Zaak C-271/18 P: Hogere voorziening ingesteld op 19 april 2018 door de Slowaakse Republiek tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 5 februari 2018 in zaak T-216/15, Dôvera zdravotná poisťovňa / Commissie
C2592018NL2010120180419NL0029201212
Hogere voorziening ingesteld op 19 april 2018 door de Slowaakse Republiek tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 5 februari 2018 in zaak T-216/15, Dôvera zdravotná poisťovňa / Commissie
(Zaak C-271/18 P)2018/C 259/29Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Slowaakse Republiek (vertegenwoordiger: B. Ricziová)
Andere partijen in de procedure: Dôvera zdravotná poisťovňa, a.s., Union zdravotná poisťovňa, a.s., Europese Commissie
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht van 5 februari 2018 in de zaak T-216/15, Dôvera zdravotná poisťovňa, a. s./Europese Commissie, waarbij het Gerecht het beroep van Dôvera zdravotná poisťovňa a.s. heeft toegewezen, vernietigen;
—
het beroep van Dôvera zdravotná poisťovňa a.s. ongegrond verklaren;
—
Dôvera zdravotná poisťovňa a.s. en Union zdravotná poisťovňa, a.s. verwijzen in de kosten.
Subsidiair, indien het Hof zou oordelen dat het niet over voldoende informatie beschikt om het geschil definitief te beslechten, verzoekt de Slowaakse Republiek het Hof:
—
het arrest van het Gerecht van 5 februari 2018 in de zaak T-216/15, Dôvera zdravotná poisťovňa a. s./ Europese Commissie, waarbij het Gerecht het beroep van Dôvera zdravotná poisťovňa a.s. heeft toegewezen, te vernietigen;
—
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor uitspraak over het geschil;
—
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Slowaakse Republiek vier middelen aan die de vernietiging van het bestreden arrest van het Gerecht rechtvaardigen:
1.
In het kader van het eerste middel voert de Slowaakse Republiek aan dat het Gerecht in het bestreden arrest de bevoegdheden heeft overschreden die het geniet op het vlak van rechterlijke toetsing van besluiten van de Europese Commissie inzake staatssteun. De desbetreffende vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is ondubbelzinnig en is volgens de Slowaakse Republiek in casu niet geëerbiedigd. De Slowaakse Republiek betoogt dat het Gerecht in het bestreden arrest de ruime beoordelingsmarge waarover de Commissie op het gebied van complexe economische vraagstukken beschikt, niet heeft geëerbiedigd en niet heeft aangetoond dat de Europese Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling, maar de beoordeling van de Europese Commissie eenvoudigweg heeft vervangen door zijn eigen beoordeling, die daar diametraal tegengesteld aan was, zodat het Gerecht zijn toetsingsbevoegdheid heeft overschreden.
2.
In het kader van het tweede middel voert de Slowaakse Republiek aan dat het Gerecht in het bestreden arrest de overgelegde bewijzen vanuit twee oogpunten onjuist heeft opgevat, aangezien het de feiten fundamenteel onjuist heeft opgevat en die onjuistheden duidelijk blijken uit de documenten in het dossier. De gestelde onjuiste opvatting van de bewijzen betreft ten eerste het winstcriterium en ten tweede het criterium van mededinging in het Slowaakse stelsel van de verplichte ziekteverzekering.
3.
In het kader van het derde middel voert de Slowaakse Republiek aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de juridische kwalificatie van het Slowaakse stelsel van de verplichte ziekteverzekering en aldus artikel 107, lid 1, VWEU en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Het bestreden arrest is onverenigbaar met de eerdere rechtspraak van het Hof inzake socialezekerheidsstelsels. In het bijzonder heeft het Gerecht (i) uitspraak gedaan in een zin die tegengesteld is aan die welke het Hof in eerdere uitspraken in vergelijkbare zaken heeft gevolgd; (ii) uitspraak gedaan in dezelfde zin als die welke het Hof heeft gevolgd in eerdere uitspraken in van de onderhavige zaak verschillende zaken en (iii) het grondbeginsel van de eerdere rechtspraak van het Hof volgens hetwelk de kwalificatie van een specifiek socialezekerheidsstelsel gebeurt op basis van de belangrijkste kenmerken ervan, niet heeft geëerbiedigd.
4.
Ten slotte voert de Slowaakse Republiek in het kader van het vierde middel aan dat de motivering van het bestreden arrest meerdere tekortkomingen vertoont die rechtvaardigen dat het Hof van Justitie dit arrest vernietigt. In het bijzonder wordt aangevoerd dat (i) het Gerecht een aantal van zijn conclusies en zienswijzen (die bovendien bepalend waren), helemaal niet heeft uiteengezet (ii) de motivering van het bestreden arrest op meerdere punten onsamenhangend is en het Gerecht zich in die motivering tegenspreekt (iii) het Gerecht in de motivering van het bestreden arrest geen rekening heeft gehouden met de relevante argumenten van de Commissie en van de Slowaakse Republiek. Het Gerecht heeft derhalve de motiveringsplicht geschonden die is neergelegd in artikel 36 van het Statuut van het Hof van Justitie, juncto artikel 53, lid 1, van dat Statuut.
Full & Egal Universal Law Academy