Zaak C-269/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 19 april 2018 — Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, J, S, andere partijen: C, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
C2762018NL1620120180419NL0024162172
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad van State (Nederland) op 19 april 2018 — Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, J, S, andere partijen: C, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
(Zaak C-269/18)2018/C 276/24Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers: Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, J, S
Andere patijen: C, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
Prejudiciële vragen
1)
In het geval dat een beslissingsautoriteit een verzoek om internationale bescherming als kennelijk ongegrond heeft afgewezen in de zin van artikel 46, zesde lid, onder a, van richtlijn 2013/32/EU ( 1 ) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (herschikking) (PB 2013, L 180) en het beroep daartegen bij een rechterlijke instantie krachtens nationaal recht geen automatisch schorsende werking heeft, moet artikel 46, achtste lid, van deze richtlijn dan aldus worden uitgelegd dat het louter indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening tot gevolg heeft dat de verzoeker niet langer illegaal verblijf heeft op het grondgebied van de lidstaat als bedoeld in artikel 3 van richtlijn 2008/115/EG ( 2 ) van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348) en hij daarom valt onder de reikwijdte van richtlijn 2013/33/EU ( 3 ) van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) (PB 2013, L 180)?
2)
Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang dat het nationale recht — gelet op het beginsel van non-refoulement — erin voorziet dat de verzoeker niet zal worden verwijderd voordat een rechterlijke instantie op verzoek heeft beslist dat het beroep tegen de beslissing tot afwijzing van internationale bescherming niet mag worden afgewacht?
( 1 ) PB 2013, L 180, blz. 60.
( 2 ) PB 2008, L 348, blz. 98.
( 3 ) PB 2013, L 180, blz. 96.
Full & Egal Universal Law Academy