22.10.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 381/13
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunalul Specializat Cluj (Roemenië) op 30 juli 2018 — AU/Reliantco Investments LTD, Reliantco Investments LTD Limassol Sucursala Bucureşti
(Zaak C-500/18)
(2018/C 381/14)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunalul Specializat Cluj
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: AU
Verwerende partijen: Reliantco Investments LTD, Reliantco Investments LTD Limassol Sucursala Bucureşti
Prejudiciële vragen
1)
Kan/moet de nationale rechter bij de uitlegging van het begrip „niet-professionele belegger” als bedoeld in artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39/[EG] (1) dezelfde uitleggingscriteria hanteren als die welke gelden voor het begrip consument in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG (2)?
2)
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, onder welke voorwaarden kan een „niet-professionele belegger” als bedoeld in richtlijn 2004/[39/EG] zich dan in een procedure als in het hoofdgeding beroepen op de hoedanigheid van consument?
3)
Meer bepaald, vormen de verrichting door een „niet-professionele belegger” als bedoeld in richtlijn 2004/[39/EG] van een groot aantal transacties in een relatief kort tijdbestek en de investering van grote geldbedragen in financiële instrumenten zoals gedefinieerd in artikel 4, [lid 1,] punt 17, van richtlijn 2004/39/[EG], relevante criteria voor de beoordeling of een „niet-professionele belegger” kan worden aangemerkt als consument in de zin van deze richtlijn?
4)
Kan en/of moet de nationale rechter bij de vaststelling van zijn bevoegdheid, aangezien hij dient vast te stellen of, naargelang het geval, artikel 17, lid 1, onder c), dan wel artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 (3) van toepassing is, de door de verzoeker aangevoerde materiële rechtsgrond — uitsluitend niet-contractuele aansprakelijkheid — in aanmerking nemen als rechtsmiddel tegen het overeenkomen van beweerdelijk oneerlijke bedingen als bedoeld in richtlijn 93/13/EEG, met als gevolg dat de toepasselijke materiële wet wordt vastgesteld overeenkomstig verordening (EG) nr. 864/2007 (Rome II) (4), of maakt de omstandigheid dat de verzoeker eventueel als consument kan worden aangemerkt de materiële rechtsgrond van zijn vordering irrelevant?
(1) Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB 2004, L 145, blz. 1).
(2) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
(3) Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) (PB 2007, L 199, blz. 40).
Full & Egal Universal Law Academy