Voorlopige editie
BESCHIKKING VAN HET HOF (Negende kamer)
20 juni 2019 (*)
„Prejudiciële verwijzing – Plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, werken en diensten – Richtlijn 2014/24/EU – Artikel 10, onder h) – Specifieke uitsluitingen voor opdrachten voor diensten – Ziekenvervoer per ambulance – Begrip”
In zaak C‑424/18,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale amministrativo regionale per il Veneto (bestuursrechter in eerste aanleg Veneto, Italië) bij beslissing van 13 juni 2018, ingekomen bij het Hof op 27 juni 2018, in de procedure
Italy Emergenza Cooperativa Sociale,
Associazione Volontaria di Pubblica Assistenza „Croce Verde”
tegen
Ulss 5 Polesana Rovigo,
Regione del Veneto,
in tegenwoordigheid van:
Regione del Veneto,
Croce Verde Adria,
Italy Emergenza Cooperativa Sociale,
Associazione Nazionale Pubbliche Assistenze (Organizzazione nazionale di volontariato) – ANPAS ODV,
Associazione Nazionale Pubblica Assistenza (ANPAS) – Comitato regionale Liguria,
Confederazione Nazionale delle Misericordie d’Italia,
geeft
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: K. Jürimäe, kamerpresident, D. Šváby (rapporteur) en S. Rodin, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Italy Emergenza Cooperativa Sociale, vertegenwoordigd door R. Speranzoni en S. Betti, avvocati,
– Associazione Volontaria di Pubblica Assistenza „Croce Verde”, vertegenwoordigd door V. Migliorini en C. Tamburini, avvocati,
– Regione del Veneto, vertegenwoordigd door E. Zanon, C. Zampieri en C. Drago, avvocati,
– Croce Verde Adria, vertegenwoordigd door C. Tamburini, avvocato,
– Associazione Nazionale Pubbliche Assistenze (Organizzazione nazionale di volontariato) – ANPAS ODV, vertegenwoordigd door V. Migliorini en C. Tamburini, avvocati,
– Associazione Nazionale Pubblica Assistenza (ANPAS) – Comitato regionale Liguria, vertegenwoordigd door R. Damonte, avvocato,
– Confederazione Nazionale delle Misericordie d’Italia, vertegenwoordigd door P. Sanchini, F. Sanchini en C. Sanchini, avvocati,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Sclafani, avvocato dello Stato,
– de Duitse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en J. Möller, vervolgens door J. Möller, als gemachtigden,
– Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, G. Hodge en A. Joyce als gemachtigden, bijgestaan door C. Donnelly, BL,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara, P. Ondrůšek en L. Haasbeek als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking,
de navolgende
Beschikking
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen – het eerste tussen Italy Emergenza Cooperativa Sociale (hierna: „Italy Emergenza”) en Ulss 5 Polesana Rovigo (plaatselijke sociale en gezondheidseenheid nr. 5 voor de Polesine te Rovigo, Italië; hierna: „Ulss 5 Polesana”), het tweede tussen Associazione Volontaria di Pubblica Assistenza „Croce Verde” (hierna: „Croce Verde”) en Regione del Veneto (regio Veneto, Italië) – over de rechtstreekse gunning door Ulss 5 Polesana van de opdracht voor diensten op het gebied van vervoer per ambulance.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Overweging 28 van richtlijn 2014/24 luidt:
„Deze richtlijn is niet van toepassing op bepaalde nooddiensten die worden uitgevoerd door non-profitorganisaties of -verenigingen, omdat die organisaties door hun specifieke karakter in hun voortbestaan zouden worden bedreigd indien de dienstverleners volgens de procedures van deze richtlijn geselecteerd zouden moeten worden. Het toepassingsgebied moet echter niet verder worden beperkt dan strikt noodzakelijk is. Derhalve moet uitdrukkelijk worden bepaald dat ziekenvervoer per ambulance niet buiten de richtlijn moet blijven. In dit verband dient voorts te worden verduidelijkt dat ambulancediensten niet onder CPV-groep [(CPV: Common Procurement Vocabulary, gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten)] 601 ,Vervoer te land’ vallen, maar wel onder CPV-klasse 8514. Derhalve moet worden verduidelijkt dat voor diensten die onder CPV-code 85143000‑3 vallen en uitsluitend bestaan uit ziekenvervoer per ambulance, de bijzondere regeling voor sociale en andere bijzondere diensten (de ,lichte regeling’) moet gelden. Bijgevolg moet voor gemengde opdrachten voor het verrichten van ambulancediensten in het algemeen ook het lichtere regime gelden indien de waarde van het ziekenvervoer per ambulance groter is dan de waarde van andere ambulancediensten.”
4 Artikel 10 van deze richtlijn, met als opschrift „Specifieke uitsluitingen voor opdrachten voor diensten”, bepaalt in punt h):
„Deze richtlijn is niet van toepassing op overheidsopdrachten voor diensten betreffende:
[...]
h) diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie die worden verleend door non-profitorganisaties en -verenigingen en [die vallen] onder de CPV-codes [...] 75250000‑3 [(brandweer- en reddingsdiensten)], 75251000‑0 [(brandweerdiensten)], 75251100‑1 [(brandbestrijdingsdiensten)], 75251110‑4 [(brandpreventiediensten)], 75251120‑7 [(bosbrandbestrijdingsdiensten)], 75252000‑7 [(reddingsdiensten)], 75222000‑8 [(burgerbeschermingsdiensten)], 98113100‑9 [(diensten voor nucleaire veiligheid)] en 85143000‑3 [(ambulancediensten)] behalve ziekenvervoer per ambulance;
[...]”
5 Titel III van die richtlijn, met als opschrift „Bijzondere regelingen voor het plaatsen van opdrachten”, bevat een hoofdstuk I dat bestaat uit de artikelen 74 tot en met 77 van voornoemde richtlijn. Deze bepalingen bevatten de lichte regeling die geldt voor sociale diensten en andere specifieke diensten.
Italiaans recht
6 Decreto legislativo n. 50 – Attuazione delle direttive 2014/23/UE, 2014/24/UE e 2014/25/UE sull’aggiudicazione dei contratti di concessione, sugli appalti pubblici e sulle procedure d’appalto degli enti erogatori nei settori dell’acqua, dell’energia, dei trasporti e dei servizi postali, nonché per il riordino della disciplina vigente in materia di contratti pubblici relativi a lavori, servizi e forniture (wetgevend besluit nr. 50 tot uitvoering van richtlijn 2014/23/EU [betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten en van de richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU] betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, alsook tot herziening van de geldende wettelijke regeling inzake overheidsopdrachten voor werken, diensten en leveringen) van 18 april 2016 (GURI nr. 91 van 19 april 2016), vormt de nieuwe Codice dei contratti pubblici (wetboek betreffende overheidsopdrachten; hierna: „wetboek overheidsopdrachten”).
7 Artikel 17 van dat wetboek, met als opschrift „Specifieke uitsluitingen voor overeenkomsten voor opdrachten en concessies voor diensten”, bepaalt in lid 1:
„De bepalingen van dit wetboek zijn niet van toepassing op overheidsopdrachten en concessies voor diensten betreffende:
[...]
h) diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie die worden verleend door non-profitorganisaties en -verenigingen en die vallen onder de CPV-codes 75250000‑3, 75251000‑0, 75251100‑1, 75251110‑4, 75251120‑7, 75252000‑7, 75222000‑8; 98113100‑9; 85143000‑3 behalve ziekenvervoer per ambulance.”
8 Artikel 57 van decreto legislativo n. 117 – Codice del Terzo settore (wetgevend besluit nr. 117 houdende invoering van het wetboek betreffende de tertiaire sector) van 3 juli 2017 (gewoon supplement bij GURI nr. 179 van 2 augustus 2017) luidt:
„Dringend vervoer per ambulance kan bij voorrang bij overeenkomst worden gegund aan vrijwilligersorganisaties die ten minste zes maanden zijn ingeschreven in het nationale register voor de tertiaire sector, deel uitmaken van een netwerk van verenigingen als bedoeld in artikel 41, lid 2, en erkend zijn op grond van de regionale wetgeving ter zake, voor zover die bestaat, in gevallen waarin rechtstreekse gunning wegens de specifieke aard van de dienst waarborgt dat de dienst van algemeen belang met inachtneming van de beginselen van transparantie en non-discriminatie wordt verstrekt in een stelsel waarin op rendabele en passende wijze daadwerkelijk wordt bijgedragen aan een sociaal doel en waarin op solidariteit gebaseerde doelstellingen worden nagestreefd.”
9 Artikel 7 („Landelijke dringende medische hulpverlening”) van decreto del Presidente del Consiglio dei Ministri – Definizione e aggiornamento dei livelli essenziali di assistenza, di cui all’articolo 1, comma 7, del decreto legislativo 30 dicembre 1992 n. 502 (besluit van de voorzitter van de ministerraad van 12 januari 2017 tot vaststelling en actualisering van de in artikel 1, lid 7, van wetgevend besluit nr. 502 van 30 december 1992 bedoelde basiszorgniveaus) (gewoon supplement bij GURI nr. 65 van 18 maart 2017) luidt:
„1. De nationale dienst voor gezondheidszorg waarborgt dat in dringende noodgevallen die zich buiten een ziekenhuis voordoen, tijdig medische hulp wordt verstrekt om de toestand van de patiënt te stabiliseren, en dat de patiënt in veilige omstandigheden naar het meest geschikte ziekenhuis wordt vervoerd. De coördinatie en het beheer van de landelijke dringende hulpverlening worden 24 uur per dag verzorgd door de operationele centrales 118.
2. Worden met name gewaarborgd:
a) medische interventies met behulp van gewone en speciale hulpverleningsvoertuigen die bestemd zijn voor vervoer over land en door de lucht, en die bemand zijn met naar behoren opgeleid medisch personeel;
b) diensten op het gebied van secundair vervoer per ambulance, waarbij al dan niet zorg wordt verstrekt;
c) gezondheidszorg en organisatie naar aanleiding van noodsituaties op grote schaal en gebeurtenissen die een nucleair, biologisch, chemisch en stralingsrisico (NBCS) inhouden;
d) gezondheidszorg in verband met geplande evenementen en gebeurtenissen, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door de regio’s en autonome provincies.
3. De activiteiten op het gebied van de landelijke dringende medische hulpverlening worden aldus verricht dat zij een geïntegreerd geheel vormen met de dringende hulp die intramuraal wordt verleend in de eerstehulpdiensten en in de diensten voor spoedhulp, en met activiteiten in het kader van de basiszorg en de continue zorg.”
10 Artikel 2, lid 1, van de legge regionale n. 26 – Disciplina del sistema regionale di trasporto sanitario di soccorso ed emergenza (regionale wet van Veneto nr. 26 tot regeling van het regionale systeem voor dringend ziekenvervoer en dringende hulpverlening) van 27 juli 2012 (hierna: „regionale wet nr. 26/2012”) luidt:
„Voor de toepassing van deze wet wordt dringend vervoer per ambulance gedefinieerd als de activiteit die met noodhulpvoertuigen wordt verricht door personeel, met name gezondheidspersoneel, dat met deze dienst is belast in verband met de uitvoering van de volgende taken:
a) diensten op het gebied van het dringend vervoer met noodhulpvoertuigen, die worden beheerd door de operationele centrales voor de coördinatie van de dringende medische hulp (DMH);
b) de met noodhulpvoertuigen verrichte vervoersdiensten in het kader van de Livelli Essenziali di Assistenza (basiszorgniveaus);
c) vervoersdiensten waarbij het wegens de klinische toestand van de patiënt vereist is dat uitsluitend noodhulpvoertuigen worden gebruikt, en waarbij het noodzakelijk is dat tijdens de rit bijstand wordt verleend door gezondheidspersoneel of ander daartoe opgeleid personeel, alsook dat de continuïteit van de zorg wordt gewaarborgd.”
11 Het besluit van de Giunta Regionale del Veneto (uitvoerend orgaan van de regio Veneto, Italië) nr. 1515 van 29 oktober 2015 bepaalt dat „[t]ijdens de dienst [...] zich aan boord van de ambulance een bestuurder-hulpverlener en ten minste één hulpverlener met de voor deze activiteit vastgestelde kwalificaties en vaardigheden [bevinden]”. Deze kwalificaties en vaardigheden worden verkregen doordat een opleiding is gevolgd en met succes een examen is afgelegd op drie gebieden, te weten anatomie, fysiologie en hulpverlening. Bijgevolg wordt de secundaire dienst, daaronder begrepen het eenvoudige vervoer, verricht in een context waarin gewoon vervoer en gezondheidszorg met elkaar gepaard gaan.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 Italy Emergenza, een sociale coöperatie die diensten op het gebied van vervoer per ambulance verstrekt, heeft beroep ingesteld dat primair strekt tot nietigverklaring van het op 28 december 2017 door de algemeen directeur van Ulss 5 Polesana vastgestelde besluit nr. 1754 en van een reeks handelingen ter voorbereiding van dit besluit. Bij voornoemd besluit heeft die plaatselijke eenheid Croce Verde bij overeenkomst rechtstreeks belast met het verrichten van diensten op het gebied van dringend vervoer en secundair vervoer per ambulance voor het grondgebied waarvoor zij verantwoordelijk is. Die overeenkomst, die geldig is van 1 april 2018 tot en met 31 maart 2020, kan met twee jaar worden verlengd, op voorwaarde evenwel dat Croce Verde blijft voldoen aan de erkenningsvoorwaarden die zijn neergelegd in regionale wet nr. 26/2012 en besluit nr. 179/2014 van het uitvoerende orgaan van de regionale raad van Veneto. Ten slotte worden de vergoedbare kosten in die overeenkomst vastgesteld op 2 291 260 EUR per jaar, dat wil zeggen een bedrag van 6 873 780 EUR over een periode van drie jaar.
13 Italy Emergenza is van mening dat de diensten op het gebied van secundair vervoer per ambulance geen deel uitmaken van de diensten die bij artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met overweging 28 ervan, zijn uitgesloten van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten.
14 Terwijl dat beroep aanhangig was voor de Tribunale amministrativo regionale per il Veneto (bestuursrechter in eerste aanleg Veneto, Italië), heeft Ulss 5 Polesana besluit nr. 1754 ingetrokken bij besluit nr. 372 van 24 april 2018, teneinde rekening te houden met het arrest van de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) van 22 februari 2018, waaruit zou volgen dat alleen diensten op het gebied van dringende hulpverlening per ambulance bij wijze van uitzondering aan de principiële aanbestedingsverplichting kunnen worden onttrokken, en wel indien zij worden verricht door non-profitorganisaties. Het eenvoudige vervoer per ambulance – dat wil zeggen het gewone, niet-dringende ziekenvervoer – zou evenwel onder de lichte regeling van de artikelen 74 tot en met 77 van richtlijn 2014/24 vallen.
15 Nadat besluit nr. 372 was vastgesteld, heeft Italy Emergenza in wezen meegedeeld dat zij bereid was om afstand van instantie te doen mits Croce Verde niet zou verzoeken om nietigverklaring van dat besluit.
16 Croce Verde is tegen voornoemd besluit evenwel opgekomen en heeft daarbij aangevoerd dat het onderscheid tussen dringend vervoer en eenvoudig vervoer omstreden is. Overweging 28 van richtlijn 2014/24 lijkt namelijk weliswaar „uitsluitend” het ziekenvervoer per ambulance te onderwerpen aan de lichte regeling, maar deze precisering ontbreekt in artikel 10, onder h), van die richtlijn.
17 In een vonnis dat op 9 maart 2018 is gewezen in een soortgelijke zaak, heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat overeenkomstig laatstgenoemde bepaling en artikel 17, lid 1, onder h), van het wetboek overheidsopdrachten, dat die richtlijnbepaling getrouw omzet, de onder CPV-code 85143000‑3 vallende „ambulancediensten” in afwijking van de traditionele regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten uitgesloten zijn van het wetboek overheidsopdrachten, onder voorbehoud van „ziekenvervoer per ambulance”, dat nog steeds onderworpen is aan de lichte regeling. De uitsluiting waarin artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 voorziet, kan enkel worden toegepast indien de diensten op het gebied van dringende hulpverlening worden verricht per ambulance, bestaan in het vervoer van en de verstrekking van eerste hulp aan zieken in nood en worden verleend door non-profitorganisaties. Het eenvoudige vervoer per ambulance – dat wil zeggen het gewone, niet-dringende ziekenvervoer – zou dan weer onder de lichte regeling vallen.
18 De verwijzende rechter merkt evenwel op dat het feit dat dringende hulpverlening gemakkelijk kan worden onderscheiden van eenvoudig ziekenvervoer, niet wegneemt dat er tussenvormen van vervoer bestaan waarvan de kwalificatie niet vanzelfsprekend is. Dit geldt met name voor bepaalde in artikel 2 van regionale wet nr. 26/2012 vermelde gezondheidsdiensten, zoals ten eerste de in het kader van de basiszorgniveaus verrichte vervoersdiensten – die erin bestaan dat de Servizio Sanitario Nazionale (nationale gezondheidsdienst, Italië) ten behoeve van alle burgers, kosteloos of na betaling van een deel van de kosten, prestaties en diensten verricht met noodhulpvoertuigen – en ten tweede vervoersdiensten waarbij het wegens de klinische toestand van de patiënt vereist is dat uitsluitend noodhulpvoertuigen worden gebruikt en waarbij het voor het waarborgen van de continuïteit van de zorg noodzakelijk is dat tijdens de rit bijstand wordt verleend door gezondheidspersoneel of ander daartoe opgeleid personeel.
19 Volgens de verwijzende rechter worden al deze diensten in artikel 2 van regionale wet nr. 26/2012 gelijkgesteld met diensten op het gebied van dringend vervoer met noodhulpvoertuigen, zodat zij onder de in artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 en artikel 17, lid 1, onder h), van het wetboek overheidsopdrachten bedoelde uitsluiting vallen wanneer zij worden verleend door non-profitorganisaties en ‑verenigingen.
20 In deze omstandigheden heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Veneto de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moeten artikel 10, onder h), en overweging 28 van richtlijn [2014/24] aldus worden uitgelegd dat
a) ambulancediensten met betrekking waartoe is vastgesteld dat zich aan boord van de ambulance een bestuurder-hulpverlener en ten minste één hulpverlener moeten bevinden die beschikken over de kwalificaties en vaardigheden die zijn verkregen doordat een opleiding is gevolgd en met succes een examen op het gebied van hulpverlening is afgelegd, alsmede
b) de met noodhulpvoertuigen verrichte vervoersdiensten in het kader van de basiszorgniveaus [...]
onder de in het voornoemde artikel 10, onder h), bedoelde uitsluiting vallen of daarentegen worden aangemerkt als diensten in de zin van de artikelen 74 tot en met 77 van [richtlijn 2014/24]?
2) Moet richtlijn [2014/24] aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan
a) ambulancediensten met betrekking waartoe is vastgesteld dat zich aan boord van de ambulance een bestuurder-hulpverlener en ten minste één hulpverlener moeten bevinden die beschikken over de kwalificaties en vaardigheden die zijn verkregen doordat een opleiding is gevolgd en met succes een examen op het gebied van hulpverlening is afgelegd, alsmede
b) de met noodhulpvoertuigen verrichte vervoersdiensten in het kader van de basiszorgniveaus [...]
ook buiten een noodsituatie bij voorrang rechtstreeks bij overeenkomst worden gegund aan vrijwilligersverenigingen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
21 Krachtens artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie kan het Hof in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of wanneer over het antwoord op een dergelijke vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan.
22 Deze bepaling dient in de onderhavige zaak te worden toegepast.
23 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met overweging 28 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan ambulancediensten met betrekking waartoe is vastgesteld dat zich aan boord een bestuurder-hulpverlener en ten minste één hulpverlener moeten bevinden die beschikken over de kwalificaties en vaardigheden die zijn verkregen doordat een opleiding is gevolgd en met succes een examen op het gebied van hulpverlening is afgelegd, alsook vervoersdiensten die met noodhulpvoertuigen worden verricht in het kader van de basiszorgniveaus, onder de in het voornoemde artikel 10, onder h), bedoelde uitsluiting vallen wanneer zich geen noodsituatie voordoet.
24 Voor een antwoord op deze vraag zij eraan herinnerd dat op grond van artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 overheidsopdrachten voor diensten inzake civiele verdediging, civiele bescherming en risicopreventie uitgesloten zijn van de werkingssfeer van de klassieke regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten, onder de dubbele voorwaarde dat die diensten onder de in die bepaling genoemde CPV-codes vallen en worden verleend door non-profitorganisaties of ‑verenigingen. Op deze uitsluiting van de toepassing van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten bestaat echter een uitzondering die inhoudt dat die uitsluiting niet geldt voor ziekenvervoer per ambulance, dat onder de lichte regeling van de artikelen 74 tot en met 77 van richtlijn 2014/24 valt (zie in die zin arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck, C‑465/17, EU:C:2019:234, punt 38).
25 Blijkens artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24, gelezen in het licht van overweging 28 ervan, kan de uitsluiting van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten waarin die bepaling voorziet ten voordele van diensten inzake risicopreventie, slechts gelden voor bepaalde nooddiensten die worden verricht door non-profitorganisaties en -verenigingen en mag zij niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is (arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck, C‑465/17, EU:C:2019:234, punt 43).
26 De in artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 bedoelde niet-toepasselijkheid van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten op diensten inzake risicopreventie is dan ook onlosmakelijk verbonden met het bestaan van een nooddienst, zodat de aanwezigheid van gekwalificeerd personeel aan boord van een ambulance op zichzelf niet kan volstaan als bewijs dat er sprake is van een ambulancedienst die valt onder CPV-code 85143000‑3 (zie in die zin arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck, C‑465/17, EU:C:2019:234, punten 44 en 45).
27 Dat – althans potentieel – sprake is van een noodsituatie, kan evenwel worden aangetoond wanneer een patiënt moet worden vervoerd bij wie het gevaar bestaat dat zijn gezondheidstoestand tijdens het vervoer achteruitgaat, welk gevaar in beginsel objectief moet kunnen worden vastgesteld. Alleen dan zou de in artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 bedoelde uitsluiting van de toepassing van de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten kunnen gelden voor gekwalificeerd ziekenvervoer (zie in die zin arrest van 21 maart 2019, Falck Rettungsdienste en Falck, C‑465/17, EU:C:2019:234, punten 46 en 49).
28 Uit het voorgaande volgt dat zowel ambulancediensten met betrekking waartoe in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling is vastgesteld dat zich aan boord een bestuurder-hulpverlener en ten minste één hulpverlener moeten bevinden die naar behoren zijn opgeleid, als vervoersdiensten die met noodhulpvoertuigen worden verricht in het kader van de basiszorgniveaus, niet automatisch onder de in artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24 bedoelde uitsluiting kunnen vallen. Deze uitsluiting onderstelt namelijk dat naar behoren in eerste hulp opgeleid personeel aanwezig is, dat de ambulancedienst wordt verricht door non-profitorganisaties of ‑verenigingen in de zin van die bepaling, en dat zich onmiskenbaar een noodsituatie voordoet.
29 Op de prejudiciële vragen dient bijgevolg te worden geantwoord dat artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met overweging 28 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan ambulancediensten met betrekking waartoe is vastgesteld dat zich aan boord een bestuurder-hulpverlener en ten minste één hulpverlener moeten bevinden die beschikken over de kwalificaties en vaardigheden die zijn verkregen doordat een opleiding is gevolgd en met succes een examen op het gebied van hulpverlening is afgelegd, alsook vervoersdiensten die met noodhulpvoertuigen worden verricht in het kader van de basiszorgniveaus, onder de in het voornoemde artikel 10, onder h), bedoelde uitsluiting vallen wanneer zich geen noodsituatie voordoet.
Kosten
30 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 10, onder h), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in samenhang met overweging 28 van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan ambulancediensten met betrekking waartoe is vastgesteld dat zich aan boord een bestuurder-hulpverlener en ten minste één hulpverlener moeten bevinden die beschikken over de kwalificaties en vaardigheden die zijn verkregen doordat een opleiding is gevolgd en met succes een examen op het gebied van hulpverlening is afgelegd, alsook vervoersdiensten die met noodhulpvoertuigen worden verricht in het kader van de basiszorgniveaus, onder de in het voornoemde artikel 10, onder h), bedoelde uitsluiting vallen wanneer zich geen noodsituatie voordoet.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.