ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)
10 april 2019 ( *1 )
„Hogere voorziening – Uniemerk – Beroepsprocedure – Termijnen – Elektronische kennisgeving – Berekening van de termijnen”
In zaak C‑282/18 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 23 april 2018,
The Green Effort Limited, gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door A. Ziehm, Rechtsanwalt,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door A. Folliard-Monguiral als gemachtigde,
verweerder in eerste aanleg,
Fédération internationale de l’automobile (FIA), gevestigd te Vernier (Zwitserland), vertegenwoordigd door M. Hawkins, solicitor, T. Dolde, Rechtsanwalt, en K. Lüder, Rechtsanwältin,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. Toader (rapporteur), kamerpresident, L. Bay Larsen en M. Safjan, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt The Green Effort Limited om vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 23 februari 2018, The Green Effort/EUIPO – Fédération Internationale de l’Automobile (Formula E) (T‑794/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:115; hierna: „bestreden beschikking”), houdende verwerping van haar beroep tot vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 11 september 2017 (zaak R 1827/2016‑2) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen The Green Effort en de Fédération internationale de l’automobile (hierna: „litigieuze beslissing”).
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 207/2009
2
Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Unie]merk (PB 2009, L 78, blz. 1) is nadien gecodificeerd bij verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1), dat krachtens artikel 212 ervan van toepassing is vanaf 1 oktober 2017.
3
Artikel 65 van verordening nr. 207/2009, met het opschrift „Beroep bij het Hof van Justitie”, bepaalt in lid 5 ervan, thans artikel 72, lid 5, van verordening 2017/1001:
„Beroep moet bij het Hof van Justitie worden ingesteld binnen twee maanden na kennisgeving van de beslissing van de kamer van beroep.”
4
Artikel 79 van verordening nr. 207/2009, „Kennisgeving”, thans artikel 98 van verordening 2017/1001, luidt:
„Het Bureau geeft ambtshalve kennis van alle beslissingen en oproepen alsook van mededelingen waardoor een termijn ingaat of waarvan de kennisgeving is voorgeschreven in andere bepalingen van deze verordening of van de uitvoeringsverordening of door de voorzitter van het Bureau.”
Verordening nr. 2868/95
5
Regel 65, lid 2, van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1) bepaalt:
„De voorzitter van het Bureau bepaalt de nadere bijzonderheden van de wijze waarop kennisgeving langs andere technische communicatiemiddelen dient te geschieden.”
Besluit van 26 november 2013
6
Artikel 3 van besluit nr. EX-13‑2 van de voorzitter van het Bureau van 26 november 2013 betreffende elektronische mededelingen van en aan het Bureau (hierna: „besluit van 26 november 2013”), met het opschrift „User Area en andere besloten systemen”, luidt als volgt:
„(1) Het Bureau zal voorzien in een platform voor elektronische communicatie dat gebruikers in staat zal stellen om alle elektronisch beschikbare documenten en kennisgevingen die hun door het Bureau zijn toegestuurd te ontvangen, bekijken, printen en op te slaan, en te antwoorden op kennisgevingen en verzoeken om bestanden en andere documenten. Dit elektronisch platform is een besloten systeem en wordt hierna aangeduid als de ‚User Area’ (gebruikersomgeving).
[...]
(4) De User Area zal de mogelijkheid bieden om alle mededelingen van het Bureau elektronisch te ontvangen. Als de gebruiker voor deze optie kiest zal het Bureau alle kennisgevingen elektronisch toezenden via dit elektronische platform, behoudens wanneer dit om technische redenen onmogelijk is.
[...]”
7
Artikel 4 van dit besluit, „Mededelingen door het Bureau via de User Area”, bepaalt in de leden 1 tot en met 4:
„(1) Zodra de gebruiker de optie voor elektronische mededelingen door het Bureau heeft geactiveerd, zullen in beginsel alle elektronisch beschikbare officiële kennisgevingen door het Bureau via het elektronische platform worden gedaan.
(2) Gebruikers hebben de optie om voor elke via het platform aan hen verstuurde kennisgeving ook een melding te ontvangen. De melding dient er enkel toe om partijen te informeren dat er een document in hun inbox is verschenen; zij vormt geen kennisgeving en heeft geen enkele juridische waarde.
(3) De datum waarop het document in de inbox van een gebruiker is geplaatst wordt door het Bureau geregistreerd en wordt vermeld in de User Area.
(4) Onverminderd de exacte vaststelling van de datum van kennisgeving wordt een kennisgeving geacht te hebben plaatsgevonden op de vijfde kalenderdag na de dag waarop het Bureau het document in de inbox van de gebruiker heeft geplaatst.”
8
Dit besluit is volgens artikel 11 ervan op 2 december 2013 in werking getreden.
9
Het besluit van 26 november 2013 is ingetrokken bij besluit nr. EX‑17‑4 van de uitvoerend directeur van het Bureau van 16 augustus 2017 betreffende elektronische mededelingen (gewijzigd bij besluit nr. EX-18‑1 van 15 mei 2018), dat in werking is getreden op 1 oktober 2017, waarvan artikel 3, lid 4, de bewoordingen van artikel 4, lid 4, van het besluit van 26 november 2013 heeft overgenomen.
Voorgeschiedenis van het geding
10
The Green Effort heeft de rechten verkregen op het woordmerk Formula E (hierna: „bestreden merk”), waarvan de inschrijvingsaanvraag is ingediend op 17 november 2010 krachtens verordening nr. 207/2009.
11
De waren en diensten waarvoor inschrijving is aangevraagd, behoren tot de klassen 25, 38 en 41 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd, en zijn omschreven als volgt:
–
klasse 25: „Kledingstukken”;
–
klasse 38: „Uitzendingen via radio, televisie en satelliet”;
–
klasse 41: „Het organiseren van sportevenementen”.
12
De Uniemerkaanvraag is gepubliceerd op 3 december 2010 en het aangevraagde merk is ingeschreven op 14 maart 2011.
13
Op 15 maart 2016 heeft de Fédération internationale de l’automobile (FIA) krachtens artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001] een vordering tot vervallenverklaring van het bestreden merk ingesteld voor alle waren en diensten, op grond dat het merk gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal was gebruikt.
14
De nietigheidsafdeling van het EUIPO heeft op 21 maart 2016 The Green Effort verzocht om uiterlijk op 21 juni 2016 het bewijs van het normale gebruik van het bestreden merk over te leggen. Omdat het bewijs werd overgelegd op 22 juni 2016, buiten de gestelde termijn, is het niet in aanmerking genomen.
15
Op 27 juli 2016 heeft The Green Effort bij de nietigheidsafdeling van het EUIPO een verzoek om herstel in de vorige toestand ingediend, teneinde te worden hersteld in haar recht om voornoemd bewijs over te leggen.
16
Bij beslissing van 8 september 2016 heeft de nietigheidsafdeling dit verzoek afgewezen en het bestreden merk in zijn geheel vervallen verklaard.
17
Op 5 oktober 2016 heeft The Green Effort bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.
18
Bij de litigieuze beslissing heeft de tweede kamer van beroep van het EUIPO (hierna: „kamer van beroep”) dit beroep verworpen.
19
Ter onderbouwing van haar beslissing heeft de kamer van beroep overwogen dat noch de houdster van het bestreden merk noch haar vertegenwoordiger heeft aangetoond de grootste zorgvuldigheid te hebben betracht met het oog op de inachtneming van de gestelde termijn voor indiening van de documenten ten bewijze van het normale gebruik van het bestreden merk. Zij heeft geoordeeld dat, hoewel het dossier bewijs bevat van herhaalde pogingen van The Green Effort tot het versturen van elektronische mededelingen en faxen aan het EUIPO, al deze mededelingen naar Spaanse tijd zijn ontvangen op 22 juni 2016, te weten na verstrijken van de gestelde termijn, waarbij de daartoe opgegeven redenen niet kunnen worden aangemerkt als „uitzonderlijk”.
20
Bijgevolg heeft de kamer van beroep de beslissing van de nietigheidsafdeling tot afwijzing van het verzoek om herstel in de vorige toestand bevestigd en met betrekking tot de vordering tot vervallenverklaring van het bestreden merk geoordeeld dat bij gebreke van bewijs dat het merk gedurende de relevante periode normaal is gebruikt in de Europese Unie of van aanwijzingen van geldige redenen voor het niet gebruiken, de rechten van The Green Effort in hun geheel nietig moesten worden verklaard en moesten worden geacht sinds 15 maart 2016 geen effect te hebben gesorteerd.
Procedure bij het Gerecht en bestreden beschikking
21
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 december 2017, heeft The Green Effort beroep ingesteld tot vernietiging van de litigieuze beslissing, op grond dat haar verzoek om herstel in de vorige toestand ten onrechte was afgewezen, aangezien het voor haar onmogelijk was om de documenten ten bewijze van het normale gebruik van het bestreden merk toe te zenden wegens technische mankementen van het communicatiesysteem van het EUIPO. The Green Effort heeft eveneens aangevoerd dat de FIA te kwader trouw had gehandeld bij het indienen van de vordering tot vervallenverklaring.
22
Tijdens de procedure bij het Gerecht heeft The Green Effort, naar aanleiding van een verzoek van de griffie om regularisatie wat de mededeling van de datum van kennisgeving van de litigieuze beslissing betreft, geantwoord dat haar op 19 september 2017 van die beslissing kennis was gegeven.
23
Het Gerecht heeft dan ook bij de bestreden beschikking vastgesteld dat op 19 september 2017 kennis was gegeven van de litigieuze beslissing aan The Green Effort, zodat overeenkomstig artikel 58 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de beroepstermijn van artikel 65, lid 5, van verordening nr. 207/2009 was verstreken op 29 november 2017. Aangezien het beroep op 4 december 2017 ter griffie van het Gerecht werd neergelegd, is het te laat ingesteld.
24
Bovendien heeft het Gerecht ook opgemerkt dat The Green Effort noch bewezen noch zelfs gesteld had dat sprake was van toeval of overmacht op grond waarvan van de betrokken termijn kon worden afgeweken op basis van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op de procedure voor het Gerecht van toepassing is ingevolge artikel 53 van dat Statuut.
25
Gelet op deze overwegingen heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusies van partijen voor het Hof
26
The Green Effort verzoekt het Hof:
–
de bestreden beschikking en de litigieuze beslissing te vernietigen;
–
het door haar in eerste aanleg gevorderde toe te wijzen, en
–
het EUIPO en de FIA te verwijzen in de kosten.
27
Het EUIPO en de FIA verzoeken het Hof:
–
de hogere voorziening af te wijzen, en
–
The Green Effort te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
Ontvankelijkheid
28
De FIA betoogt dat de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is, aangezien The Green Effort een feitelijke vaststelling van het Gerecht aangaande de datum van kennisgeving van de litigieuze beslissing betwist. Aangezien hogere voorzieningen bij het Hof alleen rechtsvragen kunnen betreffen, is het Gerecht als enige bevoegd om de feiten vast te stellen en te beoordelen.
29
In dit verband moet worden opgemerkt dat The Green Effort de door het Gerecht vastgestelde datum van kennisgeving van de litigieuze beslissing niet betwist, maar zij het Gerecht verwijt blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de berekening van de termijn voor het instellen van beroep tegen die beslissing.
30
Hieruit volgt dat de hogere voorziening ontvankelijk is.
Ten gronde
31
The Green Effort beroept zich tot staving van haar hogere voorziening om te beginnen op een middel inzake de onjuiste vaststelling door het Gerecht van de aanvangsdatum van de beroepstermijn van artikel 65 van verordening nr. 207/2009, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 4, van het besluit van 26 november 2013. Verder stelt zij aangaande de gegrondheid van de vordering tot vervallenverklaring dat de FIA bij de instelling van die vordering te kwader trouw heeft gehandeld en dat het bewijs van het normale gebruik van het bestreden merk binnen de voorgeschreven termijn aan het EUIPO is overgelegd. Als het EUIPO dit bewijs niet heeft ontvangen, is dat te wijten aan technische mankementen van het communicatiesysteem van het EUIPO, zodat rekwirantes verzoek om herstel in de vorige toestand had moeten worden toegewezen.
Argumenten van partijen
32
Wat het middel inzake de onjuiste vaststelling van de aanvangsdatum van de beroepstermijn betreft, voert The Green Effort aan dat het Gerecht de termijn voor het instellen van beroep tegen de litigieuze beslissing onjuist heeft berekend, aangezien het niet in aanmerking heeft genomen dat overeenkomstig artikel 4, lid 4, van het besluit van 26 november 2013 kennisgeving wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de vijfde kalenderdag na de dag waarop het document in het systeem van het EUIPO is opgenomen.
33
Aangezien de litigieuze beslissing op 19 september 2017 in de inbox van de vertegenwoordiger van The Green Effort is geplaatst, wordt kennisgeving geacht te hebben plaatsgevonden op 25 september 2017, aangezien 24 september 2017 een zondag was. De termijn van twee maanden, verlengd met de termijn wegens afstand van tien dagen, om beroep in te stellen tegen de litigieuze beslissing, verstreek dus op 5 december 2017. Het beroep is ingekomen ter griffie van het Gerecht op 4 december 2017, zodat de bestreden beschikking moet worden vernietigd.
34
Het EUIPO erkent dat de bewoordingen van artikel 4, lid 4, van het besluit van 26 november 2013 niet geheel ondubbelzinnig zijn. Het voert aan dat volgens de uitlegging die voor de berekening van de termijnen in haar eigen administratieve procedures wordt gehanteerd, de zinsnede „onverminderd de exacte vaststelling van de datum van kennisgeving” wordt opgevat als „ongeacht enige andere datum waarop de kennisgeving precies kan worden vastgesteld” of „niettegenstaande enige andere datum waarop de kennisgeving precies kan worden vastgesteld”. Wanneer het EUIPO een document elektronisch ter kennis brengt, neemt het daarom in de termijn die het vaststelt voor elk antwoord of elke volgende procedurele stap automatisch een verlenging van vijf kalenderdagen na de dag van plaatsing van het document in de User Area (het platform voor de uitwisseling van documenten) op.
35
In het onderhavige geval meent het EUIPO echter dat, aangezien The Green Effort in haar antwoord ter rechtzetting van de onregelmatigheden in haar beroep voor het Gerecht heeft gesteld dat kennisgeving van de litigieuze beslissing aan haar is gebeurd op 19 september 2017, de bestreden beschikking niet is aangetast door onregelmatigheden en het Gerecht er dus niet toe gehouden was om te vragen om meer informatie omtrent de wijze van kennisgeving.
36
De FIA meent dat het Gerecht niet was gebonden door het besluit van 26 november 2013, zodat het niet toepassen van de bepalingen ervan de vernietiging van de bestreden beschikking niet kan rechtvaardigen.
Beoordeling door het Hof
37
Uit artikel 65 juncto artikel 79 van verordening nr. 207/2009, waarvan de inhoud in wezen is overgenomen door de artikelen 72 en 98 van verordening 2017/1001, volgt dat beroep kan worden ingesteld bij het Gerecht binnen twee maanden na de datum van kennisgeving van de beslissing van de kamer van beroep.
38
Overeenkomstig regel 65, lid 2, van verordening nr. 2868/95 bepaalt de voorzitter van het Bureau – thans de uitvoerend directeur van het EUIPO – de nadere bijzonderheden van de wijze waarop kennisgeving langs andere technische communicatiemiddelen dan fax dient te geschieden.
39
Derhalve is het besluit van 26 november 2013 toepasselijk in de onderhavige zaak, aangezien het is vastgesteld door de uitvoerend directeur van het EUIPO en het de elektronische mededelingen van en aan het EUIPO, en met name de elektronische verzending van kennisgevingen, regelt.
40
Volgens artikel 4, lid 4, van dat besluit wordt, onverminderd de exacte vaststelling van de datum van kennisgeving, deze geacht te hebben plaatsgevonden op de vijfde kalenderdag na de dag waarop het EUIPO het document in de inbox van de gebruiker heeft geplaatst.
41
In dit verband moet worden opgemerkt dat de bewoordingen van deze bepaling het niet mogelijk maken om eenduidig vast te stellen welke draagwijdte moet worden toegekend aan het begrip „onverminderd” in de zin van die bepaling.
42
De door het EUIPO voorgestelde uitlegging van de zinsnede „onverminderd de exacte vaststelling van de datum van kennisgeving” in artikel 4, lid 4, van het besluit van 26 november 2013 als „niettegenstaande de exacte vaststelling van de datum van kennisgeving” of „ongeacht” de exacte vaststelling van de datum van kennisgeving, vindt echter geen grondslag in de verschillende taalversies van het besluit van 26 november 2013, die op geen enkele wijze afwijken van de term „onverminderd”. Een dergelijke uitlegging zou iedere relevantie ontnemen aan het feit dat in die bepaling wordt verwezen naar de exacte vaststelling van de datum van kennisgeving, aangezien een kennisgeving in alle omstandigheden zou worden geacht te hebben plaatsgevonden op de vijfde kalenderdag na de dag waarop het EUIPO het document in de inbox van de gebruiker heeft geplaatst.
43
Gelet op deze overwegingen moet artikel 4, lid 4, van het besluit van 26 november 2013 aldus worden uitgelegd dat een kennisgeving zal worden geacht te hebben plaatsgevonden op de vijfde kalenderdag na de dag waarop het EUIPO het document in de inbox van de gebruiker heeft geplaatst, tenzij de daadwerkelijke datum van kennisgeving precies kan worden vastgesteld op een andere dag binnen die periode.
44
Een dergelijke uitlegging voldoet aan de uit het rechtszekerheidsbeginsel voortvloeiende vereisten. Zij vermijdt immers dat onbeperkt kan worden opgekomen tegen beslissingen van de kamer van beroep, doordat, indien het betrokken document na plaatsing ervan in de inbox van de gebruiker nooit is geraadpleegd, kennisgeving wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de vijfde kalenderdag na deze plaatsing.
45
Aangezien vaststaat dat de vertegenwoordiger van The Green Effort de litigieuze beslissing heeft geraadpleegd op 19 september 2017, deze heeft gedownload en er op dezelfde dag kennis van heeft genomen, heeft het Gerecht derhalve geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat gelet op de kennisgeving van de litigieuze beslissing op 19 september 2017 de termijn voor het instellen van beroep tegen die beslissing was verstreken op 29 november 2017. Het middel inzake de onjuiste vaststelling van de aanvangsdatum van de beroepstermijn moet derhalve ongegrond worden verklaard.
46
Gelet op alle voorgaande overwegingen hoeven de middelen inzake de gegrondheid van de vordering tot vervallenverklaring en de redenen voor de afwijzing van het verzoek om herstel in de vorige toestand niet te worden onderzocht.
47
Bijgevolg moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Kosten
48
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien The Green Effort in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van het EUIPO en de FIA te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Zesde kamer) verklaart:
1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
The Green Effort wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) en de Fédération internationale de l’automobile (FIA).
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels