Zaak C-313/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Svea hovrätt (Zweden) op 9 mei 2018 — Dacom Limited / IPM Informed Portfolio Management AB
C2682018NL2510120180509NL0031251262
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Svea hovrätt (Zweden) op 9 mei 2018 — Dacom Limited / IPM Informed Portfolio Management AB
(Zaak C-313/18)2018/C 268/31Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Svea hovrätt
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Dacom Limited
Verwerende partij: IPM Informed Portfolio Management AB
Prejudiciële vragen
1.1
Aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld of materiaal „voorbereidend materiaal” is in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2009/24/EG ( 1 ) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s? Kunnen documenten waarin de vereisten worden vastgesteld betreffende de functies die een computerprogramma moet uitvoeren en de resultaten die het programma moet bereiken, bijvoorbeeld de gedetailleerde beschrijving van beleggingsprincipes of risicomodellen voor vermogensbeheer, met inbegrip van wiskundige formules die in het computerprogramma moeten worden toegepast, als dergelijk voorbereidend materiaal worden beschouwd?
1.2
Moet materiaal, om als „voorbereidend materiaal” in de zin van de richtlijn te kunnen worden aangemerkt, zo volledig en gedetailleerd zijn dat de persoon die de eigenlijke code van een computerprogramma schrijft in de praktijk geen eigen keuzes meer hoeft te maken?
1.3
Brengt het exclusieve recht op voorbereidend ontwerpmateriaal in de zin van de richtlijn met zich mee dat het computerprogramma dat het uiteindelijke resultaat van dat voorbereidend materiaal wordt, als een bewerking van het voorbereidende ontwerpmateriaal (artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2009/24/EG) en dus met betrekking tot het auteursrecht als een afhankelijk werk moet worden beschouwd, of dat het voorbereidende ontwerpmateriaal en de software als twee verschillende uitdrukkingswijzen van een en hetzelfde werk moeten worden aangemerkt, dan wel dat ze twee onafhankelijke werken vormen?
2.1
Kan een consultant die in dienst is van een andere onderneming maar al een aantal jaren voor dezelfde cliënt werkt en — bij de uitoefening van zijn taken of in opdracht van de cliënt — een computerprogramma heeft gemaakt, als een werknemer [van de cliënt-onderneming] worden beschouwd voor de toepassing van artikel 2, lid 3, van richtlijn 2009/24/EG?
2.2
Op basis van welke criteria moet worden beoordeeld of iemand een werknemer is in de zin van die bepaling?
3.1
Moet artikel 11 van richtlijn 2004/48/EG ( 2 ) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten aldus worden uitgelegd dat het ook mogelijk moet zijn om een rechterlijk bevel tot staking te verkrijgen in een situatie waarin de eiser en de partij tegen wie dat bevel is gericht, samen houders van het desbetreffende intellectuele-eigendomsrecht zijn?
3.2
Indien vraag 3.1 bevestigend wordt beantwoord, dient die situatie anders te worden beoordeeld ingeval het exclusieve recht een computerprogramma betreft dat niet wordt gedistribueerd of openbaar gemaakt maar enkel wordt gebruikt in de eigen onderneming van een van de mede-eigenaren?
( 1 ) PB 2009, L 111, blz. 16.
( 2 ) PB 2004, L 157, blz. 45.
Full & Egal Universal Law Academy