Zaak C-331/18: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd v Prešove (Slowakije) op 22 mei 2018 — TE / Pohotovosť s.r.o.
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd v Prešove (Slowakije) op 22 mei 2018 — TE / Pohotovosť s.r.o.
(Zaak C-331/18)
2018/C 294/20Procestaal: SlowaaksVerwijzende rechter
Krajský súd v Prešove
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: TE
Verwerende partij: Pohotovosť s.r.o.
Prejudiciële vragen
1)
A.
Naar aanleiding van het arrest in zaak C-42/15 ( 1 ) heeft de Slowaakse wetgever de woorden „van het kapitaal, de rente en de aanvullende kosten” met ingang van 1 mei 2018 geschrapt uit het punt van artikel 9 van de zákon č. 129/2010 Z. z. o spotrebiteľských úveroch a o iných úveroch a pôžičkách pre spotrebiteľov a o zmene a doplnení niektorých zákonov (wet nr. 129/2010 op het consumentenkrediet en andere kredieten en leningen aan consumenten en houdende wijziging van enkele wetten; hierna: „wet nr. 129/2010”), dat betrekking heeft op de kredietaflossingen als een van de elementen van de overeenkomst. Daardoor is zowel het bij wet nr. 129/2010 aan de consumenten verleende recht dat in de consumentenkredietovereenkomst aan de hand van om het even welk document — en niet alleen door middel van een aflossingstabel — wordt vermeld hoe de kredietaflossingen zijn opgesplitst in het voor de aflossing van het kapitaal bestemde deel en het voor betaling van rente en aanvullende kosten bestemde deel, als de sanctie voor schending van dit recht, opgeheven.
B.
Door de wetswijziging konden de rechterlijke instanties vanaf 1 mei 2018 in hun beslissingen weliswaar ten volle uitvoering geven aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, maar dat nam niet weg dat zij in gedingen betreffende consumentenovereenkomsten die vóór 1 mei 2018 waren gesloten, middels een Unieconforme uitlegging, in wezen, het door de wetgever beoogde resultaat moeten bereiken.
C.
In deze omstandigheden heeft de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorgelegde vraag betrekking op de uitlegging van het Unierecht in het kader van de toepassing van de indirecte werking van richtlijnen. Gelet op het grote aantal uitspraken waarin rechters, in het verleden, hebben erkend dat consumenten op basis van wet nr. 129/2010 er recht op hebben dat wordt gespecifieerd hoe de aflossingen in het voor de aflossing van het kapitaal bestemde deel en het voor betaling van rente en aanvullende kosten bestemde deel zijn opgesplitst, rijst de volgende vraag:
Staat het rechtszekerheidsbeginsel, in een geding betreffende een vóór 1 mei 2018 afgesloten consumentenkredietovereenkomst, de rechter die toepassing geeft aan de indirecte werking van een richtlijn in de rechtsverhoudingen tussen particulieren (horizontale rechtsverhoudingen) om de volle werking van deze richtlijn te verzekeren en daarbij alle uitleggingsmethodes en het nationale recht in zijn geheel aanwendt, toe om een beslissing te geven die dezelfde gevolgen heeft als de wetswijziging die door de wetgever is vastgesteld om vanaf 1 mei 2018 uitvoering te geven aan het in zaak C-42/15 gewezen arrest?
Mocht het Hof op de eerste vraag antwoorden dat het rechtszekerheidsbeginsel de rechter die toepassing geeft aan de indirecte werking van een richtlijn in de rechtsverhoudingen tussen particulieren (horizontale rechtsverhoudingen) om de volle werking van deze richtlijn te verzekeren, toestaat om een beslissing te geven die dezelfde gevolgen heeft als de wetswijziging die door de wetgever is vastgesteld om vanaf 1 mei 2018 uitvoering te geven aan het in zaak C-42/15 gewezen arrest, rijzen voorts de volgende vragen:
2)
Moeten het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-42/15, Home Credit Slovakia/Klára Bíróová, van 9 november 2016, en richtlijn 2008/48/EG ( 2 ) van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG ( 3 ) aldus worden uitgelegd dat het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat richtlijn 2008/48/EG in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling volgens welke kredietaflossingen, voor wat betreft het bedrag, het aantal en de frequentie van de kapitaalaflossingen in het kader van een consumentenkrediet, niet alleen aan de hand van een aflossingstabel moeten worden toegelicht, maar door alle middelen waarin de wet voorziet?
3)
Moet het voormelde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie voor wat betreft de rente en de aanvullende kosten, anders dan wat het kapitaal betreft, aldus worden uitgelegd dat het ook ziet op de vraag of een wettelijke regeling van een lidstaat op grond waarvan consumenten het recht hebben dat in de consumentenkredietovereenkomst het bedrag, het aantal en de frequentie van de terugbetalingen van de rente en de aanvullende kosten worden vermeld, verder gaat dan de richtlijn verlangt. Ingeval het arrest tevens betrekking heeft op de rente en de aanvullende kosten, gaan wettelijke bepalingen inzake de modaliteiten bij de terugbetaling van de rente en de aanvullende kosten in een andere vorm dan een aflossingstabel, dan ook verder dan richtlijn 2008/48/EG, en met name artikel 10, lid 2, onder j), ervan, verlangt?
( 1 ) Arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia, (EU:C:2016:842).
( 2 ) PB 2008, L 133, blz. 66.
( 3 ) Richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48).