28.5.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 182/9
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Arbeidsrechtbank Antwerpen (België) op 19 februari 2018 — Maria Vester tegen Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (Riziv)
(Zaak C-134/18)
(2018/C 182/09)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Arbeidsrechtbank Antwerpen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Maria Vester
Verweerder: Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (Riziv)
Prejudiciële vraag
Worden de artikelen 45 en 48 van het Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) geschonden, wanneer de laatst bevoegde lidstaat bij aanvang van arbeidsongeschiktheid, na afloop van een wachttijd van 52 weken arbeidsongeschiktheid, tijdens dewelke ziekte-uitkeringen werden toegekend, het recht op invaliditeitsuitkering weigert op basis van artikel 57 van verordening (EG) nr. 883/2004 (1) van 29 april 2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, en de andere, niet laatst bevoegde lidstaat voor het onderzoek van het recht op een geprorateerde invaliditeitsuitkering een wachttijd van 104 weken hanteert overeenkomstig het nationale recht van deze lidstaat?
Is het in dat geval verstaanbaar met het recht op vrij verkeer dat de betrokkene tijdens dit wachttijdengat wordt aangewezen op sociale bijstand, of verplichten de artikelen 45 en 48 VWEU de niet laatst bevoegde staat ertoe om het recht op invaliditeitsuitkeringen te onderzoeken na afloop van de wachttijd onder de wetgeving van de laatst bevoegde staat, ook al staat het nationale recht van de niet laatst bevoegde lidstaat dit niet toe?
(1) PB 2004, L 166, blz. 1
Full & Egal Universal Law Academy