17.9.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 328/26
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Köln (Duitsland) op 7 juni 2018 — UPS Deutschland Inc. & Co. OHG, DPD Dynamic Parcel Distribution GmbH & Co. KG, Bundesverband Paket & Expresslogistik e.V. / Deutsche Post AG
(Zaak C-374/18)
(2018/C 328/34)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: UPS Deutschland Inc. & Co. OHG, DPD Dynamic Parcel Distribution GmbH & Co. KG, Bundesverband Paket & Expresslogistik e.V.
Verwerende partij: Deutsche Post AG
Prejudiciële vragen
1)
Dient artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 561/2006 (1) aldus te worden uitgelegd dat het afwijkingen van de artikelen 5 tot en met 9 van verordening (EG) nr. 561/2006 alleen toestaat wanneer een voertuig van een leverancier van universele diensten in de zin van artikel 2, lid 13, van richtlijn 97/67/EG (2) overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder d), van verordening (EG) nr. 561/2006 uitsluitend zendingen vervoert in het kader van de universele dienst, of zijn afwijkingen van de artikelen 5 tot en met 9 van verordening (EG) nr. 561/2006 ook toegestaan wanneer de desbetreffende voertuigen naast de zendingen die in het kader van de universele dienst worden getransporteerd ook andere zendingen vervoeren die niet onder de universele dienst vallen?
2)
Indien de eerste vraag in die zin wordt beantwoord dat afwijkingen van de artikelen 5 tot en met 9 van verordening (EG) nr. 561/2006 ook zijn toegestaan wanneer de desbetreffende voertuigen naast de zendingen die in het kader van de universele dienst worden getransporteerd ook andere zendingen vervoeren die niet onder de universele dienst vallen:
a)
Welke omvang moet het aandeel van de zendingen die een voertuig in het kader van de universele dienst vervoert in dat geval minstens hebben?
b)
Welke omvang mag het aandeel van de zendingen die niet onder de universele dienst vallen en die het voertuig gelijktijdig vervoert met zendingen in het kader van de universele dienst in dat geval hoogstens hebben?
c)
Hoe moet de minimum- en de maximumomvang, zoals beschreven onder a) en b), telkens worden bepaald?
d)
Moet de minimum- en de maximumomvang, zoals beschreven onder a) en b), worden vastgesteld voor elke rit van het desbetreffende voertuig of volstaat een gemiddelde waarde, berekend over alle ritten van het desbetreffende voertuig?
3)
a)
Dient een nationale bepaling van een lidstaat van de Unie inzake rij- en rusttijden voor voertuigen en combinaties van voertuigen voor goederenvervoer met een toegestane maximummassa tussen 2,81 ton en 3,51 ton die de bepalingen van artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 561/2006 letterlijk overneemt, uitsluitend op grond van het Unierecht te worden uitgelegd?
b)
Kan een nationale rechter, ondanks deze gelijkluidende bewoordingen, van het Unierecht afwijkende criteria hanteren voor de uitlegging van de bepalingen die uit het Unierecht zijn overgenomen?
4)
Is een zending niet langer aan te merken als een zending in het kader van de universele dienst overeenkomstig richtlijn 97/67/EG wanneer in samenhang daarmee aanvullende diensten worden aangeboden, zoals:
—
ophaling (zonder tijdvenster);
—
ophaling (met tijdvenster);
—
leeftijdscontrole op zicht;
—
verzending onder rembours;
—
verzending op kosten ontvanger tot 31,5 kg;
—
doorzendingsdienst;
—
voorafgaande instructies indien onbestelbaar;
—
gewenste dag;
—
gewenst tijdstip?
(1) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102, blz. 1), voor het laatst gewijzigd bij artikel 45 van verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer (PB 2014, L 60, blz. 1), met rectificatie in PB 2015, L 101, blz. 62.
(2) Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1998, L 15, blz. 14).
Full & Egal Universal Law Academy