22.10.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 381/8
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia de Barcelona (Spanje) op 27 juli 2018 — Bondora AS/XY
(Zaak C-494/18)
(2018/C 381/10)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de Primera Instancia de Barcelona
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bondora AS
Verwerende partij: XY
Prejudiciële vragen
1)
Is een nationale bepaling als de drieëntwintigste slotbepaling, punt 4, van de Ley de Enjuiciamiento Civil (wet op de burgerlijke rechtsvordering), die het niet toestaat om een overeenkomst of de uitsplitsing van de schuld aan te dragen of op te vragen ten aanzien van een vordering waarbij de verweerder een consument is en er aanwijzingen bestaan dat er mogelijkerwijs bedragen worden gevorderd op grond van oneerlijke bedingen, verenigbaar met artikel 38 van het Handvest, artikel 6, lid 1, [VEU] en artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 (1)?
2)
Is het in het kader van een tegen een consument gerichte vordering verenigbaar met artikel 7, lid 2, onder d), van verordening nr. 1896/2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (2) dat er aan de eiser wordt verzocht om in punt 11 van standaardformulier A de uitsplitsing van de gevorderde schuld te verstrekken? Is het voorts met deze bepaling verenigbaar dat er wordt verlangd dat in punt 11 van dat standaardformulier de inhoud wordt weergegeven van de bedingen van de overeenkomst die ten grondslag liggen aan hetgeen van een consument, afgezien van het hoofdvoorwerp van de overeenkomst, wordt gevorderd, zodat getoetst kan worden of die bedingen oneerlijk zijn?
3)
Indien het antwoord op de tweede vraag negatief is, kan er overeenkomstig de huidige bewoordingen van verordening nr. 1896/2006 voorafgaand aan de uitvaardiging van het Europees betalingsbevel ambtshalve worden nagegaan of in een overeenkomst met een consument oneerlijke bedingen worden toegepast, en zo ja op grond van welke bepaling?
4)
Indien de huidige bewoordingen van verordening nr. 1896/2006 eraan in de weg staan dat voorafgaand aan de uitvaardiging van het Europees betalingsbevel ambtshalve wordt getoetst of er sprake is van oneerlijke bedingen, is die verordening dan wel geldig in het licht van artikel 38 van het Handvest en artikel 6, lid 1, [VEU]?
(1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
(2) Verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 (PB 2006, L 399, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy