Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 23 mei 2019 (1)
Zaak C‑270/18
UPM France
tegen
Premier ministre,
Ministre de l’Action et des Comptes publics
[verzoek van de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Belasting van energieproducten en elektriciteit – Richtlijn 2003/96/EG – Vrijstelling voor kleine elektriciteitsproducenten mits zij worden belast op de opgewekte elektriciteit – Ontbreken, tijdens de toegekende overgangsperiode, van een binnenlandse belasting op het eindverbruik van elektriciteit”
1. Bij richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de [Unieregeling] voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (hierna: „richtlijn 2003/96” of „richtlijn”)(2) werd aan Frankrijk een bijzondere overgangsperiode toegekend om de nodige aanpassingen aan de bestaande regelingen door te voeren. Met zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenst de verwijzende rechter te vernemen wat de respectieve rechten en plichten van de belastingplichtige entiteiten en de lidstaat waren tijdens die periode.
2. UPM France voert met name aan dat zij op grond van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96 recht heeft op teruggave van de belasting die zij heeft betaald over haar verbruik van aardgas in een warmte-krachtkoppelingsinstallatie, waarbij de in dat proces opgewekte elektriciteit voor eigen gebruik werd ingezet in een ander productieproces. Tot dusver is UPM France voor de nationale rechters nog niet in het gelijk gesteld. De Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) heeft nu als rechter in hoogste aanleg het Hof verzocht om ondersteuning bij de uitlegging van artikel 14, lid 1, onder a), en artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3. De voornaamste doelstelling van richtlijn 2003/96 is beschreven in overweging 3, waarin staat dat „[het] [v]oor de goede werking van de interne markt en de verwezenlijking van de doelstellingen van het [...] beleid [van de Unie] in andere sectoren [...] nodig [is] dat op [Unieniveau] minimumbelastingniveaus worden vastgesteld voor de meeste energieproducten, met inbegrip van elektriciteit, aardgas en kolen”.
4. Die minimumbelastingniveaus worden besproken in overweging 10, volgens welke „[d]e lidstaten [...] verschillende soorten belastingen op energieproducten en elektriciteit [willen] invoeren of handhaven. Daartoe moet het de lidstaten toegestaan zijn om voor de naleving van de [Unierechtelijke] minimumbelastingniveaus alle door hen geheven indirecte belastingen (de btw uitgezonderd) samen te tellen.”
5. Vrijstellingen komen aan bod in overweging 24, waarin staat dat „[h]et [...] de lidstaten toegestaan [moet] zijn binnen hun grondgebied bepaalde andere vrijstellingen of verlagingen toe te passen, mits dit de goede werking van de interne markt niet schaadt en niet tot concurrentieverstoringen leidt”.
6. In overweging 25 heet het verder dat „[m]eer bepaald [...] warmte-krachtkoppeling en – met het oog op de bevordering van het gebruik van alternatieve energiebronnen – energie uit hernieuwbare bronnen in aanmerking [kunnen] komen voor een bevoorrechte behandeling”.
7. In overweging 30 wordt toegelicht dat „de lidstaten [wellicht] overgangsperioden en -regelingen nodig [hebben] om zich soepel te kunnen aanpassen aan de nieuwe communautaire belastingniveaus en daardoor negatieve neveneffecten te vermijden”.
8. In overweging 33 wordt vervolgens verwezen naar de toepassing van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop(3), en vermeld dat „[d]e werkingssfeer van richtlijn 92/12/EEG [...] waar passend [moet] worden uitgebreid tot de producten en indirecte belastingen die onder deze richtlijn vallen”.
9. Artikel 1 van de richtlijn bepaalt dat „[d]e lidstaten [...] belasting op energieproducten en elektriciteit [heffen] overeenkomstig deze richtlijn”.
10. In artikel 2, lid 1, worden „energieproducten” gedefinieerd aan de hand van de GN-codes die zijn vastgesteld in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad.(4) Artikel 2, lid 2, definieert „elektriciteit” in de zin van richtlijn 2003/96 onder verwijzing naar een andere GN-code. Bijgevolg zijn „energieproducten” en „elektriciteit” in de richtlijn als afzonderlijke begrippen opgevat.
11. Artikel 14, lid 1, onder a), eerste zin, voorziet in een verplichte vrijstelling van het bepaalde in artikel 1: „Naast de algemene bepalingen van richtlijn 92/12/EEG inzake vrijgesteld gebruik van belastbare producten, en onverminderd andere [Unierechtelijke] bepalingen, verlenen de lidstaten voor onderstaande producten vrijstelling van belasting, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen: a) energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren.”
12. In artikel 14, lid 1, onder a), tweede en derde zin, wordt vervolgens voorzien in een mogelijke afwijking van die vrijstelling: „De lidstaten kunnen deze producten echter uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus. In dat geval wordt de op deze producten geheven belasting niet in aanmerking genomen voor de inachtneming van het minimumbelastingniveau voor elektriciteit zoals vastgesteld in artikel 10.”
13. Artikel 15, lid 1, onder c) en d), voorziet in verdere mogelijke vrijstellingen voor warmte-krachtkoppeling: „Onverminderd andere [Unierechtelijke] bepalingen, kunnen de lidstaten onder fiscaal toezicht gehele of gedeeltelijke belastingvrijstellingen of -verlagingen toepassen op: [...] c) energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor warmte-krachtkoppeling; d) elektriciteit, opgewekt uit warmte-krachtkoppeling, op voorwaarde dat de installaties voor warmte-krachtkoppeling milieuvriendelijk zijn. [...]”
14. In artikel 18 zijn voor een aantal lidstaten specifieke overgangsregelingen vastgesteld. Artikel 18, lid 10, bevat de bijzondere regeling voor Frankrijk. In de tweede alinea ervan is bepaald dat „[d]e Franse Republiek [...] tot 1 januari 2009 een overgangsperiode [mag] toepassen om haar huidige stelsel voor de belasting van elektriciteit aan de bepalingen van deze richtlijn aan te passen. Gedurende deze periode wordt het algemene gemiddelde van het huidige plaatselijke belastingniveau voor elektriciteit in aanmerking genomen ter beoordeling van het naleven van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus.”(5)
15. Artikel 21, lid 5, derde alinea, verwijst expliciet naar artikel 14, lid 1, onder a), en voorziet in nóg een mogelijke vrijstelling: „Een entiteit die voor eigen gebruik elektriciteit produceert, wordt beschouwd als distributeur. Niettegenstaande artikel 14, lid 1, punt a), kunnen de lidstaten kleine elektriciteitsproducenten vrijstelling verlenen mits zij belasting heffen op de voor de productie van die elektriciteit gebruikte energieproducten.”
16. Artikel 28, lid 1, bepaalt dat „[d]e lidstaten [...] vóór 31 december 2003 de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen [dienen] vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.”
Nationaal recht
Aardgasbelasting
17. De voor deze prejudiciële verwijzing relevante periode loopt van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006.(6) Tijdens die periode bepaalde artikel 266 quinquies van de Franse code des douanes (hierna: „douanewetboek”)(7) dat aardgas onderworpen was aan de taxe intérieure de consommation sur le gaz naturel (binnenlandse belasting op het verbruik van aardgas; hierna: „TICGN”).
18. Artikel 266 quinquies A van het douanewetboek bepaalde echter dat warmte-krachtkoppelingsinstallaties die uiterlijk op 31 december 2005 in gebruik werden genomen, voor een periode van vijf jaar werden vrijgesteld van de TICGN, te rekenen vanaf de datum van ingebruikname.
19. Nadien werd artikel 266 quinquies in die zin gewijzigd(8) dat (in artikel 266 quinquies C) werd voorzien in een blijvende vrijstelling van de TICGN (vanaf 1 januari 2006) voor elektriciteitsopwekking, die echter niet gold voor onder artikel 266 quinquies A vallende installaties.
20. Artikel 266 quinquies werd vervolgens nogmaals gewijzigd(9), met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006, zodat (in artikel 266 quinquies A) werd bepaald dat producenten afstand konden doen van hun recht op vrijstelling ex artikel 266 quinquies A (en aldus het voordeel konden genieten van artikel 266 quinquies C), voor zover zij geen begunstigde partij waren bij een elektriciteitsovereenkomst voor de modernisering en ontwikkeling van de openbare elektriciteitsvoorziening.(10)
21. Tegelijk werd artikel 266 quinquies A aldus gewijzigd dat de erin vervatte vrijstelling van vijf jaar van toepassing was op installaties die uiterlijk op 31 januari 2007 in gebruik werden genomen.
22. Partijen lijken het erover eens te zijn dat afstand van de vrijstelling ex artikel 266 quinquies A niet meer mogelijk was zodra de vijfjarige periode, die inging op het moment waarop de installatie in gebruik werd genomen, was verstreken, ongeacht of daadwerkelijk een vrijstelling was verkregen op grond van deze bepaling.
23. Volledigheidshalve merk ik op dat afstand van de vrijstelling ex artikel 266 quinquies A pas na de voor deze zaak relevante periode – namelijk in 2011 – werd geschrapt als voorwaarde om de vrijstelling ex artikel 266 quinquies C te kunnen genieten.(11)
Elektriciteitsbelasting
24. Tijdens de betrokken periode werd in Frankrijk geen nationale elektriciteitsbelasting geheven. Het elektriciteitsverbruik was enkel onderworpen aan de contribution au service public de l’électricité (bijdrage voor de openbare dienst van elektriciteitsvoorziening, doorgaans „CSPE” genoemd), een heffing van fiscale aard.(12)
25. De verwijzende rechter heeft erop gewezen dat entiteiten die elektriciteit opwekten naast de CSPE ook lokale belastingen moesten betalen, maar dat die belastingen enkel werden geheven op elektriciteit die aan eindverbruikers werd geleverd, niet op elektriciteit voor eigen gebruik (zoals in de onderhavige zaak het geval is).
26. Volledigheidshalve merk ik op dat pas na de voor deze zaak relevante periode – namelijk in 2010 – een wet is vastgesteld om de elektriciteitsmarkt te hervormen (met ingang van 1 januari 2011) in overeenstemming met richtlijn 2003/96.(13) Met die wet is een nationale belasting op het eindverbruik van elektriciteit ingevoerd. Bij die wet is ook artikel 266 quinquies C aldus gewijzigd dat een vrijstelling werd ingevoerd voor kleine elektriciteitsproducenten, dat wil zeggen producenten die minder dan 240 miljoen kilowattuur per productielocatie opwekken.
Feiten, procedure en prejudiciële vragen
27. Ten behoeve van haar papierproductie exploiteert UPM France een warmte-krachtkoppelingsinstallatie met aardgas als brandstof. De elektriciteit die daarbij wordt opgewekt, wordt gebruikt in een verder proces waarbij warmte wordt geproduceerd.
28. Over het aardgas dat tijdens de betrokken periode (2004‑2006) aan UPM France werd geleverd, werd TICGN geheven overeenkomstig artikel 266 quinquies van het Franse douanewetboek.(14)
29. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de installatie van UPM France te vroeg in gebruik was genomen om in aanmerking te komen voor de in artikel 266 quinquies A bedoelde vrijstelling van vijf jaar, maar dat zij voor het overige aan de voorwaarden voor die vrijstelling voldeed. Aangezien de periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de installatie in gebruik werd genomen, was verstreken, kon UPM France geen afstand doen van haar (vermeende) recht op vrijstelling op grond van artikel 266 quinquies A. Bijgevolg kon zij niet profiteren van de blijvende vrijstelling op grond van artikel 266 quinquies C.(15)
30. UPM France was op basis van artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96 van mening dat zij had moeten zijn vrijgesteld van de TICGN voor het aandeel van het gas dat zij had verbruikt voor de opwekking van elektriciteit die in haar eigen verdere productieprocessen werd aangewend. Bijgevolg stelde zij bij de tribunal administratif de Cergy-Pontoise (bestuursrechter in eerste aanleg Cergy-Pontoise, Frankrijk) een vordering in strekkende tot terugbetaling van een bedrag van 2 962 224,08 EUR, vermeerderd met de wettelijke rente en de kapitalisatie ervan, als een gedeeltelijke vergoeding voor de TICGN die zij van 1 januari 2004 tot en met 31 maart 2008 had betaald en voor de schade die zij zou hebben geleden als gevolg van de vertraging waarmee de Franse Republiek richtlijn 2003/96 heeft omgezet.
31. Bij vonnis van 17 juli 2013 oordeelde de tribunal administratif de Cergy-Pontoise dat het beroep met betrekking tot een bedrag van 137 931 EUR, voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2008, zonder voorwerp was geraakt, en dat de vordering voor het overige, met betrekking tot de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006, moest worden afgewezen. Deze laatste periode is aan de orde in de verdere procedure die tot deze prejudiciële verwijzing heeft geleid.(16)
32. Bij uitspraak van 15 maart 2016 verwierp de cour administrative d’appel de Versailles (bestuursrechter in tweede aanleg Versailles, Frankrijk) het hoger beroep van UPM France tegen dat vonnis op grond dat de TICGN niet kon worden uitgesplitst naargelang het aardgas in kwestie was gebruikt om elektriciteit dan wel warmte op te wekken, en dat een eventuele vrijstelling uitsluitend door artikel 15 van richtlijn 2003/96 werd geregeld.
33. Daarop stelde UPM France op 17 mei 2016 hogere voorziening in bij de verwijzende rechter. De onderneming verzocht die rechter erom de uitspraak van de cour administrative d’appel de Versailles te vernietigen en de Staat bijkomend te veroordelen tot betaling van een bedrag van 5 000 EUR krachtens artikel L‑761‑1 van de code de justice administrative (wetboek van bestuursprocesrecht)(17) betreffende de verdeling van de proceskosten.
34. Daarnaast verzocht UPM France de Conseil d’État subsidiair zich tot het Hof te wenden met een verzoek om een prejudiciële beslissing of (meer subsidiair) de hogere voorziening te voegen met een reeds bij de verwijzende rechter aanhangige hogere voorziening waarvoor een prejudiciële verwijzing was ingediend (de zaak Cristal Union)(18), zodat aan het Hof aanvullende vragen konden worden gesteld en UPM France de mogelijkheid zou hebben opmerkingen in te dienen.
35. Op 7 maart 2018 deed het Hof uitspraak in de zaak Cristal Union. Het oordeelde dat „de in [artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96] opgenomen verplichte vrijstelling van toepassing is op energieproducten die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit indien deze producten worden gebruikt voor warmte-krachtkoppeling in de zin van artikel 15, lid 1, onder c), van deze richtlijn.”(19)
36. Ondanks dat arrest was de verwijzende rechter van mening dat er nog steeds vragen onbeantwoord bleven in verband met de correcte uitlegging van richtlijn 2003/96. Volgens hem had de cour administrative d’appel de Versailles blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te verklaren dat de belasting op het aardgas dat UPM France had gebruikt voor warmte-krachtkoppeling uitsluitend werd geregeld door artikel 15 van richtlijn 2003/96. De verwijzende rechter heeft derhalve de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96 aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling die de lidstaten ingevolge deze bepaling aan kleine elektriciteitsproducenten kunnen verlenen, mits zij belasting heffen op de voor de productie van die elektriciteit gebruikte energieproducten, het gevolg kan zijn van een situatie als die welke in punt 7 van de onderhavige beslissing is beschreven voor de periode vóór 1 januari 2011, waarin Frankrijk, zoals toegestaan door de richtlijn, nog geen binnenlandse belasting op het eindverbruik van elektriciteit, en dientengevolge ook nog geen vrijstelling van die belasting ten gunste van kleine producenten had ingevoerd?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moeten dan artikel 14, lid 1, onder a), en artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96 worden gecombineerd ten aanzien van kleine producenten die de door hen geproduceerde elektriciteit voor hun activiteit verbruiken? Hebben deze artikelen meer in het bijzonder tot gevolg dat een minimumbelasting wordt geheven die voortvloeit i) uit de belastingheffing op elektriciteit die is geproduceerd met vrijstelling van het gebruikte aardgas, of ii) uit een vrijstelling van de belasting op de elektriciteitsproductie, in welk geval de staat verplicht is het gebruikte aardgas te belasten?”
37. UPM France, de Franse Republiek, het Koninkrijk Spanje en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en hun standpunten ter terechtzitting van 14 maart 2019 mondeling toegelicht.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
38. De Franse regering stelt dat de prejudiciële vragen niet ontvankelijk zijn. Artikel 18, lid 10, tweede alinea, van richtlijn 2003/96 bepaalt dat Frankrijk tijdens de betrokken periode, namelijk van 2004 tot en met 2006 (in feite tot 1 januari 2009), een overgangsperiode mocht toepassen om haar toenmalige wetgeving aan te passen. Daarover verklaarde het Hof in de zaak Messer France dat „de naleving van de in deze richtlijn neergelegde minimumbelastingniveaus tot 1 januari 2009 de enige van de Unierechtelijke regels inzake de belasting van elektriciteit was die de Franse Republiek gehouden was na te komen”.(20)
39. Hoewel ik begrip heb voor het standpunt van de Franse regering, wijs ik erop dat de ontvankelijkheidskwestie niet is besproken in de voorgaande arresten (Messer France en Cristal Union)(21), waarin vragen van dezelfde verwijzende rechter over richtlijn 2003/96 zijn beantwoord.
40. Bovendien volgt uit de vaste rechtspraak van het Hof dat het uitsluitend aan de nationale rechter staat om de relevantie te beoordelen van de vragen die hij aan het Hof voorlegt en dat het Hof slechts mag weigeren uitspraak te doen over vragen wanneer duidelijk blijkt dat zij geen enkel verband houden met de nationale zaak.(22)
41. Derhalve zal ik eerst bekijken of Frankrijk tijdens de overgangsperiode op grond van de richtlijn onderworpen was aan verplichtingen die een voldoende grondslag kunnen vormen om de voorlegging van de prejudiciële vragen te rechtvaardigen.(23)
Overgangsperiode
42. De in artikel 28, lid 1, vastgestelde termijn voor uitvoering van de richtlijn is op 31 december 2003 verstreken. Tot op die datum dienden de lidstaten „zich tijdens de in de richtlijn vastgestelde omzettingstermijn [...] [enkel] te onthouden van de vaststelling van bepalingen die de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in het gedrang zouden brengen”.(24)
43. Het feit dat Frankrijk de richtlijn niet volledig had uitgevoerd vóór het einde van de bij artikel 18, lid 10, van de richtlijn toegekende specifieke overgangsperiode (die op 1 januari 2009 is verstreken, dat wil zeggen na de voor deze zaak relevante periode)(25), is evenmin relevant.
44. Men zou kunnen betogen dat de verplichtingen van een lidstaat tijdens een overgangsperiode dezelfde horen te zijn als die tijdens een uitvoeringsperiode en dat Frankrijk zich bijgevolg diende te onthouden van de vaststelling van bepalingen die de verwezenlijking van het door de richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in het gedrang zouden brengen.(26)
45. In deze zaak gaat het er echter niet om of Frankrijk in de overgangsperiode bepalingen heeft vastgesteld die de volledige uitvoering van de richtlijn in het gedrang konden brengen, maar of Frankrijk tijdens die periode haar verplichtingen op grond van de richtlijn niet is nagekomen.
46. Ter terechtzitting verklaarde de Commissie dat Frankrijk, ondanks dat op grond van artikel 18, lid 10, tweede alinea, van richtlijn 2003/96 een bijzondere overgangsperiode aan deze lidstaat was toegekend, nog steeds het structureel evenwicht van richtlijn 2003/96 moest eerbiedigen, waarbij de elektriciteitsopwekking ofwel aan de inputzijde ofwel aan de outputzijde moest worden belast. Frankrijk was er derhalve toe gehouden zekere bepalingen van de richtlijn te eerbiedigen om te garanderen dat enerzijds de minimumbelastingniveaus werden gehandhaafd, en anderzijds het verbod op belasting van energieproducten op grond van artikel 14, lid 1, onder a), werd nageleefd.
47. De Commissie betoogde dat die benadering was bevestigd door het arrest Cristal Union, waarin het Hof de artikelen 14 en 15 van de richtlijn heeft uitgelegd voor de periode die overigens onder de overgangsregeling voor Frankrijk viel.(27) In dit verband merk ik op dat het Hof in de zaak Flughafen Köln/Bonn(28) heeft verklaard dat artikel 14, lid 1, onder a), „rechtstreekse werking heeft in die zin dat een particulier zich er voor de nationale rechter [...] rechtstreeks op kan beroepen”.
48. Mijns inziens wordt de benadering van de Commissie echter niet gestaafd door de tekst van de richtlijn.
49. Het klopt dat een omvattend stelsel van belastingen die ofwel op de input ofwel op de output moeten worden geheven in veel opzichten een logische benadering zou vormen voor de belasting op energieproducten en elektriciteit. De Commissie heeft echter geen materiële bepaling in de richtlijn aangewezen waarin deze benadering als een fundamenteel beginsel is neergelegd.
50. Bijgevolg kunnen volgens mij uit het structureel evenwicht van de richtlijn geen aanvullende verplichtingen voor de lidstaten worden afgeleid die ook tijdens een uitvoerings- of overgangsperiode zouden gelden.
51. Integendeel, hoewel richtlijn 2003/96 de belasting van zowel energieproducten als elektriciteit betreft, voorziet artikel 18, lid 10, tweede alinea, volgens de bewoordingen ervan gewoon in een overgangsperiode waarin Frankrijk zijn huidige stelsel voor de belasting van elektriciteit mag behouden. Ter terechtzitting betoogde de Franse regering dat de verwijzing naar een „stelsel” zo moet worden gelezen dat het zowel ziet op de belasting van de opgewekte elektriciteit (output) als op de belasting van energieproducten en elektriciteit die voor elektriciteitsopwekking worden gebruikt (input).
52. Ondanks die verwijzing naar een „stelsel” bepaalt artikel 18, lid 10, tweede alinea, ook specifiek dat gedurende de overgangsperiode „het algemene gemiddelde van het huidige plaatselijke belastingniveau voor elektriciteit in aanmerking [wordt] genomen ter beoordeling van het naleven van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus” (cursivering van mij). De verwijzende rechter heeft toegelicht(29) dat tijdens de betrokken periode de plaatselijke elektriciteitsbelasting enkel gold voor elektriciteit die als output aan eindverbruikers werd geleverd. Voor eigen gebruik opgewekte elektriciteit was van die belasting vrijgesteld.
53. Bijgevolg lijkt het duidelijk dat artikel 18, lid 10, tweede alinea, aldus moet worden opgevat dat deze bepaling enkel verwijst naar de belasting van elektriciteit als output en niet naar de belasting van energieproducten en elektriciteit die als input worden gebruikt. Ook de voorbereidende werkzaamheden voor richtlijn 2003/96(30) bieden geen steun voor het argument van Frankrijk dat de werkingssfeer van artikel 18, lid 10, tweede alinea, zowel de input- als de outputbelasting omvat.
54. In dergelijke omstandigheden moet het Hof zijn vast uitleggingsbeginsel toepassen, volgens hetwelk elke bepaling die „een uitzondering op de algemene regel bevat, restrictief [moet] worden uitgelegd”.(31)
55. Richtlijn 2003/96 heeft verschillende lagen. Artikel 1 legt de belasting op energieproducten en elektriciteit op. Vervolgens voorziet artikel 14, lid 1, onder a), in een verplichte vrijstelling van die belasting voor energieproducten en elektriciteit die als input worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit.(32)
56. Artikel 14, lid 1, onder a), zelf en artikel 21, lid 5, derde alinea, bevatten daarnaast mogelijke afwijkingen van die verplichte vrijstelling. Daarover gaan de prejudiciële vragen.
57. Binnen deze meerlagige regeling moet de verplichte vrijstelling van artikel 14, lid 1, onder a), (als vrijstelling) volgens mij restrictief worden uitgelegd. Tegelijk moet zij echter als de algemene regel worden beschouwd ten opzichte van de verdere bepalingen die in de mogelijkheid voorzien om van die verplichte vrijstelling af te wijken. In die logica moet de overgangsregeling van artikel 18, lid 10, tweede alinea, in beginsel worden gezien als een uitzondering op de algemene regels van de richtlijn [die dus zowel artikel 1 als de verplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a), omvatten]. Zij moet derhalve restrictief worden uitgelegd.
58. In dat licht merk ik op dat artikel 18, lid 10, tweede alinea, Frankrijk een overgangsperiode toekende waarin een vrijstelling gold voor de bestaande elektriciteitsbelasting en dat die bepaling tevens een expliciete verwijzing bevatte naar de plaatselijke elektriciteitsbelasting in die lidstaat, die tijdens de betrokken periode een outputbelasting was. Daaruit volgt dat artikel 18, lid 10, tijdens de overgangsperiode geen vrijstelling toekende van het verbod, in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), op inputbelasting op energieproducten en elektriciteit die voor de opwekking van elektriciteit werden gebruikt.
59. De overgangsperiode waarin artikel 18, lid 10, tweede alinea, voorziet, heeft dus niet tot doel een inputbelasting op energieproducten, zoals de TICGN in deze zaak, te beschermen.
60. Die lezing stemt overeen met het oordeel van het Hof in de zaak Messer France, namelijk dat de naleving van de in richtlijn 2003/96 neergelegde minimumbelastingniveaus „de enige van de Unierechtelijke regels inzake de belasting van elektriciteit was die de Franse Republiek gehouden was na te komen”.(33)
61. Men zou kunnen opperen dat het niet consistent zou zijn om Frankrijk wel een overgangsperiode toe te kennen voor de belasting van elektriciteit als output, maar niet voor de belasting op energieproducten en elektriciteit als input voor de opwekking van elektriciteit.
62. Wanneer de toepassing van een restrictieve uitlegging ertoe leidt dat een overgangsregeling onvolkomen lijkt te zijn, moet volgens mij het risico van een dergelijke uitkomst echter voor de partij blijven die van de overgangsregeling moest profiteren. Dit moet in het bijzonder gelden wanneer de restrictieve uitlegging tot doel heeft grondbeginselen van het Unierecht te ondersteunen.
63. Richtlijn 2003/96 beoogt volgens overweging 2 ervan de „goede werking van de interne markt” te ondersteunen. Dat doel wordt niet bereikt indien één lidstaat toestemming zou krijgen om energieproducten en elektriciteit te belasten die voor de opwekking van elektriciteit worden gebruikt, terwijl voor andere lidstaten een dergelijke belasting verboden zou zijn. Bijgevolg zou elke vrijstelling van dat verbod expliciet moeten zijn vermeld in de overgangsregeling.
64. In de zaak KappAhl(34) heeft het Hof zich gebogen over een overgangsregeling die voor Finland in het kader van zijn toetreding gold met betrekking tot douanerechten die op producten uit derde landen moesten worden geheven, waardoor Finland hogere douanetarieven kon opleggen dan die opgenomen in het douanewetboek van de Unie. De Finse regering betoogde dat zij daarom ook het verschil in douanetarieven voor producten uit derde landen moest kunnen opleggen wanneer deze via andere lidstaten van de Unie in Finland werden geïmporteerd, omdat de overgangsregeling anders openlijk kon worden omzeild.
65. De tekst van de overgangsregeling in kwestie gaf echter niet aan dat zij op de handel tussen de lidstaten kon worden toegepast. Het Hof oordeelde dat „[w]egens het belang van het beginsel van vrij verkeer van goederen tussen lidstaten [...] een – zij het tijdelijke – afwijking duidelijk en ondubbelzinnig [moet] zijn toegestaan”.(35)
66. In de onderhavige zaak bevat de afwijking die is opgenomen in de overgangsregeling van artikel 18, lid 10, tweede alinea, enkel een „duidelijke en ondubbelzinnige” verwijzing naar „belasting van elektriciteit”. Het gebruik van energieproducten en elektriciteit voor de opwekking van elektriciteit wordt niet vermeld.
67. Op basis daarvan ben ik van oordeel dat Frankrijk tijdens de in artikel 18, lid 10, tweede alinea, bepaalde overgangsperiode gebonden bleef aan de bepalingen van richtlijn 2003/96 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit. Bijgevolg moeten de prejudiciële vragen [die betrekking hebben op de uitlegging van artikel 14, lid 1, onder a), en artikel 21, lid 5, derde alinea] worden beantwoord.
Eerste vraag
68. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96 van toepassing is tijdens de overgangsperiode waarin artikel 18, lid 10, tweede alinea, voorziet, zodat Frankrijk – in weerwil van de bij artikel 14, lid 1, onder a), voorgeschreven verplichte vrijstelling – de energieproducten die kleine producenten gebruiken voor de opwekking van elektriciteit mag belasten in het geval dat die producenten geen belasting moeten betalen op de elektriciteit die zij opwekken.
69. Uit de normatieve achtergrond blijkt duidelijk dat in de periode van 2004 tot en met 2006 entiteiten die elektriciteit opwekten voor eigen gebruik de CSPE moesten betalen als een fiscale bijdrage voor de openbare elektriciteitsvoorziening. De plaatselijke elektriciteitsbelasting gold enkel voor de levering van elektriciteit aan eindverbruikers, niet voor de opwekking van elektriciteit voor eigen gebruik.(36)
70. Het is ook duidelijk dat in Frankrijk een nationale elektriciteitsbelasting eerst is ingevoerd met ingang van 1 januari 2011 – twee jaar nadat de overgangsperiode van artikel 18, lid 10, tweede alinea, was verstreken.(37)
71. De vraag kan derhalve als volgt worden geherformuleerd: zijn de omstandigheden dat i) er tijdens de betrokken periode geen nationale elektriciteitsbelasting bestond; ii) de CSPE eerder als een fiscale bijdrage dan als een belasting werd beschouwd, en iii) plaatselijke elektriciteitsbelastingen niet werden geheven over de opwekking van elektriciteit voor eigen gebruik, samen beschouwd, toereikend opdat is voldaan aan de vereisten van artikel 21, lid 5, derde alinea, van de richtlijn, waardoor Frankrijk energieproducten mag belasten die door kleine producenten worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit voor eigen gebruik?
72. Volgens mij luidt het antwoord op die vraag ontkennend.
73. Om de hierboven besproken redenen(38) moet het bij artikel 14, lid 1, onder a), opgelegde verplichte verbod op belasting van energieproducten en elektriciteit die als input voor de opwekking van elektriciteit worden gebruikt, als een algemene regel van de richtlijn worden beschouwd. Bijgevolg moet de in artikel 21, lid 5, derde alinea, bedoelde mogelijke afwijking van die verplichte vrijstelling een restrictieve uitlegging krijgen.
74. Artikel 21, lid 5, derde alinea, kan derhalve enkel worden toegepast indien het nationale recht voorziet in een dergelijke vrijstelling van belasting van de elektriciteit die door kleine producenten is opgewekt voor eigen gebruik. In dit geval is tussen 2004 en 2006 echter geen dergelijke vrijstelling aan kleine producenten toegekend. Alle producenten dienden daarentegen een fiscale bijdrage voor de openbare elektriciteitsvoorziening te betalen, en zij waren alle vrijgesteld van plaatselijke belastingen op elektriciteit die zij voor eigen gebruik opwekten.
75. In dit verband is het niet relevant of de fiscale bijdrage voor de openbare elektriciteitsvoorziening zelf als een belasting zou moeten worden aangemerkt in de zin van richtlijn 92/12, die de basis voor de indeling als belasting in de zin van richtlijn 2003/96 vormt, zoals in overweging 33 van de laatstgenoemde richtlijn is toegelicht.(39) Het blijft een feit dat de Franse regering vóór 1 januari 2011 niet had voorzien in een regeling voor vrijstelling van de opwekking van elektriciteit voor eigen gebruik door kleine producenten.(40) Bijgevolg kon artikel 21, lid 5, derde alinea, vóór die datum niet worden toegepast.
76. Bovendien kan een afwijking van een verplichte vrijstelling waarin de richtlijn voorziet enkel worden toegepast wanneer deze laatste naar behoren is uitgevoerd. Artikel 21 is vóór 2011 in Frankrijk niet ten uitvoer gebracht.(41) Ook om deze reden kon in de periode vóór 2011 dus geen gebruik worden gemaakt van de in artikel 21 vervatte afwijking.
77. In dezelfde trant heeft het Hof er in het arrest Flughafen Köln/Bonn op gewezen dat het bij artikel 14, lid 1, onder a), tweede en derde zin, slechts gaat om een mogelijke „beperking van de vrijstellingsregel [...], en [dat] een lidstaat die deze mogelijkheid niet heeft gebruikt, [...] zich niet op zijn eigen verzuim [kan] beroepen om een belastingplichtige het voordeel te weigeren van een vrijstelling waarop deze krachtens richtlijn 2003/96 rechtmatig aanspraak kan maken”.(42)
78. Derhalve geef ik het Hof in overweging de eerste vraag aldus te beantwoorden dat artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96 als een afwijking van de verplichte vrijstelling die wordt voorgeschreven bij artikel 14, lid 1, onder a), restrictief moet worden uitgelegd. Bijgevolg kan die bepaling enkel worden ingeroepen indien overeenkomstig richtlijn 92/12 een algemene belasting op elektriciteit wordt geheven en indien in het nationale recht een vrijstelling voor de opwekking van elektriciteit voor eigen gebruik door kleine producenten is vastgesteld in overeenstemming met artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96.
79. Tot slot merk ik op dat het Franse douanewetboek tijdens de betrokken periode in bepaalde mechanismen leek te voorzien om producenten vrij te stellen van betaling van de TICGN. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of die vrijstellingen voldoende zijn opdat aan de vereisten van het verbod in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), is voldaan. Niettemin merk ik op dat de vrijstellingen in het Franse douanewetboek onderworpen lijken te zijn aan termijnen die in artikel 14, lid 1, onder a), van de richtlijn niet zijn vermeld.
Tweede vraag
80. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe artikel 14, lid 1, onder a), en artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96 moeten worden uitgelegd om een normenconflict tussen die bepalingen, die van toepassing zijn op kleine producenten die de door hen opgewekte elektriciteit zelf verbruiken, te vermijden.
81. In feite omvat artikel 14, lid 1, onder a), twee afzonderlijke bepalingen. De eerste zin stelt een van de algemene (verplichte) regels van richtlijn 2003/96 vast: energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit moeten van belasting worden vrijgesteld.
82. De tweede en de derde zin bevatten een geheel andere bepaling. Samen voorzien ze uit milieuoverwegingen in een afwijking van die verplichte vrijstelling van belasting op energieproducten die als input worden gebruikt. Indien van die afwijking gebruik wordt gemaakt om belasting te heffen op als input gebruikte energieproducten, zijn de minimumbelastingniveaus niet op die belasting van toepassing en wordt die belasting niet meegerekend met het oog op de minimumbelastingniveaus die overeenkomstig richtlijn 2003/96 moeten worden behaald.
83. De uitleggingsmoeilijkheden ontstaan omdat artikel 21, lid 5, derde alinea, (over productie voor eigen gebruik door kleine producenten) is opgesteld als een mogelijke afwijking waarin enkel de algemene verwijzing „[n]iettegenstaande artikel 14, lid 1, punt a)” is opgenomen zonder dat wordt aangegeven op welke delen van artikel 14, lid 1, onder a), de afwijking betrekking heeft. Meer nauwkeurigheid en duidelijkheid bij de opstelling van de tekst zouden zeker nuttig zijn geweest.
84. Logischerwijs kan de afwijking waarin artikel 21, lid 5, derde alinea, voorziet echter enkel verwijzen naar de eerste zin van artikel 14, lid 1, onder a) (het verplichte verbod op belasting van energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit). De tweede en de derde zin van artikel 14, lid 1, onder a), bevatten een afwijking van die verplichte vrijstelling die een alternatief vormt voor de afwijking bedoeld in artikel 21, lid 5, derde alinea.
85. Noch in de bepalingen van richtlijn 2003/96 noch in de overwegingen en de voorbereidende werkzaamheden is toegelicht hoe de twee afwijkingen van de verplichte vrijstelling worden geacht zich tot elkaar te verhouden.(43)
86. Mijns inziens volgt uit de voorwaarden voor de twee afwijkingen rechtstreeks dat ze niet kunnen worden geacht te conflicteren. De uitsluiting uit milieuoverwegingen waarin artikel 14, lid 1, onder a), voorziet, kan op alle producenten worden toegepast en de daaruit voortvloeiende belastingopbrengsten vallen buiten de werkingssfeer van richtlijn 2003/96, aangezien ze niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van de minimumbelastingniveaus in de zin van de richtlijn. De vrijstelling voor kleine producenten overeenkomstig artikel 21, lid 5, geldt enkel voor productie voor eigen gebruik en de daaruit voortvloeiende belastingopbrengsten vallen binnen de werkingssfeer van de richtlijn en worden in aanmerking genomen voor de berekening van de minimumbelastingniveaus.
87. Deze lezing wordt bovendien bevestigd door het arrest in de zaak Cristal Union, waarin het Hof het volgende heeft verklaard: „Voorts zij opgemerkt dat de Uniewetgever de lidstaten de mogelijkheid heeft willen bieden om van deze regeling van verplichte vrijstelling af te wijken, en wel op uitdrukkelijke wijze in artikel 14, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2003/96, waarin is bepaald dat de lidstaten de energieproducten die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit, uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting kunnen onderwerpen, en in artikel 21, lid 5, derde alinea, van deze richtlijn, volgens hetwelk de lidstaten die de door kleine elektriciteitsproducenten geproduceerde elektriciteit vrijstellen, belasting dienen te heffen op de voor de productie van die elektriciteit gebruikte energieproducten.”(44)
88. Derhalve geef ik het Hof in overweging om de tweede vraag aldus te beantwoorden dat artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96 als een afwijking van de verplichte vrijstelling van belasting zoals bepaald in artikel 14, lid 1, onder a), eerste zin, losstaat van de afwijking van die vrijstelling die uit milieuoverwegingen in artikel 14, lid 1, onder a), tweede en derde zin, is vastgesteld. Terwijl belastingen die aan kleine producenten worden opgelegd op grond van artikel 21, lid 5, derde alinea, worden meegerekend met het oog op de minimumbelastingniveaus van richtlijn 2003/96, is dat niet het geval voor belastingen die worden geheven uit hoofde van de afwijking uit milieuoverwegingen in de zin van artikel 14, lid 1, onder a).
Conclusie
89. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Conseil d’État te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de [Unieregeling] voor de belasting van energieproducten en elektriciteit moet als een afwijking van de verplichte vrijstelling die wordt voorgeschreven bij artikel 14, lid 1, onder a), eerste zin, restrictief worden uitgelegd. Bijgevolg kan die bepaling enkel worden ingeroepen indien een algemene belasting op elektriciteit wordt geheven overeenkomstig richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, en indien in het nationale recht een vrijstelling voor de opwekking van elektriciteit voor eigen gebruik door kleine producenten is vastgesteld in overeenstemming met artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96.
2) Artikel 21, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2003/96 staat als een afwijking van de verplichte vrijstelling van belasting zoals bepaald in artikel 14, lid 1, onder a), eerste zin, los van de afwijking van die vrijstelling die uit milieuoverwegingen in artikel 14, lid 1, onder a), tweede en derde zin, is vastgesteld. Terwijl belastingen die aan kleine producenten worden opgelegd op grond van artikel 21, lid 5, derde alinea, worden meegerekend met het oog op de minimumbelastingniveaus van richtlijn 2003/96, is dat niet het geval voor belastingen die worden geheven uit hoofde van de afwijking uit milieuoverwegingen in de zin van artikel 14, lid 1, onder a).”
1 Oorspronkelijke taal: Engels.
2 PB 2003, L 283, blz. 51. Richtlijn 2003/96 is in de plaats gekomen van zowel richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (PB 1992, L 316, blz. 12), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG (PB 1994, L 365, blz. 46), als richtlijn 92/82/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën (PB 1992, L 316, blz. 19), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 94/74. Zie overweging 1 en artikel 30 van richtlijn 2003/96.
3 PB 1992, L 76, blz. 1, nadien ingetrokken bij richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12 (PB 2009, L 9, blz. 12).
4 Verordening van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1). Zie artikel 2, lid 5, van richtlijn 2003/96, dat bepaalt dat „[d]e in deze richtlijn vervatte verwijzingen naar codes van de gecombineerde nomenclatuur [...] verwijzingen [zijn] naar verordening (EG) nr. 2031/2001 van de Commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief” (PB 2001, L 279, blz. 1). De bijlage bij verordening nr. 2658/87 is meermaals gewijzigd tijdens de periode waarop deze zaak betrekking heeft, maar die wijzigingen zijn niet relevant voor de onderhavige prejudiciële verwijzing.
5 Daarnaast bepaalt artikel 18, lid 2, dat „[n]iettegenstaande de in de leden 3 tot en met 12 bepaalde perioden en op voorwaarde dat de mededinging hierdoor niet significant wordt verstoord, [...] lidstaten die moeilijkheden ondervinden met de toepassing van de nieuwe minimumbelastingniveaus een overgangsperiode tot 1 januari 2007 [krijgen], meer bepaald om te vermijden dat de prijsstabiliteit in gevaar wordt gebracht”. In de onderhavige zaak heeft Frankrijk echter niet aangegeven dat het zich op die bepaling beroept.
6 Zie punt 30 hieronder.
7 Artikel 37 van de loi nº 2002‑1576 du 30 décembre 2002 de finances rectificative pour 2002 (wet nr. 2002‑1576 van 30 december 2002 tot wijziging van de begroting voor 2002).
8 Loi n° 2005‑1719 du 30 décembre 2005 de finances pour 2006 (wet nr. 2005‑1719 van 30 december 2005 betreffende de begroting voor 2006) en loi n° 2005‑1720 du 30 décembre 2005 de finances rectificative pour 2005 (wet nr. 2005‑1720 van 30 december 2005 tot wijziging van de begroting voor 2005).
9 Loi n° 2007‑1824 du 25 décembre 2007 de finances rectificative pour 2007 (wet nr. 2007‑1824 van 25 december 2007 tot wijziging van de begroting voor 2007), artikel 62.
10 Loi n° 2000‑108 du 10 février 2000 relative à la modernisation et au développement du service public de l'électricité (wet nr. 2000‑108 van 10 februari 2000 tot modernisering en ontwikkeling van de openbare elektriciteitsvoorziening), artikelen 10 en 50.
11 Loi n° 2011‑900 du 29 juillet 2011 de finances rectificative pour 2011 (wet nr. 2011‑900 van 29 juli 2011 tot wijziging van de begroting voor 2011), artikel 17.
12 Loi n° 2000‑108, du 10 février 2000, relative à la modernisation et au développement du service public de l’électricité (wet nr. 2000‑108 van 10 februari 2000 tot modernisering en ontwikkeling van de openbare elektriciteitsvoorziening), zoals gewijzigd bij loi n° 2003‑8, du 3 janvier 2003, relative aux marchés du gaz et de l’électricité et au service public de l’énergie (wet nr. 2003‑8 van 3 januari 2003 betreffende de gas- en elektriciteitsmarkten en de openbare energievoorziening). Zie arrest van 25 juli 2018, Messer France (C‑103/17, EU:C:2018:587, punten 12 en 13).
13 Loi nº 2010‑1448 du 7 décembre 2010 portant nouvelle organisation du marché de l’électricité (wet nr. 2010‑1448 van 7 december 2010 betreffende de nieuwe marktordening voor elektriciteit).
14 Zie punt 17 hierboven.
15 De lezer kan zo nodig even teruggaan naar de punten 18 tot en met 22 hierboven om zijn geheugen op te frissen over (het kluwen aan) nationale bepalingen dat tot dit resultaat heeft geleid.
16 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de begrenzing van de betrokken periode tot 2004‑2006 niet is betwist of afgewezen in het daaropvolgende hoger beroep.
17 Ordonnance 2000‑387 van 4 mei 2000.
18 Zie arrest van 7 maart 2018, Cristal Union (C‑31/17, EU:C:2018:168).
19 Arrest van 7 maart 2018, Cristal Union (C‑31/17, EU:C:2018:168, punt 46).
20 Arrest van 25 juli 2018 (C‑103/17, EU:C:2018:587, punt 23). Verder gaat het arrest over de uitlegging van artikel 3, lid 2, van richtlijn 92/12 van de Raad.
21 Arresten van 25 juli 2018 (C‑103/17, EU:C:2018:587) en 7 maart 2018 (C‑31/17, EU:C:2018:168).
22 Arrest van 8 september 2010, Winner Wetten (C‑409/06, EU:C:2010:503, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 Arrest van 28 maart 1995, Kleinwort Benson (C‑346/93, EU:C:1995:85, punten 22‑24).
24 Arrest van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie (C‑129/96, EU:C:1997:628, punt 50).
25 Arrest van 25 oktober 2012, Commissie/Frankrijk (C‑164/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:665).
26 Zie voetnoot 24 hierboven.
27 Arrest van 7 maart 2018 (C‑31/17, EU:C:2018:168, punt 46).
28 Arrest van 17 juli 2008 (C‑226/07, EU:C:2008:429, punt 39).
29 Zie punt 25 hierboven.
30 Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot herstructurering van de [Unieregeling] voor de belasting van energieproducten, COM(97) 30 def. – CNS 97/0111 (PB 1997, C 139, blz. 14) en de toelichting daarbij.
31 Arrest van 30 maart 2006, Smits Koolhoven (C‑495/04, EU:C:2006:218, punt 31).
32 Arresten van 7 maart 2018, Cristal Union (C‑31/17, EU:C:2018:168, punt 27), en 27 juni 2018, Turbogás (C‑90/17, EU:C:2018:498, punt 45).
33 Arrest van 25 juli 2018 (C‑103/17, EU:C:2018:587, punt 23), cursivering van mij.
34 Arrest van 3 december 1998 (C‑233/97, EU:C:1998:585).
35 Arrest van 3 december 1998, KappAhl (C‑233/97, EU:C:1998:585, punt 21).
36 Zie de punten 24 en 25 hierboven.
37 Zie punt 26 hierboven.
38 Zie punt 57 hierboven.
39 Zie punt 8 hierboven.
40 Zie punt 26 hierboven.
41 Zie voetnoot 11 hierboven.
42 Arrest van 17 juli 2008 (C‑226/07, EU:C:2008:429, punt 32), cursivering van mij.
43 Zie voetnoot 30 hierboven.
44 Arrest van 7 maart 2018 (C‑31/17, EU:C:2018:168, punt 27), cursivering van mij.