Zaak C-274/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeits- und Sozialgericht Wien (Oostenrijk) op 23 april 2018 — Minoo Schuch-Ghannadan / Medizinische Universität Wien
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Arbeits- und Sozialgericht Wien (Oostenrijk) op 23 april 2018 — Minoo Schuch-Ghannadan / Medizinische Universität Wien
(Zaak C-274/18)
2018/C 285/30Procestaal: DuitsVerwijzende rechter
Arbeits- und Sozialgericht Wien
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Minoo Schuch-Ghannadan
Verwerende partij: Medizinische Universität Wien
Prejudiciële vragen
1)
Vindt het pro rata temporis-beginsel in clausule 4, onder 2), van de kaderovereenkomst in de bijlage bij richtlijn 97/81/EG ( 1 ) van de Raad van 15 december 1997 betreffende de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, in samenhang met het beginsel van gelijke behandeling in clausule 4, onder 1), toepassing op een wettelijke regeling volgens welke de totale duur van onmiddellijk opeenvolgende arbeidsverhoudingen van een werkneemster of werknemer van een Oostenrijkse universiteit die in het kader van extern gefinancierde projecten of onderzoeksprojecten in dienst is genomen, voor voltijdwerk(st)ers zes jaar, maar bij deeltijdwerk acht jaar bedraagt, en die bovendien een eenmalige verlenging van deze arbeidsverhouding toelaat tot en met tien jaar voor voltijdwerkers en tot en met twaalf jaar voor deeltijdwerkers indien daarvoor een objectieve rechtvaardiging kan worden aangevoerd, in het bijzonder de voortzetting of voltooiing van onderzoeksprojecten of publicaties?
2)
Is een wettelijke regeling zoals beschreven in de eerste prejudiciële vraag aan te merken als een indirecte discriminatie op grond van geslacht in de zin van artikel 2, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) wanneer onder alle werknemers op wie deze regeling toepassing vindt een aanzienlijk hoger percentage vrouwelijke dan mannelijke werknemers wordt geraakt?
3)
Moet artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54/EG ( 2 ) van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) aldus worden uitgelegd dat een vrouw die aanvoert dat zij binnen de werkingssfeer van een wettelijke regeling — zoals beschreven in de eerste prejudiciële vraag — indirect op grond van geslacht wordt gediscrimineerd aangezien aanzienlijk meer vrouwen dan mannen deeltijdwerk verrichten, deze omstandigheid, en in het bijzonder de statistisch aanzienlijk hogere mate waarin vrouwen worden geraakt, aan de hand van concreet statistisch cijfermateriaal moet onderbouwen en met afdoende bewijzen aannemelijk moet maken?
( 1 ) PB 1998, L 14, blz. 9.
( 2 ) PB 2006, L 204, blz. 23.