Zaak C-193/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberverwaltungsgericht für das Land Nordrhein-Westfalen (Duitsland) op 19 maart 2018 — Google LLC / Bundesrepublik Deutschland
C2112018NL1410120180319NL0017141152
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberverwaltungsgericht für das Land Nordrhein-Westfalen (Duitsland) op 19 maart 2018 — Google LLC / Bundesrepublik Deutschland
(Zaak C-193/18)2018/C 211/17Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberverwaltungsgericht für das Land Nordrhein-Westfalen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Google LLC
Verwerende partij: Bundesrepublik Deutschland
Prejudiciële vragen
1)
Dient het begrip „dienst die geheel of hoofdzakelijk bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische-communicatienetwerken” in artikel 2, onder c), van kaderrichtlijn 2002/21/EG ( 1 ) aldus te worden uitgelegd dat het ook webgebaseerde e-maildiensten omvat of kan omvatten die via het open internet ter beschikking worden gesteld en die zelf geen toegang tot internet verschaffen?
a)
Dient dit begrip meer in het bijzonder aldus te worden uitgelegd dat reeds de verwerking door middel van informatietechnologie die de aanbieder van een dergelijke e-maildienst via zijn e-mailservers verricht doordat hij de IP-adressen van de betrokken fysieke verbindingen aan de e-mailadressen toewijst en de in datapakketten opgedeelde e-mails op basis van verschillende internetprotocollen op het open internet plaatst of — omgekeerd — dergelijke e-mails ontvangt, reeds als het „overbrengen van signalen” dient te worden beschouwd of geschiedt het „overbrengen van signalen” pas wanneer de internet (access) provider deze datapakketten via het internet doorstuurt?
b)
Dient dit begrip meer in het bijzonder aldus te worden uitgelegd dat wanneer de internet (access) provider de in datapakketten opgedeelde e-mails via het open internet doorstuurt, dat doorsturen aan de aanbieder van een dergelijke e-maildienst kan worden toegerekend, zodat ook deze in zoverre een dienst verstrekt die bestaat in het „overbrengen van signalen”? Onder welke voorwaarden is in voorkomend geval een dergelijke toerekening mogelijk?
c)
Voor het geval dat de aanbieder van een dergelijke e-maildienst zelf signalen overbrengt of hem in elk geval de overbrenging van signalen door de internet (access) provider kan worden toegerekend: kan het begrip meer in het bijzonder aldus worden uitgelegd dat een dergelijke e-maildienst, ongeacht eventuele aanvullende functies van de dienst zoals het bewerken, opslaan en sorteren van e-mails of het beheren van contactgegevens en ongeacht de technische inspanning van de aanbieder met betrekking tot de verschillende functies, ook „geheel of hoofdzakelijk” bestaat in het overbrengen van signalen, aangezien functioneel beschouwd vanuit het perspectief van de gebruiker de communicatiefunctie van de dienst op de voorgrond staat?
2)
Voor het geval dat het in punt 1 genoemde begrip aldus dient te worden uitgelegd dat het in beginsel geen e-maildiensten omvat die via het open internet ter beschikking worden gesteld en die zelf geen toegang tot internet verschaffen: kunnen de criteria voor dit begrip bij wijze van uitzondering toch vervuld zijn wanneer de aanbieder van een dergelijke dienst tegelijk een aantal eigen, op het internet aangesloten elektronische-communicatienetwerken exploiteert die in ieder geval ook voor de doeleinden van de e-maildienst kunnen worden gebruikt? Onder welke voorwaarden is dit in voorkomend geval mogelijk?
3)
Hoe dient het criterium „gewoonlijk tegen vergoeding aangeboden” in artikel 2, onder c), van kaderrichtlijn 2002/21/EG te worden uitgelegd?
a)
Is in het bijzonder vereist dat de gebruiker van de dienst daarvoor een bijdrage betaalt of kan de vergoeding er ook in bestaan dat de gebruiker een andere tegenprestatie levert die voor de aanbieder van de dienst van economisch belang is, bijvoorbeeld doordat de gebruiker actief persoonsgegevens of andere gegevens ter beschikking stelt of doordat deze gegevens door de aanbieder van de dienst op andere wijze bij het gebruik van de dienst worden vastgelegd?
b)
Is meer in het bijzonder vereist dat de vergoeding dient te worden betaald door degene te wiens behoeve de dienst wordt verricht, of kan ook gedeeltelijke of volledige financiering van de dienst door derden, bijvoorbeeld uit reclame op de website van de aanbieder, volstaan?
c)
Heeft, meer in het bijzonder, het begrip „gewoonlijk” in deze samenhang betrekking op de omstandigheden waarin de aanbieder van een concrete dienst deze dienst aanbiedt, of op de omstandigheden waarin identieke of vergelijkbare diensten in het algemeen worden aangeboden?
( 1 ) Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn) (PB 2002, L 108, blz. 33).
Full & Egal Universal Law Academy