Zaak C-314/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland) op 8 mei 2018 — Openbaar Ministerie tegen SF
C2762018NL2110120180508NL0029211211
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Amsterdam (Nederland) op 8 mei 2018 — Openbaar Ministerie tegen SF
(Zaak C-314/18)2018/C 276/29Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Amsterdam
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Openbaar Ministerie
Verweerder: SF
Prejudiciële vragen
1)
Moeten de artikelen 1, derde lid, en 5, punt 3, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ ( 1 ) en de artikelen 1, onder a) en b), 3, derde en vierde lid, en 25 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ ( 2 ) zo worden uitgelegd, dat de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat:
in een geval waarin de uitvoerende lidstaat de vervolgingsoverlevering van een eigen onderdaan afhankelijk heeft gesteld van de in artikel 5, punt 3, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde garantie dat de betrokkene, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat,
de betrokkene — na het onherroepelijk worden van de veroordeling tot een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel — pas daadwerkelijk hoeft terug te zenden zodra „elke andere procedure met betrekking tot het strafbare feit waarvoor de overlevering is verzocht” — zoals een confiscatieprocedure — onherroepelijk is afgerond?
2)
Moet artikel 25 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ zo worden uitgelegd, dat een lidstaat, wanneer hij een eigen onderdaan heeft overgeleverd onder de garantie als bedoeld in artikel 5, punt 3, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, als tenuitvoerleggingsstaat bij de erkenning en tenuitvoerlegging van het tegen die persoon gewezen vonnis — in afwijking van artikel 8, tweede lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ — mag bezien of de aan die persoon opgelegde vrijheidssanctie overeenkomt met de sanctie die in de tenuitvoerleggingsstaat voor het desbetreffende feit zou zijn opgelegd en, zo nodig, die opgelegde vrijheidssanctie dienovereenkomstig mag aanpassen?
( 1 ) Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten — Verklaringen van sommige lidstaten bij de aanneming van het kaderbesluit (PB 2002, L 190, blz. 1).
( 2 ) Kaderbesluit van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27).
Full & Egal Universal Law Academy