepubliceerd, EU:C:2006:180); 23 november 2006, Commissie/Italië (C‑486/04, EU:C:2006:732); 5 juli 2007, Commissie/Italië (C‑255/05, EU:C:2007:406); 24 november 2011, Commissie/Spanje (C‑404/09, EU:C:2011:768), en 14 januari 2016, Commissie/Bulgarije (C‑141/14, EU:C:2016:8, met betrekking tot richtlijn 2011/92).
6 Zie artikel 2, lid 1, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, en de overwegingen 1, 4 en 6; zie ook arrest van 28 februari 2008, Abraham e.a. (C‑2/07, EU:C:2008:133, punt 42).
7 Zie overweging 6 van richtlijn 85/337, volgens welke „voor openbare en particuliere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben alleen een vergunning dient te worden verleend na een voorafgaande beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten die deze projecten kunnen hebben”.
8 Zie inzonderheid overweging 1 van richtlijn 85/337.
9 Zie punt 58 van het arrest Commissie/Ierland. Zie ook arrest van 26 juli 2017, Comune di Corridonia e.a. (C‑196/16 en C‑197/16, EU:C:2017:589, punt 33).
10 Zie inzonderheid artikel 5, lid 3, tweede streepje, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, op grond waarvan de opdrachtgever onder andere een beschrijving dient te verstrekken van de beoogde maatregelen om „aanzienlijke nadelige effecten [van het project] te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen”, en artikel 9, lid 1, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35, dat bepaalt dat de bevoegde autoriteiten „eventuele voorwaarden die [...] zijn verbonden” aan de beslissing over het verlenen of weigeren van een vergunning, alsmede „indien nodig, een beschrijving van de voornaamste maatregelen om aanzienlijke schadelijke effecten te voorkomen, te beperken en zo mogelijk te verhelpen” ter beschikking van het publiek stellen.
11 Zie in deze zin arresten van 24 oktober 1996, C‑72/95, Kraaijeveld e.a., ‑EU:C:2008:133, punt 31, en 16 september 1999, C‑435/97, WWF e.a., ‑EU:C:1999:418, punt 40.
12 Zie arrest van 28 februari 2008, Abraham e.a. (C‑2/07, EU:C:2008:133, punt 43).
13 Zie arrest van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punten 64 en 65), ook aangehaald in punt 59 van het arrest Commissie/Ierland. Zie eveneens arrest van 26 juli 2017, Comune di Corridonia e.a. (C‑196/16 en C‑197/16, EU:C:2017:589, punt 35) en, naar analogie, met betrekking tot richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197, blz. 30), arrest van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (C‑41/11, EU:C:2012:103, punten 42, 43 en 46).
14 Zie arresten van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12), en 26 juli 2017, Comune di Corridonia e.a. (C‑196/16 en C‑197/16, EU:C:2017:589), waarin de prejudiciële vraag specifiek betrekking had op de te treffen maatregelen indien na de verwezenlijking van het project van een installatie geen milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd (zie punt 27 van het arrest voor de exacte bewoordingen van de prejudiciële vraag). In dit laatste arrest heeft het Hof overigens in punt 41 gepreciseerd dat een „beoordeling die na de bouw en de ingebruikneming van een installatie wordt uitgevoerd niet beperkt [mag] blijven tot de toekomstige milieueffecten van die installatie, maar [...] ook de milieueffecten die zich sinds de verwezenlijking ervan hebben voorgedaan in aanmerking [dient] te nemen” Zie eveneens arrest van 28 februari 2018, Comune di Castelbellino (C‑117/17, EU:C:2018:129, punt 30).
15 Zie arresten van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 65), en 26 juli 2017, Comune di Corridonia e.a. (C‑196/16 en C‑197/16, EU:C:2017:589, punt 35).
16 Zie arrest van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 69). Zie naar analogie ook arrest van 28 februari 2012, Inter-Environnement Wallonie en Terre wallonne (C‑41/11, EU:C:2012:103, punten 45 en 46).
17 De betrokken vergunning was in 1947 verleend.
18 Zie arrest van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 65).
19 Zie onder andere arresten van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882, punt 40), en, recentelijk, 5 maart 2019, Eesti Pagar (C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 137, over de mogelijkheid om onrechtmatig verleende steun terug te vorderen).
20 Zie de punten 41 en 42 van het arrest van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882). In die zaak betrof het een termijn van drie jaar, die in de Oostenrijkse regeling was vastgesteld.
21 Arrest van 7 november 2018 in de zaak An Taise- The National Trust for Ireland v‑McTigue Quarries Ltd & ors., punten 31 en 74. In dit arrest gaat de Supreme Court met name in op de ontstaansgeschiedenis van section 177B, en benadrukt dit gerecht dat deze bepaling is ingevoerd met het doel uitvoering te geven aan het arrest Commissie/Ierland (zie punt 31).
22 Brief van 21 december 2012 van de Ierse autoriteiten aan de Commissie.
23 Zie section 177K, lid 1, PDAA.
24 Arrest van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882, punt 43).
25 Zie in deze zin, met betrekking tot gevallen waarin voor de materiële werken of ingrepen die aan dit project verbonden zijn een latere vergunning nodig zou zijn, arresten van 17 november 2016, Stadt Wiener Neustadt (C‑348/15, EU:C:2016:882, punt 44), en 17 maart 2011, Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a. (C‑275/09, EU:C:2011:154, punt 37).
26 Zie in dit verband arrest van 14 juni 2007, Medipac – Kazantzidis (C‑6/05, EU:C:2007:337, punt 43).
27 Section 177D, lid 7, onder b), PDAA bepaalt dat indien het verzoek om toepassing van de vervangingsprocedure als bedoeld in section 177C van deze wet wordt toegewezen, de aanvraag van een vervangende vergunning moet worden vergezeld van een corrigerende beoordeling van de milieueffecten.
28 SEC(2005) 1658. De bedragen in de mededeling van 2005 zijn geactualiseerd bij de mededeling van 15 december 2017 [C(2017)8720] (hierna: „mededeling van 2017”).
29 Zie arrest van 22 juni 2016, Commissie/Portugal (C‑557/14, EU:C:2016:471, punt 66).
30 Zie onder andere arresten Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 87), en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 47).
31 Zie onder andere arresten Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 95) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 52).
32 Zie onder andere arresten Commissie/België (C‑533/11, EU:C:2013:659, punt 69), Commissie/Italië (C‑196/13, EU:C:2014:2407, punt 97) en Commissie/Griekenland (C‑167/14, EU:C:2015:684, punt 54).
33 De Commissie verwijst naar de arresten C‑392/96, C‑427/07, C‑50/09 en C‑66/06.
34 Zie met name arrest van 25 juni 2014, Commissie/Portugal (C‑76/13, EU:C:2014:2029, punt 57).
35 Dit is het minimumbedrag dat in de mededeling van 2017 voor Ierland is vastgesteld.