Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
3 oktober 2019 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 – Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – Artikel 3, lid 1 – Verjaringstermijn – Verordeningen (EEG) nr. 3887/92 en (EG) nr. 2419/2001 – Geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen – Terugvordering van het onverschuldigd betaalde – Toepassing van een minder strenge regeling inzake verjaring”
In zaak C‑378/18,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland) bij beslissing van 9 mei 2018, ingekomen bij het Hof op 8 juni 2018, in de procedure
Landwirtschaftskammer Niedersachsen
tegen
Reinhard Westphal,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, J. Malenovský en C. G. Fernlund, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Landwirtschaftskammer Niedersachsen, vertegenwoordigd door P. Averbeck als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Hofstötter en D. Triantafyllou als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 mei 2019,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van ten eerste artikel 49, leden 5 en 6, alsook artikel 52 bis van verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB 2001, L 327, blz. 11), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 118/2004 van de Commissie van 23 januari 2004 (PB 2004, L 17, blz. 7; hierna: „verordening nr. 2419/2001”), en, ten tweede, artikel 2, lid 2, alsook artikel 3, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB 1995, L 312, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Reinhard Westphal en de Landwirtschaftskammer Niedersachsen (landbouwkamer van de deelstaat Niedersachsen, Duitsland; hierna: „landbouwkamer”) met betrekking tot de terugvordering van areaalsteun die was verkregen in het kader van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.
Toepasselijke bepalingen
Verordeningen nr. 3887/92 en nr. 2419/2001
3 Artikel 9, lid 2, van verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie van 23 december 1992 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB 1992, L 391, blz. 36), voorzag in verschillende verlagingen van de toegekende steunbedragen wanneer werd vastgesteld dat de aangegeven oppervlakte groter was dan de feitelijk geconstateerde oppervlakte. Zo werd geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter was dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.
4 Artikel 14 van deze verordening bepaalde welke regels van toepassing waren ingeval van onverschuldigde betaling maar bevatte geen verjaringsregeling inzake de terugbetaling van de betrokken bedragen.
5 Verordening nr. 3887/92 is met ingang van 12 december 2001 ingetrokken bij verordening nr. 2419/2001.
6 De in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 vastgestelde maatregelen zijn in essentie overgenomen in artikel 32, lid 1, van verordening nr. 2419/2001.
7 Bij artikel 49 van verordening nr. 2419/2001 zijn als volgt geformuleerde verjaringsregelingen ingevoerd voor de terugbetaling van de betrokken bedragen in geval van onverschuldigde betaling:
„1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente.
[...]
5. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien tussen de datum van betaling van de steun en de datum waarop de begunstigde door de bevoegde instantie ervan in kennis wordt gesteld dat de steun ten onrechte is toegekend, meer dan tien jaar is verstreken.
De in de eerste alinea genoemde periode wordt echter tot vier jaar verkort wanneer de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld.
6. Terugvorderingen ten gevolge van overeenkomstig artikel 13 en titel IV toegepaste kortingen of uitsluitingen verjaren na vier jaar.
[...]”
8 Artikel 52 bis van deze verordening luidt als volgt:
„In afwijking van artikel 54, lid 2, en onverminderd gunstiger bepalingen inzake verjaringstermijnen die door de lidstaten zijn vastgesteld, is het bepaalde in artikel 49, lid 5, ook van toepassing op steunaanvragen voor de verkoopseizoenen en premieperioden die vóór 1 januari 2002 zijn ingegaan, tenzij de begunstigde reeds vóór 1 februari 2004 door de bevoegde autoriteit in kennis is gesteld van het feit dat het betrokken bedrag onverschuldigd is betaald.”
9 Artikel 54 van deze verordening, met als opschrift „Inwerkingtreding”, bepaalt in lid 2 het volgende:
„[Verordening nr. 2419/2001] is van toepassing op steunaanvragen voor verkoopseizoenen of premieperioden die op of na 1 januari 2002 ingaan.
[...]”
Verordening nr. 2988/95
10 In de derde overweging van verordening nr. 2988/95 werd bepaald dat „het [...] van belang is de fraude waardoor de financiële belangen van de [Europese Unie] worden geschaad, op alle beleidsgebieden te bestrijden”.
11 Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2988/95 was als volgt verwoord:
„Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de [Unie] wordt een algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het [Unie]recht aangenomen.”
12 In artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2988/95 werd het volgende bepaald:
„Geen administratieve sanctie kan worden opgelegd dan uit kracht van een aan de onregelmatigheid voorafgegaan [Unie]besluit. In geval van latere wijziging van de bepalingen van een [Unie]besluit waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, worden de minder strenge bepalingen met terugwerkende kracht toegepast.”
13 In artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 werd het volgende vastgesteld:
„De verjaringstermijn van de vervolging bedraagt vier jaar vanaf de datum waarop de in artikel 1, lid 1, bedoelde onregelmatigheid is begaan. De [sectorale] regelingen kunnen echter een kortere termijn bepalen, die niet minder dan drie jaar mag bedragen.
Voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd. Bij meerjarige programma’s loopt de verjaringstermijn in elk geval tot de dag waarop het programma definitief wordt afgesloten.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 Westphal, een landbouwer, heeft in 2000 en 2001 voor de op deze jaren betrekking hebbende verkoopseizoenen steunaanvragen „oppervlakten” ingediend in het kader van de steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.
15 De landbouwkamer heeft deze steun toegekend en de desbetreffende betalingen zijn in de loop van deze jaren verricht.
16 Tijdens een controle ter plaatse in januari 2006 zijn onregelmatigheden vastgesteld in de gegevens over de braakgelegde oppervlakten. Na Westphal te hebben gehoord, heeft de landbouwkamer op 23 juli 2007 een besluit vastgesteld waarbij de toekenningsbesluiten voor de twee betrokken jaren gedeeltelijk werden ingetrokken en het te veel betaalde bedrag werd teruggevorderd. Dit terug te betalen bedrag is berekend overeenkomstig de sanctie voor overdeclaratie van de braakgelegde oppervlakten, die inhield dat in het geheel geen steun had mogen worden verleend.
17 Tegen dit besluit heeft Westphal beroep ingesteld. Het beroepsgerecht heeft het besluit van de landbouwkamer van 23 juli 2007 vernietigd voor zover het betrekking had op het als sanctie terug te betalen bedrag. Dit gerecht erkende weliswaar dat deze sanctie gerechtvaardigd was bij toepassing van artikel 9, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 3887/92, maar het heeft geoordeeld dat op grond van het beginsel van de retroactieve toepassing van de mildere sanctienorm, zoals vastgelegd in artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95, de verjaringsregelingen van artikel 49, leden 5 en 6, van verordening nr. 2419/2001, van toepassing waren.
18 Hieruit heeft dat beroepsgerecht afgeleid dat de opgelegde sanctie was verjaard omdat meer dan vier jaar was verstreken tussen de betaling van de desbetreffende steun en de datum waarop aan de aanvrager werd meegedeeld dat de steun ten onrechte was toegekend. Door de toepassing van de verjaringsregelingen van artikel 49 van verordening nr. 2419/2001 was het derhalve mogelijk om tot minder bezwarende gevolgen te komen dan het geval zou zijn geweest bij de normaal gesproken toepasselijke regeling, namelijk artikel 3, lid 1, tweede alinea, eerste volzin, van verordening nr. 2988/95. Overeenkomstig deze laatste bepaling zou de verjaringstermijn immers zijn gaan lopen vanaf de dag in 2004 waarop de onregelmatigheid was geëindigd, zodat de sanctie niet zou zijn verjaard op de dag waarop de aanvrager ervan op de hoogte werd gesteld dat zijn aanvragen onregelmatig waren.
19 De landbouwkamer heeft beroep tot Revision ingesteld tegen de uitspraak van de beroepsrechter.
20 Het Bundesverwaltungsgericht (hoogste federale bestuursrechter, Duitsland) merkt als verwijzende rechter op dat de beroepsrechter artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001, aldus heeft uitgelegd dat het lid 5 van dit artikel aanvult en dat de uitvoeringsbepalingen in dit laatste lid, met name die over het moment waarop de verjaringstermijn aanvangt, eveneens van toepassing zijn in het kader van lid 6.
21 Aangezien deze bepalingen van verordening nr. 2988/95 evenwel van sectoroverstijgende betekenis zijn en gelet op het feit dat artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 geen verduidelijking bevat over het tijdstip waarop de verjaringstermijn aanvangt, betwijfelt de verwijzende rechter in dit verband of artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 moet worden toegepast.
22 Ingeval artikel 3, lid 1, niet van toepassing is, vraagt de verwijzende rechter zich af of de in het onderhavige geval toepasselijke verjaringsregelingen bestaan in bepalingen waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95, zodat zij onder het beginsel van retroactieve toepassing van de mildere sanctienorm kunnen vallen. De verwijzende rechter is om te beginnen van oordeel dat het beginsel van de retroactieve toepassing van de mildere sanctienorm alleen betrekking heeft op materiële wetswijzigingen en dat verjaringsregelingen hiervan zijn uitgesloten. Aangezien dit beginsel is gebaseerd op billijkheidsoverwegingen, moet voorts worden erkend dat de wetgever, door een mildere verjaringsregeling vast te stellen, noodzakelijkerwijs een herbeoordeling heeft uitgevoerd en dat een differentiatie in de tijd met betrekking tot de toepasselijkheid van deze regel derhalve niet noodzakelijk is.
23 Luidt het antwoord negatief, dan vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 52 bis van verordening nr. 2419/2001, waarin is voorzien in de retroactieve toepassing van de in artikel 49, lid 5, van deze verordening opgenomen verjaringsregeling, naar analogie ook kan worden toegepast op artikel 49, lid 6, van deze verordening. Volgens de verwijzende rechter volgt uit de bewoordingen van artikel 52 bis van verordening nr. 2419/2001 dat voor de toepassing van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 geen specifieke regeling nodig is en dat door artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95 wordt gewaarborgd dat het systeem coherent is. Indien dit evenwel niet het geval is, moet de daardoor ontstane leemte in de regelgeving worden opgevuld aan de hand van een analoge redenering.
24 In deze omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Begint de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 te lopen met de betaling van de steun of wordt het begin van deze verjaringstermijn bepaald door artikel 3, lid 1, in dit geval de tweede alinea, eerste volzin, van verordening nr. 2988/95?
2) Zijn de verjaringsregelingen van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 en van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 bepalingen waarin administratieve sancties zijn vastgesteld, zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, tweede volzin, van verordening nr. 2988/95?
3) Kan de in artikel 52 bis van verordening nr. 2419/2001 neergelegde regeling inzake de retroactieve toepassing van de verjaringsregeling van artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001 overeenkomstig worden toegepast op artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001?
Ingeval artikel 3, lid 1, tweede alinea, eerste volzin, van verordening nr. 2988/95 van toepassing is (eerste vraag), hoeven de volgende vragen niet te worden beantwoord. Ingeval dit artikel niet van toepassing is, is de derde vraag zonder voorwerp indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord.”
Eerste vraag
25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 aldus moet worden uitgelegd dat het daarin voorziene moment waarop de verjaringstermijn aanvangt gelijk is aan het moment dat is vastgelegd in artikel 49, lid 5, van deze verordening, wat wil zeggen dat deze overeenkomt met de datum van betaling van de steun, of dat dit moment overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 moet worden vastgesteld op de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd.
26 Vooraf zij eraan herinnerd dat in verordening nr. 2988/95, overeenkomstig artikel 1 ervan, een „algemene regeling inzake homogene controles en administratieve maatregelen en sancties met betrekking tot onregelmatigheden ten aanzien van het [Unie]recht” wordt ingevoerd en wel, zoals uit de derde overweging van de considerans van deze verordening blijkt, teneinde „fraude waardoor de financiële belangen van de [Unie] worden geschaad, op alle beleidsgebieden te bestrijden” (arresten van 11 juni 2015, Pfeifer & Langen, C‑52/14, EU:C:2015:381, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 2 maart 2017, Glencore Céréales France, C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 23).
27 Met de vaststelling van deze verordening heeft de Uniewetgever een aantal algemene beginselen ingesteld en geëist dat alle sectorale regelingen die beginselen eerbiedigen (zie in die zin arresten van 11 maart 2008, Jager, C‑420/06, EU:C:2008:152, punt 61, en 28 oktober 2010, SGS Belgium e.a., C‑367/09, EU:C:2010:648, punt 37).
28 Bovendien heeft de Uniewetgever met de vaststelling van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 besloten een ter zake toepasselijke algemene verjaringsregeling in te voeren, waarmee hij enerzijds een in alle lidstaten toegepaste minimumtermijn wilde vaststellen en anderzijds wilde afzien van de mogelijkheid om de onregelmatigheid waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschonden na het verstrijken van een periode van vier jaar na het begaan van deze onregelmatigheid te vervolgen (arresten van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht‑, Kühl‑ und Zerlegebetrieb e.a., C‑278/07–C‑280/07, EU:C:2009:38, punt 27, en 22 december 2010, Corman, C‑131/10, EU:C:2010:825, punt 39).
29 Hieruit volgt dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vanaf de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 2988/95 elke onregelmatigheid die de financiële belangen van de Unie schendt in beginsel en behoudens sectoren waarvoor de wetgever van de Unie een kortere termijn heeft voorzien, kunnen vervolgen binnen een termijn van vier jaar (arresten van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht‑, Kühl‑ und Zerlegebetrieb e.a., C‑278/07–C‑280/07, EU:C:2009:38, punt 28, en 22 december 2010, Corman, C‑131/10, EU:C:2010:825, punt 40).
30 Artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95 stelt voor de vervolging een verjaringstermijn vast die begint te lopen vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan, waaronder volgens artikel 1, lid 2, van deze verordening wordt verstaan, „elke inbreuk op het [Unie]recht [...] die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de [Unie] [...] [wordt] of [zou] kunnen worden benadeeld” (zie in die zin arresten van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht‑, Kühl‑ und Zerlegebetrieb e.a., C‑278/07–C‑280/07, EU:C:2009:38, punten 21 en 22, en 22 december 2010, Corman, C‑131/10, EU:C:2010:825, punt 38).
31 Deze termijn is derhalve van toepassing op zowel onregelmatigheden die het voorwerp zijn van een administratieve maatregel waarbij overeenkomstig artikel 4 van deze verordening het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen als op onregelmatigheden die leiden tot oplegging van een administratieve sanctie, in de zin van artikel 5 van deze verordening (zie in die zin arrest van 11 juni 2015, Pfeifer & Langen, C‑52/14, EU:C:2015:381, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 2 maart 2017, Glencore Céréales France, C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 26).
32 Volgens artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95, begint de verjaringstermijn van de vervolging te lopen vanaf het moment waarop de onregelmatigheid is begaan. Volgens artikel 3, lid 1, tweede alinea, van die verordening begint deze verjaringstermijn van vier jaar voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden te lopen vanaf de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd.
33 Aangezien alleen sprake kan zijn van een onregelmatigheid indien twee voorwaarden zijn vervuld – namelijk een handeling of nalaten waardoor het recht van de Unie wordt geschonden en schade voor de begroting van de Unie – begint de verjaringstermijn bijgevolg te lopen vanaf het ogenblik waarop ofwel deze handeling c.q. dit nalaten waardoor het recht van de Unie wordt geschonden, ofwel de schade voor de begroting van de Unie, hebben plaatsgevonden waarbij de verjaringstermijn volgens de rechtspraak van het Hof altijd aanvangt op de datum van de als laatste plaatshebbende gebeurtenis (zie in die zin arresten van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und ‑export, C‑59/14, EU:C:2015:660, punten 24‑26, en 2 maart 2017, Glencore Céréales France, C‑584/15, EU:C:2017:160, punt 47).
34 Aan de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, eerste volzin, van verordening nr. 2988/95 vervatte regel waarbij de verjaringstermijn van vier jaar is vastgesteld, die rechtstreeks van toepassing is in de lidstaten, kan overigens enkel worden voorbijgegaan via een sectorale regeling in de zin van artikel 3, lid 1, eerste alinea, tweede volzin van deze verordening, wanneer deze sectorale regeling een kortere termijn bepaalt, die echter niet minder mag bedragen dan drie jaar (zie in die zin arresten van 29 januari 2009, Josef Vosding Schlacht‑, Kühl‑ und Zerlegebetrieb e.a., C‑278/07–C‑280/07, EU:C:2009:38, punt 44, en 22 december 2010, Corman, C‑131/10, EU:C:2010:825, punt 42).
35 Het is in het licht van deze overwegingen en rekening houdend met de rechtspraak van het Hof volgens welke het Hof voor het bepalen van de draagwijdte van bepalingen van Unierecht zowel de bewoordingen en de context als de doelstellingen van deze bepalingen in aanmerking moet nemen (arrest van 6 oktober 2015, Firma Ernst Kollmer Fleischimport und -export, C‑59/14, EU:C:2015:660, punt 22), dat de voorgelegde vraag dient te worden beantwoord.
36 In het onderhavige geval bevatte de in het hoofdgeding aanvankelijk toepasselijke sectorale Unieregeling, namelijk verordening nr. 3887/92, weliswaar geen specifieke bepalingen inzake verjaring, maar na de intrekking van die verordening bij verordening nr. 2419/2001 zijn sectorale verjaringsregelingen tot stand gekomen.
37 Aldus is het juist dat uit de bewoordingen van artikel 49, lid 5, van verordening 2419/2001 volgt dat de bij onverschuldigde betaling geldende terugbetalingsplicht van de ontvanger die te goeder trouw heeft gehandeld, verjaart nadat vier jaar is verstreken tussen de datum van betaling van de steun en de datum waarop de begunstigde door de bevoegde instantie ervan in kennis wordt gesteld dat de steun ten onrechte is toegekend.
38 Ongeacht de vraag of deze bepaling een sectorale uitzonderingsregeling vormt in de zin van de tweede volzin van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 2988/95, dient te worden geconstateerd dat met deze bepaling een vereenvoudiging is ingevoerd ten opzichte van de wijze waarop volgens dit artikel 3, lid 1, moest worden vastgesteld op welk moment de verjaringstermijn aanving, aangezien deze termijn ten eerste niet meer wordt berekend vanaf de datum waarop de onregelmatigheid is begaan, maar vanaf de dag van betaling en ten tweede geen onderscheid meer hoeft te worden gemaakt tussen eenmalige en voortdurende onregelmatigheden.
39 Daarentegen bevatten de bewoordingen van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 geen aanwijzing waaruit een dergelijke vereenvoudiging valt af te leiden voor de vaststelling van het moment waarop de verjaring aanvangt voor bedragen die teruggevorderd worden op grond van de toepassing van de kortingen en uitsluitingen van artikel 13 en titel IV van deze verordening.
40 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat artikel 49, lid 5, van verordening nr. 2419/2001, weliswaar geldt voor elke terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen, maar dat de werkingssfeer van lid 6 van dit artikel uitdrukkelijk beperkt is tot terugbetalingen die een bestuurlijke sanctie vormen, zoals het geheel of gedeeltelijk ontnemen van een toegekend voordeel en de uitsluiting of intrekking van een voordeel voor een volgende periode.
41 In deze omstandigheden, en gelet op de formulering van artikel 49, leden 5 en 6, van verordening nr. 2419/2001, moet lid 6 van dit artikel worden beschouwd als een uitzondering op de nieuwe berekeningsregel van lid 5 van dit artikel.
42 Bijgevolg moet het moment waarop de verjaringstermijn van vier jaar van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 aanvangt, worden bepaald overeenkomstig de basisregeling, dat wil zeggen de regeling van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95.
43 Deze gevolgtrekking strookt niet alleen met de doelstelling van verordening nr. 2988/95 die, zoals in punt 26 van dit arrest is vermeld, ertoe strekt de financiële belangen van de Unie te beschermen, maar ook met de doelstelling van verordening nr. 2419/2001.
44 Verordening nr. 2419/2001 beoogt immers onregelmatigheden en fraude te bestrijden in het kader van de toepassing van de verschillende steunregelingen die behoren tot het geïntegreerde systeem, teneinde de financiële belangen van de Unie doeltreffend te beschermen. Ter verwezenlijking van die doelstelling voorziet die verordening in kortingen en uitsluitingen die gedifferentieerd zijn naar de ernst van de in de steunaanvraag begane onregelmatigheid en kunnen gaan tot algehele uitsluiting van een of meerdere steunregelingen gedurende de desbetreffende termijn (arrest van 2 oktober 2014, Van Den Broeck, C‑525/13, EU:C:2014:2254, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Juist die situatie doet zich voor in het onderhavige geval. Het is namelijk om deze doelstelling te bereiken dat artikel 9, lid 2, van verordening nr. 3887/92 – op grond waarvan de door Westphal betwiste terugbetalingen aan hem zijn opgelegd en dat inhoudelijk in essentie is overgenomen in artikel 32, lid 1, van verordening nr. 2419/2001 – voor het geval dat de in de steunaanvraag „oppervlakten” aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een controle geconstateerde oppervlakte, voorziet in sancties die bestaan in kortingen en uitsluitingen van de Uniesteun, waarvan de zwaarte verschilt naargelang van de ernst van de begane onregelmatigheid (arrest van 4 oktober 2007, Kruck, C‑192/06, EU:C:2007:579, punt 35).
46 Een uitlegging van artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001 volgens welke de verjaringstermijn voor de terugbetaling van steun die wordt gevorderd wegens handelingen waarop door hun kennelijk wederrechtelijke karakter sancties rusten, op dezelfde wijze zou worden berekend als de verjaringstermijn die geldt voor handelingen die slechts aanleiding geven tot de loutere verplichting tot terugbetaling van de steun, beantwoordt dan ook niet aan het doel van een sanctiestelsel dat voldoende afschrikkend en doeltreffend wil zijn om de op het gebied van steunaanvragen „oppervlakten” begane onregelmatigheden en fraude te bestrijden (zie in die zin arrest van 2 oktober 2014, Van Den Broeck, C‑525/13, EU:C:2014:2254, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 49, lid 6, van verordening nr. 2419/2001, aldus moet worden uitgelegd dat het daarin voorziene moment waarop de verjaringstermijn aanvangt, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2988/95 en voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden overeenkomt met de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd.
Tweede en derde vraag
48 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
49 Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 49, lid 6, van verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 118/2004 van de Commissie van 23 januari 2004, moet aldus worden uitgelegd dat het daarin voorziene moment waarop de verjaringstermijn aanvangt, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, en voor voortdurende of voortgezette onregelmatigheden overeenkomt met de dag waarop de onregelmatigheid is geëindigd.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.