Zaak C-310/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (Bulgarije) op 11 mei 2018 — Strafzaak tegen Emil Milev
C2682018NL2410120180511NL0030241252
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (Bulgarije) op 11 mei 2018 — Strafzaak tegen Emil Milev
(Zaak C-310/18)2018/C 268/30Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Spetsializiran nakazatelen sad
Partijen in de strafzaak
Strafzaak tegen: Emil Milev
Prejudiciële vragen
1)
Is nationale rechtspraak die de handhaving van een dwangmaatregel van „voorlopige hechtenis” (vier maanden na de arrestatie van de verdachte) afhankelijk stelt van het bestaan van een „redelijke verdenking”, waarbij alleen „op het eerste gezicht” wordt vastgesteld dat de verdachte het aan de orde zijnde strafbare feit heeft kunnen begaan, verenigbaar met artikel 3, artikel 4, lid 1, tweede zin, artikel 10, overweging 16, vierde en vijfde zin, en overweging 48, van richtlijn 2016/343 ( 1 ) alsook met de artikelen 47 en 48 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie]?
Indien dat niet het geval is, is nationale rechtspraak die onder „redelijke verdenking” verstaat dat de verdachte het aan de orde zijnde strafbare feit met grote waarschijnlijkheid heeft begaan, verenigbaar met de bovenvermelde bepalingen?
2)
Is nationale rechtspraak die van de rechter vereist dat hij zijn beslissing inzake een verzoek tot wijziging van een reeds vastgestelde dwangmaatregel van „voorlopige hechtenis” motiveert zonder de belastende en ontlastende bewijzen te vergelijken, ook al heeft de advocaat van de verdachte argumenten in die zin aangevoerd, waarbij de enige reden voor deze beperking is dat de rechter onpartijdig moet blijven voor het geval deze zaak hem voor het onderzoek ten gronde zou worden toegewezen, verenigbaar met artikel 4, lid 1, tweede zin, artikel 10, overweging 16, vierde en vijfde zin, en overweging 48, van richtlijn 2016/343 alsook met artikel 47 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie]?
Indien dat niet het geval is, is nationale rechtspraak volgens welke de rechter de bewijzen gedetailleerder en nauwkeuriger onderzoekt en een duidelijk antwoord geeft op de argumenten van de advocaat van de verdachte, ook al neemt hij zo het risico noch de zaak te kunnen onderzoeken noch een definitieve beslissing over de schuld te kunnen nemen indien die zaak hem voor het onderzoek ten gronde zou worden toegewezen, waardoor een andere rechter deze zaak ten gronde zou moeten onderzoeken, verenigbaar met de bovenvermelde bepalingen?
( 1 ) Richtlijn (EG) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy