Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA
van 15 mei 2019 (1)
Zaak C‑378/18
Landwirtschaftskammer Niedersachsen
tegen
Reinhard Westphal
[verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële vraag – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Communautaire steunregelingen – Areaalbetalingen – Terugvordering van onverschuldigde betalingen – Sancties – Verjaring – Aanvang van de termijn – Eventuele toepassing van de bepalingen inzake de bescherming van de financiële belangen van de Unie”
1. Een Duitse landbouwer heeft in de jaren 2001 en 2002 steun voor landbouwarealen aangevraagd op grond van verordening (EG) nr. 1251/1999(2). Enkele maanden na zijn respectieve aanvragen ontving hij de desbetreffende betalingen. In 2006 oordeelde de Landwirtschaftskammer Niedersachsen (landbouwkamer van de deelstaat Niedersachsen, Duitsland; hierna: „landbouwkamer”) echter dat hij onjuiste gegevens over de oppervlakte van zijn percelen had ingediend en besloot zij, als passende sanctie voor die gedraging, tot intrekking van de steunbedragen.
2. Het geding voor de Duitse rechtbanken concentreerde zich op de verjaringstermijn die op deze feiten van toepassing is, een kwestie die verband houdt met de vraag of bepaalde Unierechtelijke bepalingen waarbij een mildere sanctieregeling is ingevoerd, terugwerkende kracht hebben ten gunste van de betrokkene.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Bepalingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
1. Verordening (EEG) nr. 3887/92(3)
3. In artikel 9, lid 2, wordt bepaald:
„Wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag ‚oppervlakten’ aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, wordt het steunbedrag berekend op basis van de bij de controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt de feitelijk geconstateerde oppervlakte echter verlaagd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan 2 ha en niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte is.
Er wordt geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.
[...]
In dit artikel wordt onder geconstateerde oppervlakte verstaan de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde voorwaarden is voldaan.”
2. Verordening (EG) nr. 2419/2001(4)
4. Artikel 32, lid 1, luidt als volgt:
„Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2[(5)], wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.
Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.”
5. In artikel 49 („Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen”) wordt het volgende bepaald:
„1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente.
[...]
5. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien tussen de datum van betaling van de steun en de datum waarop de begunstigde door de bevoegde instantie ervan in kennis wordt gesteld dat de steun ten onrechte is toegekend, meer dan tien jaar is verstreken.
De in de eerste alinea genoemde periode wordt echter tot vier jaar verkort wanneer de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld.
6. Terugvorderingen ten gevolge van overeenkomstig artikel 13 en titel IV toegepaste kortingen of uitsluitingen verjaren na vier jaar.
[...]”
6. Artikel 52 bis („Bepaling betreffende steunaanvragen voor verkoopseizoenen en premieperioden die vóór 1 januari 2002 zijn ingegaan”), ingevoegd bij artikel 1, punt 13, van verordening (EG) nr. 118/2004(6), luidt als volgt:
„In afwijking van artikel 54, lid 2, en onverminderd gunstiger bepalingen inzake verjaringstermijnen die door de lidstaten zijn vastgesteld, is het bepaalde in artikel 49, lid 5, ook van toepassing op steunaanvragen voor de verkoopseizoenen en premieperioden die vóór 1 januari 2002 zijn ingegaan, tenzij de begunstigde reeds vóór 1 februari 2004 door de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van het feit dat het betrokken bedrag onverschuldigd is betaald.”
7. Hoewel verordening nr. 2419/2001 bij artikel 80, lid 1, van verordening (EG) nr. 796/2004(7), werd ingetrokken, zijn de verjaringsbepalingen in artikel 73, leden 1, 5 en 6, van deze laatste verordening gehandhaafd, totdat zij op 1 januari 2010 bij artikel 86, lid 1, van verordening (EG) nr. 1122/2009(8) werden ingetrokken. Laatstgenoemde verordening is op haar beurt vervangen door verordening (EU) nr. 640/2014(9), die van kracht is sinds 1 januari 2015.
B. Bepalingen inzake de bescherming van de financiële belangen van de Unie. Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95(10)
8. Verordening nr. 2988/85 bevat algemene bepalingen inzake fraudebestrijding ter bescherming van de financiële belangen van de Unie. Zij is subsidiair ten opzichte van de sectorspecifieke regels, met name op het gebied van de landbouw.
9. In de negende overweging wordt het volgende verklaard:
„Overwegende dat de communautaire maatregelen en sancties die zijn ingesteld in het kader van de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, een integrerend bestanddeel uitmaken van de steunregelingen; dat zij een eigen doel hebben [...]; dat hun doeltreffendheid moet worden verzekerd door de onmiddellijke rechtskracht van de communautaire norm [...]”.
10. Artikel 1, lid 2, dat is opgenomen in titel I („Algemene beginselen”), schrijft voor:
„Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het [Unie]recht verstaan die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de [Unie] of de door de [Unie] beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de [Unie] worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.”
11. Artikel 2, lid 2, luidt:
„Geen administratieve sanctie kan worden opgelegd dan uit kracht van een aan de onregelmatigheid voorafgegaan [Unie]besluit. In geval van latere wijziging van de bepalingen van een [Unie]besluit waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, worden de minder strenge bepalingen met terugwerkende kracht toegepast.”
12. In artikel 3 wordt bepaald:
„1. De verjaringstermijn van de vervolging bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan. [...]
Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. [...]
De verjaring van de vervolging wordt gestuit door elke onderzoekshandeling of daad van vervolging van de onregelmatigheid door de bevoegde autoriteit, mits deze de betrokkene ter kennis is gebracht. Na de stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.
[...]
2. Het recht tot uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, vervalt na drie jaar. [...]
De stuiting en de schorsing van deze termijn worden door het toepasselijke nationale recht geregeld.
3. Het staat de lidstaten vrij langere termijnen toe te passen dan de in de leden 1 en 2 bepaalde.”
II. Feiten en hoofdgeding
13. Eerst zal ik een uiteenzetting geven van de feiten zoals die worden beschreven in de verwijzingsbeslissing (waaruit ik enkele passages letterlijk zal overnemen), waarbij ik er tevens op zal wijzen dat sommige van die feiten enigszins onduidelijk zijn.
14. Westphal, een landbouwer, heeft in respectievelijk mei 2000 en mei 2001(11) areaalsteun aangevraagd voor de desbetreffende verkoopseizoenen, op grond van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.
15. In beide gevallen heeft de landbouwkamer de steun vóór het einde van elk van de jaren van indiening van de steunaanvraag toegekend en uitbetaald.(12)
16. „Tijdens een controle ter plaatse [op 12] januari 2006 heeft [de landbouwkamer] onregelmatigheden vastgesteld in de gegevens over de braakgelegde oppervlakten. Na [Westphal] te hebben gehoord, heeft zij bij besluit van 23 juli 2007 [...] de toekenningsbesluiten voor de jaren 2000 en 2001 gedeeltelijk ingetrokken en het te veel betaalde bedrag teruggevorderd. Bij de berekening daarvan is zij ervan uitgegaan dat er, als sanctie voor de overdeclaratie van de braakgelegde oppervlakten, in het geheel geen steun hoefde te worden verleend.”(13)
17. Westphal heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. „In de beroepsprocedure heeft hij zowel de intrekking van de toekenningen als de terugvorderingen aanvaard voor zover zij niet op de sanctie zijn gebaseerd. [...] Wat de resterende terugvordering op grond van de sanctie betreft, heeft de appelrechter het besluit van 23 juli 2007 [nietig verklaard] [...]”.(14)
18. De appelrechter heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:(15)
– De feitelijke voorwaarden voor de toepassing van de sanctie als bedoeld in artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 waren vervuld. Voor de twee jaren in kwestie was het verschil tussen de in de steunaanvraag aangegeven braakgelegde oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte hoger dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.
– De sanctie was evenwel verjaard.
– Het beginsel van toepassing met terugwerkende kracht van de minder strenge sanctiebepaling (artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95) vereiste de toepassing van de verjaringsregeling van artikel 49, leden 5 en 6, van verordening nr. 2419/2001.
– Volgens deze regeling was de sanctie verjaard, omdat er meer dan vier jaar was verstreken tussen de betaling van de steun en de datum waarop de bevoegde autoriteit na de controle ter plaatse aan verzoeker had meegedeeld dat de steun ten onrechte was toegekend.
– Deze verjaringsregeling is minder streng dan de regeling die anders zou zijn toegepast (namelijk artikel 3, lid 1, tweede alinea, eerste volzin, van verordening nr. 2988/95), omdat volgens laatstgenoemde bepaling in geval van een voortgezette onregelmatigheid, zoals in casu, de verjaringstermijn pas ingaat wanneer de onregelmatigheid is geëindigd.
19. De landbouwkamer heeft tegen die uitspraak beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter.
III. Prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
20. De verwijzende rechter is het met de lagere rechter eens dat de voorwaarden voor de oplegging van een sanctie ingevolge verordening nr. 3887/92 zijn vervuld, met name wegens het verschil van meer dan 20 % tussen de aangegeven en de geconstateerde oppervlakte.
21. Hij heeft echter twijfels over de toepassing van het criterium van de mildere sanctie, op grond dat:
– verordening nr. 3887/92 geen bepalingen inzake verjaring van de sancties bevatte, zodat artikel 3, lid 1, eerste en tweede alinea, van verordening nr. 2988/95 van toepassing is, volgens welke bepaling de verjaringstermijn begint te lopen met de beëindiging van de voortgezette onregelmatigheid(16);
– in het Duitse recht geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om „langere termijnen” als bedoeld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 vast te stellen;
– door de vaststelling, voor het eerst, van een sectorspecifieke verjaringsregeling voor de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen, met inbegrip van terugbetalingen ten gevolge van kortingen of uitsluitingen, in artikel 49, leden 5 en 6, van verordening nr. 2419/2001 de aanvang van de verjaringstermijn is veranderd, waarbij de datum van betaling van de steun als referentiedatum werd genomen, terwijl de termijn van vier jaar werd gehandhaafd.
22. Omdat in artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 niet wordt vermeld wanneer de verjaringstermijn van ten gevolge van kortingen en uitsluitingen terugvorderbare bedragen aanvangt, wenst de verwijzende rechter te vernemen:
– of de in lid 5 van dat artikel bedoelde dies a quo (de datum van betaling van de steun) moet worden toegepast. In dat geval is de verjaring ingetreden,
– of dat daarentegen artikel 3, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 2988/95, als algemene subsidiaire regeling, deze leemte opvult, in welk geval de verjaring niet is ingetreden.
23. Het beginsel van toepassing van de minder strenge sanctiebepaling (artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95) is van toepassing, ook al is de nieuwe sectorspecifieke regeling van verordening nr. 2419/2001 op 1 januari 2002, dat wil zeggen na de uitbetaling van de steunbedragen, in werking getreden.(17) Bovendien heeft laatstgenoemde verordening de steun- en sanctieregeling ongewijzigd gelaten, zodat dat beginsel volgens de rechtspraak kon worden toegepast ondanks de veranderde regelgevingscontext.(18)
24. Opgehelderd moet nog worden of de nieuwe verjaringsvoorschriften bepalingen zijn waarin sancties zijn vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95. Volgens de verwijzende rechter beschouwen de Duitse strafrechtelijke instanties de verjaring van strafbare feiten als een onderdeel van het procesrecht, zodat het beginsel van toepassing van de minst strenge wet(19) slechts relevant is indien de materiële strafbepaling tussen het tijdstip waarop het feit is begaan en de rechterlijke beslissing is aangescherpt en ten gevolge daarvan de verjaringstermijn is veranderd, hetgeen in dit geding niet aan de orde is. In ieder geval moet rekening worden gehouden met de billijkheid en met het feit dat de invoering van een nieuwe verjaringstermijn noodzakelijkerwijs een nieuwe beoordeling van de regeling door de wetgever impliceert.
25. Indien de minder strenge verjaringsregeling niet van toepassing is, vervalt de toepassing van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001. In dat geval komt de eventuele analoge toepassing van lid 5 van datzelfde artikel in beeld, ook al staat de letterlijke tekst daarvan dat niet toe. Volgens de verwijzende rechter ligt het voor de hand dat de bewoordingen van artikel 52 bis van verordening nr. 2419/2001 berusten op de gedachte dat artikel 49, lid 6, een specifieke regeling niet noodzakelijk maakt, omdat de bepaling van artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95 reeds een coherent systeem waarborgt. Bijgevolg wenst hij te vernemen of er sprake is van een leemte in de regelgeving die hij kan opvullen aan de hand van analogieën.
26. In deze context heeft het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland) besloten het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1) Begint de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 49, lid 6, van verordening (EG) nr. 2419/2001 te lopen met de betaling van de steun of wordt het begin van deze verjaringstermijn bepaald door artikel 3, lid 1, in dit geval de tweede alinea, eerste volzin, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95?
2) Zijn de verjaringsregelingen van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 en van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 bepalingen waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95?
3) Kan de in artikel 52 bis van verordening nr. 2419/2001 neergelegde regeling inzake de retroactieve toepassing van de verjaringsregeling van artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001 overeenkomstig worden toegepast op artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001?”
27. De verwijzende rechter verklaart dat ingeval artikel 3, lid 1, tweede alinea, eerste volzin, van verordening nr. 2988/95 van toepassing is (eerste vraag), de overige vragen geen antwoord behoeven. Indien daarentegen de tweede vraag dient te worden beantwoord en het antwoord bevestigend is, hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.
28. De verwijzingsbeslissing is op 8 juni 2018 bij het Hof ingekomen, en de landbouwkamer en de Europese Commissie hebben binnen de daartoe vastgestelde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend. Het houden van een terechtzitting werd niet noodzakelijk geacht.
IV. Juridische beoordeling
A. Eerste prejudiciële vraag
1. Toepasselijke verjaringsregeling
29. Uit de in de verwijzingsbeslissing beschreven feiten kan worden afgeleid dat de landbouwkamer Westphal bij besluit van 23 juli 2007 een sanctie in de zin van artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92 heeft opgelegd. De sanctie had betrekking op de in mei van de jaren 2000 en 2001 ingediende steunaanvragen voor de desbetreffende verkoopseizoenen, die in diezelfde jaren werden toegewezen. De bevoegde instantie kwam voor het eerst in actie in januari 2006, toen zij een controle ter plaatse verrichtte en het verschil in oppervlakten vaststelde, hetgeen tot de vragen over de verjaring heeft geleid.
30. De prejudiciële vragen lijken ervan uit te gaan dat de verjaringstermijn (van vier jaar) die wordt vermeld in artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 in casu van toepassing is. Om redenen die ik hierna zal uiteenzetten, is dit lid mijns inziens echter niet relevant voor de beslechting van dit geding.
31. De voornaamste grond hiervoor is gelegen in de aard van de kortingen en uitsluitingen die, met betrekking tot verjaring, worden vermeld in artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001. Na lezing van de artikelen 13 (inzake te laat ingediende steunaanvragen), 32 (inzake kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangiften van oppervlakten)(20) en 38 (inzake kortingen en uitsluitingen bij verschillen in het aantal runderen) van die verordening, kan worden geconcludeerd dat de verordening voorziet in echte geldelijke sancties, die bestaan in de betaling van bedragen die hoger zijn dan het bedrag dat zou voortvloeien uit een berekening waarbij rekening wordt gehouden met de verhouding tussen het te veel gedeclareerde en het door de overheid terug te vorderen bedrag.
32. De kortingen en uitsluitingen vormen feitelijk een sanctie in de zin van artikel 5, lid 1, onder b), van verordening nr. 2988/95(21), daar zij de aanvrager ertoe verplichten een bedrag te betalen dat hoger is dan de onterecht ontvangen bedragen. In de rechtspraak van het Hof is het punitieve karakter van deze wettelijke bepalingen bevestigd en zijn deze bepalingen zonder meer als sancties aangemerkt.(22)
33. De bedragen die moeten worden teruggevorderd ten gevolge van de kortingen en uitsluitingen worden logischerwijs berekend in de respectieve besluiten waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd. Deze bedragen zijn verschuldigd vanaf de datum van de desbetreffende besluiten. Zoals in de algemene regeling (artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95) een „recht tot uitvoering van het besluit waarbij een administratieve sanctie wordt opgelegd, [...] na drie jaar [vervalt]”, is in de sectorale regeling (artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001) een verjaringstermijn van vier jaar vastgesteld, die moet worden begrepen als de maximale tijd waarbinnen de overheid de krachtens de opgelegde sanctie terugvorderbare bedragen kan innen.(23)
34. Naar mijn mening wordt door deze uitlegging de absurde situatie vermeden dat voor gedragingen waarop door hun manifest wederrechtelijke karakter sancties rusten een verjaringstermijn van slechts vier jaar van toepassing is (lid 6), terwijl de verjaringstermijn voor andere, minder ernstige gedragingen, die alleen maar een terugbetalingsverplichting met zich brengen, tien jaar is (lid 5). De enige verklaring die ik daarvoor kan vinden is dat het termijnen van verschillende aard betreft en dat lid 6, zoals ik reeds heb opgemerkt, betrekking heeft op de uitvoering van de sanctie.
35. In dit geding lijkt de verjaringstermijn voor de uitvoering van de sancties (kortingen en uitsluitingen) die bij het besluit van de landbouwkamer van 23 juli 2007 zijn opgelegd, niet ter discussie te staan.(24) Het geschil beperkt zich tot de verjaring van de verplichting tot terugbetaling van de als steun voor de verkoopseizoenen 2000 en 2001 aan de landbouwer uitbetaalde bedragen, die hij ten onrechte heeft ontvangen omdat ze waren gebaseerd op oppervlakten die verschilden van de werkelijke oppervlakten.
36. Bijgevolg is in deze zaak de uitlegging van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 mijns inziens niet relevant.
37. Verordening nr. 1251/1999, waarop de door Westphal ingediende steunaanvragen waren gebaseerd, bevatte geen enkel voorschrift inzake de verjaring van de verplichting tot terugbetaling op grond van onregelmatigheden zoals die in dit geding. Ook verordening nr. 3887/92, waarvan artikel 9 voor de landbouwkamer diende als grondslag voor het besluit van 23 juli 2007 tot oplegging van een administratieve sanctie, bevatte geen daartoe strekkende bepaling.
38. Bij gebreke van specifieke voorschriften, moest de algemene regeling(25) worden toegepast, te weten artikel 3 van verordening nr. 2988/95, die van kracht was toen de aanvragen werden ingediend en de aangevraagde steunbedragen werden uitbetaald (respectievelijk in 2000 en 2001).(26)
39. Feit is echter dat in het jaar 2001 een specifieke regeling (voor steun in de landbouwsector) is vastgesteld waarbij eigen sectorale verjaringsregels zijn ingevoerd. De sectorale verjaringsregeling voor de terugbetaling van onverschuldigde betalingen van dit type steun heeft gestalte gekregen in artikel 49 van verordening nr. 2419/2001 en is gedeeltelijk gewijzigd in 2004, toen een artikel 52 bis aan deze verordening werd toegevoegd.
40. De nieuwe verjaringsregeling kreeg terugwerkende kracht na de wijziging van verordening nr. 2419/2001 in 2004. In concreto kon op de verplichtingen tot terugbetaling van steun voor de verkoopseizoenen die vóór 1 januari 2002 waren ingegaan de verjaringstermijn van lid 5 van artikel 49 van verordening nr. 2419/2001 worden toegepast.(27)
41. Ingevolge deze nieuwe regeling, die met terugwerkende kracht van toepassing is, verjaart de terugbetalingsplicht na het verstrijken van tien jaar (wanneer de begunstigde niet te goeder trouw heeft gehandeld) of vier jaar (wanneer de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld) „tussen de datum van betaling van de steun en de datum waarop de begunstigde door de bevoegde instantie ervan in kennis wordt gesteld dat de steun ten onrechte is toegekend”. Dit is, kortom, de letterlijke tekst van artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001.
42. Door de invoering van artikel 52 bis trad op 25 januari 2004 de bij artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001 ingevoerde uitbreiding naar steunaanvragen van vóór 1 januari 2002 (zoals die in casu) in werking. Omdat op die datum de (algemene) verjaringstermijn van vier jaar nog liep, ingevolge artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95, ontstaan er vanuit het oogpunt van rechtszekerheid(28) geen problemen voor te goeder trouw begane onregelmatigheden; de verjaringstermijn was volgens beide regelingen (de algemene en de specifieke) dezelfde, namelijk vier jaar.
43. De toepassing met terugwerkende kracht van artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001 levert meer problemen op indien zou worden geoordeeld dat Westphal niet te goeder trouw heeft gehandeld. In die situatie is de verjaringstermijn in de nieuwe sectorale regeling (tien jaar) bezwarender dan die van de algemene regeling (vier jaar). Naar mijn mening vindt die toepassing met terugwerkende kracht echter steun in het recht.
44. In de rechtspraak van het Hof is bevestigd dat de lidstaten op het gebied van rechtshandhaving langere verjaringstermijnen kunnen vaststellen, waarmee slechts rekening hoeft te worden gehouden wanneer de onregelmatigheid op de datum van het van kracht worden van de nieuwe termijn niet is verjaard en de algemene beginselen van het Unierecht, in concreto het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, worden geëerbiedigd.(29)
45. Ik zie geen enkele reden om deze in de rechtspraak ontwikkelde richtsnoeren niet uit te breiden tot de door de Europese wetgever vastgestelde regeling, met inachtneming van dezelfde criteria.
46. In dit geval is de verlenging van de verjaringstermijn tot tien jaar (artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001) slechts van toepassing op te kwader trouw ingediende aanvragen waarvoor de verjaringstermijn nog niet is verstreken.(30)
47. Vanuit het oogpunt van evenredigheid(31) mag een termijn van tien jaar buitensporig lijken, maar deze indruk wordt gerelativeerd wanneer rekening wordt gehouden met de bedragen die elk jaar gemoeid zijn met de premies voor de landbouw, alsook met het feit dat deze worden verdeeld over een groot aantal aanvragen en de autoriteiten van de lidstaten geen alomvattende controles maar alleen steekproefsgewijze controles verrichten.
2. Dies a quo voor de aanvang van de verjaring
48. Uit de toepasselijkheid ratione temporis van artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001 kan worden afgeleid op welke datum de verjaringstermijn voor de terugbetalingsverplichting van Westphal aanvangt, namelijk op de datum van betaling van de steun, overeenkomstig de eerste alinea van die bepaling.
49. In afwijking van verordening nr. 2988/95, waarin in artikel 3 wordt bepaald dat de dies a quo van de verjaring de datum is waarop de onregelmatigheid is begaan (die in casu een datum in de maand mei van 2000 en 2001 zou zijn)(32), vangt de verjaring volgens artikel 49, lid 5, eerste alinea, van verordening nr. 2419/2001 aan op de datum van betaling van de steun.
50. Overigens wordt in verordening nr. 2419/2001, anders dan in verordening nr. 2988/95, geen onderscheid gemaakt tussen eenmalige en voortgezette onregelmatigheden. De verwijzende rechter gaat ervan uit dat er in casu sprake is van een voortgezette onregelmatigheid(33) omdat zij betrekking heeft op de twee in 2000 en 2001 ingediende aanvragen.
51. Deze kwalificatie kan worden bevestigd door de lezing van verordening nr. 1251/1999(34), waarbij een structuur voor de steunaanvragen (zoals die van Westphal) is ingevoerd op basis van het model „aanvraag eerst, betaling later”, en door de feiten in het geding, aangezien de aanvragen in twee opeenvolgende jaren zijn ingediend, te weten in mei 2000 en in mei 2001, en de steun telkens in de laatste maanden van het jaar is uitbetaald.
52. Volgens de rechtspraak van het Hof vangt de verjaringstermijn in deze gevallen aan op de datum waarop het economisch nadeel voor de begroting van de Unie is ontstaan, dat wil zeggen op de datum van de betaling, aangezien deze volgt op het handelen of nalaten dat het Unierecht schendt.(35)
53. Kortom, het in artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001 neergelegde criterium voor het berekenen van de aanvang van de verjaringstermijn komt overeen met het criterium dat het Hof heeft vastgesteld ten aanzien van voortgezette onregelmatigheden. Beide leiden in deze zaak tot hetzelfde resultaat: de dies a quo is de datum van de betaling van de ten onrechte toegekende steun.
54. Tot slot moet nog worden verduidelijkt welke van de in artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001 voorziene termijnen van toepassing is, aangezien de overheid in beide gevallen vóór 2006 geen maatregelen heeft genomen: de termijn van tien jaar gerekend vanaf de datum van betaling, zonder enige andere voorwaarde, of die van vier jaar gerekend vanaf de datum van betaling, ervan uitgaande dat Westphal te goeder trouw heeft gehandeld.
55. Omdat de beoordeling van de goede trouw een feitelijke kwestie is, staat het aan de nationale rechter om die beoordeling te verrichten en op basis daarvan(36) de toepasselijke variant toe te passen.
B. Tweede prejudiciële vraag
56. De verwijzende rechter wenst te vernemen of de verjaringsbepalingen van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 kunnen worden gekwalificeerd als bepalingen waarin administratieve sancties zijn vastgesteld.
57. De verwijzende rechter is van oordeel dat het antwoord op die vraag bepalend zal zijn voor de toepassing van het beginsel van terugwerkende kracht ten gunste van de betrokkene, dat kenmerkend is voor achteraf vastgestelde sanctiebepalingen die een gunstiger behandeling van de betrokkene inhouden. Dit beginsel is concreet vastgelegd in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2988/95 en in artikel 49, lid 1, laatste volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.(37)
58. Omdat ik artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 niet van toepassing acht, komt beantwoording van deze vraag mij voor als onnodig. De hiernavolgende argumenten hebben derhalve een subsidiair karakter.
59. In dit verband moet opnieuw worden verwezen naar de rechtspraak die het Hof heeft ontwikkeld in het arrest Taricco e. a.(38), aangevuld met het arrest M.A.S en M.B(39). In dit laatste arrest werd het antwoord van het Hof mede ingegeven door het feit dat de verwijzende rechter nadrukkelijk had gewezen op „de materiële aard van de in de Italiaanse rechtsorde vastgestelde verjaringsregels – die met zich meebrengt dat deze regels voor de justitiabelen redelijkerwijs voorzienbaar moeten zijn op het tijdstip waarop de ten laste gelegde strafbare feiten worden gepleegd, zonder dat die regels met terugwerkende kracht in hun nadeel kunnen worden gewijzigd”.(40)
60. Volgens het arrest M.A.S en M.B. moet rekening worden gehouden met de vraag of ingevolge de nationale bepalingen van de rechter die het Unierecht moet toepassen „de vereisten van voorzienbaarheid, nauwkeurigheid en niet-terugwerkende kracht, die inherent zijn aan het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, [...] ook van toepassing [zijn] op de verjaringsregeling voor strafbare feiten”.(41)
61. De verwijzende rechter heeft bevestigd dat in het Duitse recht verjaring niet door het materiële recht, maar door het strafprocesrecht wordt beheerst, zodat het beginsel van niet-terugwerkende kracht (en dus ook het beginsel van terugwerkende kracht ten gunste van de betrokkene) niet van toepassing zou zijn op verjaringsbepalingen. In de verwijzingsbeslissing wordt verklaard dat het legaliteitsbeginsel inzake straffen zich niet uitstrekt tot bepalingen inzake verjaring.(42)
62. In dat geval zou er geen reden zijn waarom bepalingen die voorzien in kortere verjaringstermijnen voor inbreuken of administratieve sancties noodzakelijkerwijs de voorkeur zouden moeten krijgen boven bepalingen die, op het moment waarop de feiten werden begaan, langere termijnen voorschreven. Bovendien is er, zoals ik reeds heb opgemerkt(43), niets dat in de weg staat aan een nog langere verjaringstermijn voor inbreuken van dit type die nog niet zijn verjaard, zoals het Hof heeft erkend in het arrest Glencore Céréales France.(44)
63. Gezien vanuit een ander perspectief, waarin de specifieke omstandigheden van het geding een meer centrale plaats innemen, wijst de landbouwkamer erop dat de sanctie die op grond van de latere wetgeving (artikel 32 van verordening nr. 2419/2001) zou zijn opgelegd niet lager is dan het bedrag dat resulteerde uit de toepassing van de bepaling (artikel 9 van verordening nr. 3887/92) op grond waarvan de sanctie aan Westphal is opgelegd.
64. Ofschoon het beginsel van terugwerkende kracht van de mildere sanctieregeling van toepassing is wanneer een bepaling van de Unie de in een eerdere bepaling vastgestelde sanctie a posteriori wijzigt door deze te verminderen, was het bedrag van die sanctie in casu onder beide regelingen hetzelfde.
65. De toepassing van het beginsel van terugwerkende kracht ten gunste van de betrokkene, vereist dat „de gemeenschapswetgever tot andere inzichten is gekomen betreffende de kwestie of de sancties, gelet op de ernst van de betrokken onregelmatigheid, passend zijn”.(45) Uit deze andere inzichten zou dan moeten volgen dat het bedrag van de sanctie, volgens de nieuwe regeling, lager is dan het bedrag dat zou resulteren uit de toepassing van de eerdere regeling.(46) Dit lijkt in casu niet het geval te zijn.
C. Derde prejudiciële vraag
66. Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de terugwerkende kracht van de verjaringsregeling van artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001 naar analogie zou kunnen worden toegepast op lid 6 van datzelfde artikel.
67. Zoals dat ook het geval was bij de tweede prejudiciële vraag, acht ik het evenmin noodzakelijk om de derde prejudiciële vraag te beantwoorden, aangezien de verwijzingen naar artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 niet nuttig zijn voor de beslechting van dit geschil. Toch zal ik mij, zij het louter subsidiair, uitspreken over deze vraag.
68. De in artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 bedoelde kortingen en uitsluitingen vooronderstellen het optreden van een bevoegde autoriteit die deze kortingen en uitsluitingen heeft opgelegd. Zoals ik reeds heb opgemerkt, staat deze omstandigheid los van het uitblijven van overheidsoptreden gedurende tien of vier jaar, zijnde de verjaringstermijnen die in artikel 49, lid 5, van diezelfde verordening zijn opgenomen voor de terugbetalingsverplichtingen waarvan van de begunstigde geen betaling is geëist.
69. Uit het feit dat de wetgever in 2004 in verordening nr. 2419/2001 een artikel 52 bis heeft ingevoegd, waarbij de terugwerkende kracht van de (nieuwe) verjaringstermijnen is beperkt tot de in artikel 49, lid 5, bedoelde gevallen, en die van lid 6 daarvan zijn uitgesloten, leid ik af dat dat besluit beoogde de verschillende gevallen, die niet analoog zijn, van elkaar te onderscheiden en niet om ze met elkaar gelijk te stellen.
70. Bovendien komt voor de gevallen waarin de aanvrager te goeder trouw heeft gehandeld de verjaringstermijn van artikel 49, lid 5, tweede alinea, van verordening nr. 2419/2001 overeen met die van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95, waarvoor deze in feite, op het gebied van de betrokken steunmaatregelen, in de plaats is gekomen.
71. Uit het voorgaande leid ik af dat de wetgever, door de terugwerkende kracht van de verjaringstermijnen (artikel 52 bis van verordening nr. 2419/2001) aldus vast te stellen, er doelbewust naar heeft gestreefd om de verjaringstermijn voor de terugbetalingsplichten te verlengen tot tien jaar voor alle gevallen waarin opzettelijk verkeerde declaraties (aanvragen) zijn ingediend, met inbegrip van de aangiften die betrekking hebben op de verkoopseizoenen van vóór 2002, en om de termijn van vier jaar voor zonder kwader trouw ingediende declaraties te handhaven.
72. Voor het overige is het, wanneer de overheid eenmaal heeft ingegrepen door in het desbetreffende besluit het ten gevolge van een korting en/of uitsluiting terug te vorderen bedrag vast te stellen, met name voor de verjaring irrelevant of de betrokken aanvrager te goeder of te kwader trouw heeft gehandeld.
73. Uiteindelijk is niet voldaan aan de voorwaarden om de terugwerkende kracht van de verjaring van artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001, gelezen in samenhang met artikel 52 bis, van diezelfde verordening, uit te breiden tot lid 6 van datzelfde artikel 49.
V. Conclusie
74. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van het Bundesverwaltungsgericht als volgt te beantwoorden:
„In een situatie als die in het hoofdgeding, waarin een sanctie is opgelegd aan een landbouwer die steunaanvragen heeft ingediend voor een gedeclareerde oppervlakte die groter was dan de later door de bevoegde autoriteit vastgestelde oppervlakte, moet artikel 49 van verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen aldus worden uitgelegd dat:
– krachtens lid 5 van dat artikel 49 de verplichting tot terugbetaling van de ten onrechte ontvangen bedragen geacht kan worden verjaard te zijn indien de bevoegde autoriteit geen enkele op de terugvordering van die bedragen gerichte handeling heeft verricht, louter door het verstrijken van tien jaar vanaf de datum waarop de betaling is verricht, of van vier jaar vanaf diezelfde datum indien de aanvrager te goeder trouw heeft gehandeld. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of de betrokkene bij het indienen van de aanvragen die het voorwerp van het geding zijn te goeder trouw heeft gehandeld;
– lid 6 van dat artikel 49 niet van toepassing is op de situatie in casu;
– de verjaringsbepalingen betreffende steunaanvragen voor de verkoopseizoenen en premieperioden die vóór 1 januari 2002 begonnen, zoals die gestalte hebben gekregen in artikel 52 bis van verordening nr. 2419/2001, geen ‚bepalingen [vormen] waarin administratieve sancties zijn vastgesteld’, in de zin van artikel 2, lid 2, van verordening (EG, EURATOM) nr. 2988/85 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;
– de voorwaarden voor de verjaring die zijn neergelegd in artikel 49, lid 5, verschillen van die welke zijn neergelegd in artikel 49, lid 6, zodat de terugwerkende kracht van artikel 49, lid 5, gelezen in samenhang met artikel 52 bis van verordening nr. 2419/2001, niet naar analogie kan worden uitgebreid tot artikel 49, lid 6.”
1 Oorspronkelijke taal: Spaans.
2 Verordening van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PB 1999, L 160, blz. 1).
3 Verordening van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB 1992, L 391, blz. 36), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2801/1999 van de Commissie van 21 december 1999 (PB 1999, L 340, blz. 29).
4 Verordening van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB 2001, L 327, blz. 11).
5 In dit artikel wordt de grondslag voor de berekening van het steunbedrag vastgesteld.
6 Verordening van de Commissie van 23 januari 2004 tot wijziging van verordening (EG) nr. 2419/2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB 2004, L 17, blz. 7).
7 Verordening van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB 2004, L 141, blz. 18).
8 Verordening van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PB 2009, L 316, blz. 65).
9 Gedelegeerde verordening van de verordening van 11 maart 2014 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PB 2014, L 181, blz. 48).
10 Verordening van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1).
11 In het door de verwijzende rechter toegezonden dossier bevindt zich ook het besluit van de landbouwkamer van 23 juli 2007, waarnaar ik verderop zal verwijzen. In dat besluit valt evenwel te lezen dat de aanvragen zijn ingediend in respectievelijk maart 2000 en maart 2001.
12 Uit het besluit van de landbouwkamer kan worden opgemaakt dat op 30 november 2000 en 30 november 2001 kennisgeving is gedaan van de respectieve steuntoekenningen.
13 Verwijzingsbeslissing, punt 2.
14 Ibidem, punt 3.
15 Ibidem, punt 4.
16 De verwijzende rechter plaatst geen vraagtekens bij de kwalificatie van voortgezette onregelmatigheid.
17 De verwijzende rechter noemt het arrest van 1 juli 2004, Gerken (C‑295/02, EU:C:2004:400, punten 53-58).
18 Daartoe haalt hij het arrest van 11 maart 2008, Jager (C‑420/06, EU:C:2008:152, punten 68 en 73) aan.
19 Zoals neergelegd in § 2, lid 3, van het Strafgesetzbuch (Duits wetboek van strafrecht).
20 Bepaling die artikel 9 van verordening nr. 3887/92 heeft vervangen.
21 Voor het informerende karakter van verordening nr. 2988/95 voor sectorale regelingen, zoals die voor de landbouw, zie arrest van 13 december 2012, FranceAgriMer (C‑670/11, EU:C:2012:807, punt 43).
22 Zie bijvoorbeeld arresten van 4 oktober 2007, Kruck (C‑192/06, EU:C:2007:579, punt 35), en 14 september 2000, Fisher (C‑369/98, EU:C:2000:443, punten 43-47).
23 De noodzaak om lid 6 in te voeren in artikel 49 van verordening nr. 2419/2001, als lex specialis, vloeit voort uit de verhoging tot vier jaar van de termijn (van drie jaar) van artikel 3, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95. Tussen artikel 3, leden 1 en 2, van die laatste verordening en artikel 49, leden 5 en 6, van verordening nr. 2419/2001 kan een duidelijke parallel worden getrokken.
24 Bovendien is tegen het besluit van 23 juli 2007 beroep ingesteld en zou het logisch zijn om ervan uit te gaan dat de eventuele verjaring door de opeenvolgende beroepen is gestuit.
25 Zie dienaangaande arrest van 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a. (C‑367/09, EU:C:2010:648, punt 66).
26 Hier moet ik in herinnering brengen dat ik reeds in mijn conclusie in de zaak Glencore Céréales Frances (C‑584/15, EU:C:2016:655, punt 24) heb opgemerkt dat het gebruik van de woorden „verjaringstermijn van de vervolging” in artikel 3 van verordening nr. 2988/95 aanleiding kan geven tot misverstand, omdat het, zuiver gezien, niet gaat om een verjaringstermijn van de „vervolging” als zodanig, maar om de termijn voor de uitoefening door de overheid van het recht om onverschuldigd aan begunstigden van steun uitgekeerde bedragen terug te vorderen.
27 Tenzij de begunstigde reeds vóór 1 februari 2004 door de bevoegde autoriteit in kennis was gesteld van het feit dat het betrokken bedrag onverschuldigd was betaald.
28 Zie in dit verband arrest van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht-, Kühl- und Zerlegebetrieb e.a. (C‑278/07–C‑280/07, EU:C:2009:38, punten 30 en 31).
29 Arresten van 8 september 2015, Taricco e.a. (C‑105/14, EU:C:2015:555, punt 57), en 2 maart 2017, Glencore Céréales France (C‑584/15, EU:C:2017:160, punten 69, 70 en 72).
30 Zoals vereist door de in de vorige voetnoot aangehaalde rechtspraak.
31 Arrest van 2 maart 2017, Glencore Céréales France (C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Zie arresten van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und -export (C‑59/14, EU:C:2015:660, punt 24), en 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht-, Kühl- und Zerlegebetrieb e.a. (C‑278/07 tot en met C‑280/07, EU:C:2009:38, punt 27).
33 Zie voetnoot 16 van deze conclusie.
34 Zie inzonderheid de artikelen 6, 7 en 8 van die verordening.
35 Arrest van 2 maart 2017, Glencore Céréales France (C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 In de eerste alinea van bladzijde 4 van het besluit van de landbouwkamer van 23 juli 2007 kan worden gelezen dat Westphal zich niet kon beroepen op goede trouw, omdat hij zich tijdig bewust had moeten worden van zijn verkeerde berekening van de arealen waarvoor hij steun aanvroeg. Gezien vanuit een ander perspectief kan uit het bestreden arrest, dat deel uitmaakt van het door de verwijzende rechter toegezonden dossier, worden opgemaakt dat Westphal gebruik heeft gemaakt van de kadastrale gegevens voor die arealen. Onverminderd de beoordeling van andere feitelijke elementen door de verwijzende rechter, zou deze laatste factor relevant kunnen zijn.
37 Zie, juist in verband met artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2988/95, arrest van 11 maart 2008, Jager (C‑420/06, EU:C:2008:152, punt 60): „Dit beginsel [van de terugwerkende toepassing van de minder strenge sanctie] komt met name tot uitdrukking in artikel 2, lid 2, tweede zin, van verordening nr. 2988/95. Overeenkomstig die bepaling moeten de bevoegde autoriteiten op een handelwijze die een onregelmatigheid in de zin van lid 1 van dat artikel inhoudt, met terugwerkende kracht de wijzigingen toepassen die naderhand zijn vastgesteld in een [sectorale] communautaire regeling die voorziet in minder strenge administratieve sancties [...]”.
38 Arrest van 8 september 2015 (C‑105/14, EU:C:2015:555).
39 Arrest van 5 december 2017 (C‑42/17, EU:C:2017:936).
40 Ibidem, punt 27.
41 Ibidem, punt 58.
42 Punt 20 van de verwijzingsbeschikking.
43 In de punten 44-46 van deze conclusie.
44 Arrest van 2 maart 2017 (C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 73).
45 Arrest van 11 maart 2008, Jager (C‑420/06, EU:C:2008:152, punt 70).
46 Arrest van 4 mei 2006, Haug (C‑286/05, EU:C:2006:296, punt 23): „[A]rtikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95 [zou] toepassing kunnen vinden indien een verschil van meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 is vastgesteld en derhalve het bedrag van de aanvankelijk toegekende communautaire steun volledig, vermeerderd met rente, wordt teruggevorderd, maar op grond van een bepaling van gemeenschapsrecht waarbij de uit artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 voortvloeiende sanctie later is gewijzigd, slechts een geringer bedrag hoeft te worden terugbetaald” (geen cursivering in de oorspronkelijke tekst).