ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)
16 mei 2019 ( *1 )
„Overheidsopdrachten voor diensten – Aanbestedingsprocedure – Raamovereenkomst voor het verrichten van diensten – Diensten ten behoeve van derde landen die externe bijstand van de Unie ontvangen – Afwijzing van de offerte van een inschrijver en gunning van de opdracht aan andere inschrijvers – Aantijgingen jegens een inschrijver inzake een ernstige beroepsfout – Geen definitieve rechterlijk beslissing of definitief administratief besluit waarbij een ernstige beroepsfout is vastgesteld – Voorwaarden voor verwijzing naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie – Abnormaal lage inschrijvingen – Motiveringsplicht – Inaanmerkingneming van een brief van de aanbestedende dienst die is verstuurd nadat beroep was ingesteld – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Wachttermijn voor het instellen van beroep tegen het gunningsbesluit – Gelijke behandeling – Discriminatieverbod – Artikelen 105 bis, 106, 108, 113 en 118 van het Financieel Reglement – Niet-contractuele aansprakelijkheid”
In zaak T‑228/18,
Transtec, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door L. Levi en N. Flandin, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Aresu en J. Estrada de Solà als gemachtigden,
verweerster,
betreffende, ten eerste, een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 26 maart 2018 houdende afwijzing van de inschrijving van het consortium – dat voor perceel nr. 3 wordt geleid door verzoekster – in het kader van de aanbesteding EuropeAid/138778/DH/SER/Multi, „Raamovereenkomst voor de implementatie van externe bijstand (FWC SIEA 2018) 2017/S”, en gunning van de opdracht aan andere inschrijvers, en, ten tweede, een verzoek krachtens artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van die afwijzing,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise en R. da Silva Passos (rapporteur), rechters,
griffier: M. Marescaux, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 februari 2019,
het navolgende
Arrest ( 1 )
Voorgeschiedenis van het geding
[omissis]
Procedure en conclusies van partijen
18
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 5 april 2018, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. Tegelijkertijd heeft zij, bij afzonderlijke akte, verzocht om weglating van bepaalde gegevens ten opzichte van het publiek.
19
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag en geregistreerd onder nummer T‑228/18 R, heeft verzoekster op grond van de artikelen 278 en 279 VWEU een verzoek in kort geding ingediend, waarmee zij de president van het Gerecht in wezen heeft verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit of om de Commissie voorlopig te gelasten verzoekster, met het consortium dat zij leidt, als gekozen inschrijver voor perceel nr. 3 in aanmerking te nemen.
20
Bij beschikking van 17 mei 2018, Transtec/Commissie (T‑228/18 R, niet gepubliceerd, EU:T:2018:281), heeft de president van het Gerecht het verzoek in kort geding afgewezen en de beslissing omtrent de kosten aangehouden. Naar aanleiding van deze beschikking heeft de Commissie de procedure voor de ondertekening van de tien raamovereenkomsten betreffende perceel nr. 3 ingeleid.
21
Inmiddels had verzoekster, bij brief van 26 april 2018, op grond van artikel 84, lid 1, en artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een nieuw middel ingediend en een bewijsaanbod gedaan. Bij afzonderlijke akte heeft zij op dezelfde dag, overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering, verzocht dat de inhoud van bepaalde bijlagen bij deze brief van 26 april 2018 niet wordt geciteerd in de voor het publiek toegankelijke documenten betreffende de onderhavige zaak.
22
Op 18 juni 2018 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend, waarin zij tevens opmerkingen heeft opgenomen inzake verzoeksters bewijsaanbod en nieuwe middel.
23
Op 4 september 2018 heeft verzoekster haar repliek ingediend.
24
Op 17 oktober 2018 heeft de Commissie haar dupliek ingediend.
25
Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Negende kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
26
Partijen zijn ter terechtzitting van 13 februari 2019 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
27
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
–
het bestreden besluit nietig te verklaren;
–
bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang overlegging van bepaalde documenten te gelasten;
–
de Commissie te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de geleden schade;
–
de Commissie te verwijzen in alle kosten.
28
De Commissie verzoekt het Gerecht:
–
het verzoek tot nietigverklaring te verwerpen;
–
het verzoek tot schadevergoeding te verwerpen indien er bijkomend uitspraak over wordt gedaan, of niet-ontvankelijk te verklaren indien er afzonderlijk uitspraak over wordt gedaan;
–
verzoekster te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.
29
Ook stelt de Commissie dat er geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan op het verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang, aangezien dat verzoek dezelfde strekking heeft als de brief van 27 maart 2018, waarop bij brief van 13 april 2018 is geantwoord.
In rechte
[omissis]
In rechte
Vordering tot nietigverklaring
[omissis]
– Eerste middel
42
Verzoekster betoogt dat de Commissie artikel 106, lid 2, van het Financieel Reglement en punt 4 van de instructies aan de inschrijvers heeft geschonden, dat verwijst naar punt 2.3.3 van de Praktische gids voor opdrachtprocedures in het kader van EU-acties in derde landen, waarvan de bepalingen overeenkomen met artikel 106, lid 2, van het Financieel Reglement, op grond dat zij een van de inschrijvers niet heeft uitgesloten. Wanneer de aanbestedende dienst tijdens de aanbestedingsprocedure wordt meegedeeld dat een inschrijver een ernstige beroepsfout heeft begaan, is hij volgens verzoekster gehouden om de informatie daaromtrent te verifiëren en, indien rechtens genoegzaam wordt aangetoond dat die ernstige fout is begaan, de betrokken inschrijver van de procedure uit te sluiten.
43
In casu stelt verzoekster dat er een onderzoek van de Britse autoriteiten naar de opdrachtnemende onderneming gaande was „vanwege onregelmatigheden en dubieuze gunningen van overheidsopdrachten”.
44
Ter onderbouwing van haar beweringen heeft verzoekster drie documenten overgelegd die zij reeds aan de Commissie stelt te hebben overgelegd, namelijk een uittreksel van de blog van het „Mediateam” van het Department for International Development (DFID, het ministerie voor Internationale Ontwikkeling van het Verenigd Koninkrijk), en twee ministeriële antwoorden op vragen van leden van het parlement van het Verenigd Koninkrijk, waaruit volgens verzoekster volgt dat het DFID en de Foreign and Commonwealth Office (FCO, ministerie van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken, Verenigd Koninkrijk) geen nieuwe contracten met de betrokken opdrachtnemende onderneming meer hadden gesloten. Op grond van de informatie uit deze documenten en het onderzoek van de Britse autoriteiten hebben de Britse autoriteiten in 2017 geen nieuw contract meer met deze onderneming gesloten.
45
Verzoekster stelt dat uit de in punt 44 genoemde documenten blijkt dat de betrokken opdrachtnemende onderneming bij het ondertekenen van de in het aanbestedingsdossier opgenomen en in punt 4 van de instructies aan de inschrijvers bedoelde verklaring op erewoord betreffende de uitsluitings- en selectiecriteria heeft verzuimd te vermelden dat de Britse autoriteiten tegen haar optraden. Dit verzuim is een misleidende kennisgeving, zodat de Commissie punt 4 van de instructies aan de inschrijvers en artikel 106 van het Financieel Reglement heeft geschonden door de verklaring op erewoord van die onderneming te aanvaarden en het consortium waarvan zij deel uitmaakte niet van de opdracht uit te sluiten.
46
De Commissie betwist het betoog van verzoekster.
47
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat artikel 106, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement bepaalt dat „de aanbestedende dienst [...] een ondernemer [...] van deelname aan onder [dit regelement] vallende aanbestedingsprocedures [uitsluit] indien in een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de ondernemer een ernstige beroepsfout heeft gemaakt doordat hij de toepasselijke wet- of regelgeving of de ethische normen van de beroepsgroep waartoe hij behoort, heeft overtreden of doordat hij onrechtmatig gedrag heeft vertoond dat invloed heeft op zijn professionele geloofwaardigheid wanneer sprake is van kwaad opzet of grove nalatigheid”.
48
In casu hebben partijen ter terechtzitting erkend dat er tijdens de betrokken aanbesteding ten aanzien van de betrokken opdrachtnemende onderneming geen definitieve rechterlijke beslissing of definitief administratief besluit was genomen, in de zin van artikel 106, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.
49
In de tweede plaats preciseert artikel 106, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement dat „[i]ndien er geen definitieve rechterlijke beslissing of, indien van toepassing, geen definitief administratief besluit voorhanden is in de in lid 1, onder c), [...] bedoelde gevallen [...] de aanbestedende dienst een ondernemer uit[sluit] op basis van een voorlopige juridische kwalificatie van een [in die bepaling] bedoelde gedraging, rekening houdend met vastgestelde feiten of andere bevindingen in de aanbeveling van de in artikel 108 bedoelde instantie”.
50
Dienaangaande dient met betrekking tot de instantie die is bedoeld in artikel 108 van het Financieel Reglement, „Systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting” te worden gewezen op de bewoordingen van artikel 105 bis van dat reglement, „Bescherming van de financiële belangen van de Unie door opsporing van risico’s en oplegging van administratieve sancties”.
51
Artikel 105 bis, lid 1, eerste alinea, van het Financieel Reglement bepaalt dat de Commissie „[t]er bescherming van de financiële belangen van de Unie [...] een systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting op[zet], dat zij beheert”. Volgens artikel 105 bis, lid 1, tweede alinea, van het Financieel Reglement, heeft dit systeem ten doel het volgende te vergemakkelijken: „a) de vroegtijdige opsporing van risico’s die de financiële belangen van de Unie in gevaar brengen” en „b) de uitsluiting van een ondernemer die in een van de in artikel 106, lid 1, genoemde uitsluitingssituaties verkeert”. Artikel 105 bis, lid 2, tweede alinea, van het Financieel Reglement preciseert dat „[i]n de in artikel 106, lid 2, bedoelde situaties [...] de aanbestedende dienst de zaak [verwijst] naar de in artikel 108 bedoelde instantie, teneinde een gecentraliseerde beoordeling van die situaties te garanderen” en dat, „de aanbestedende dienst [in dergelijke gevallen] zijn besluit [neemt] op basis van een voorlopige juridische kwalificatie, rekening houdend met een aanbeveling van de instantie”.
52
Wat betreft de verwijzing naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie, volgt uit lid 2, onder b) en c), van dit artikel dat, in het geval van een vermoeden van een ernstige beroepsfout, onregelmatigheden, fraude, corruptie of een ernstige schending van een overeenkomst, de vroegtijdige opsporing van risico’s die de financiële belangen van de Unie in gevaar brengen, als bedoeld in artikel 105 bis, lid 1, onder a), van dit reglement, berust op de doorgifte van informatie aan de Commissie door een ordonnateur van de Commissie, van een door de Commissie opgericht Europees bureau of van een uitvoerend agentschap, of door een instelling, een bureau of een agentschap van de Unie.
53
Uit al deze bepalingen volgt dat, indien er geen definitieve rechterlijke beslissing of definitief administratief besluit ten aanzien van een inschrijver is genomen, de aanbestedende dienst, wanneer hij over voldoende aanwijzingen beschikt om te vermoeden dat de inschrijver schuldig is aan met name het begaan van een ernstige beroepsfout, de zaak moet verwijzen naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie zodat die een aanbeveling doet met, indien van toepassing, een voorlopige juridische kwalificatie van de litigieuze feiten.
54
Anders dan de Commissie ter terechtzitting heeft betoogd, is voor de verwijzing naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie op grond van artikel 106, lid 2, eerste alinea, van dat reglement, niet vereist dat er vooraf een rechterlijke beslissing of een administratief besluit voorhanden is. Indien die beslissing of dat besluit niet voorhanden is, verwijst de aanbestedende dienst de zaak volgens artikel 105 bis, lid 2, van het Financieel Reglement, gelezen in samenhang met artikel 106, lid 2, eerste alinea, naar die instantie wanneer hij vaststelt dat een mogelijke financiële onregelmatigheid, met name zoals bedoeld in artikel 106, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement, kan leiden tot „risico’s die de financiële belangen van de Unie in gevaar brengen”, in de zin van artikel 105 bis, lid 1, tweede alinea, onder a), van dat reglement. Dat is het doel van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting. De aanbestedende dienst moet evenwel voordat hij de zaak naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie verwijst, beoordelen of er sprake is van een dergelijk risico en, in voorkomend geval, of dat risico de financiële belangen van de Unie in gevaar kan brengen.
55
In dit stadium moet dus worden nagegaan of de Commissie als aanbestedende dienst in de omstandigheden van de onderhavige zaak gehouden was om de zaak naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie te verwijzen, op grond dat zij ervan uit kon gaan dat zij over voldoende aanwijzingen beschikte aan de hand waarvan kon worden vastgesteld dat de gedraging van de betrokken opdrachtnemende onderneming een ernstige beroepsfout kon vormen die de financiële belangen van de Unie in gevaar brengt, zoals verzoekster in wezen betoogt.
56
De ontvankelijk geachte documenten die verzoekster heeft overgelegd om aan te tonen dat tegen de betrokken opdrachtnemende onderneming werd opgetreden door de Britse autoriteiten „vanwege onregelmatigheden en dubieuze gunningen van overheidsopdrachten”, zijn in dit verband de hierboven in punt 44 genoemde documenten, te weten een uittreksel van de blog van het „Mediateam” van het DFID en twee ministeriële antwoorden op vragen van leden van het parlement van het Verenigd Koninkrijk.
57
In het uittreksel van de blog van het „Mediateam” van het DFID van 4 december 2017 staat dat de betrokken opdrachtnemende onderneming in december 2016 is beschuldigd van het feit dat zij bij het IDC ingediende inschrijvingen heeft vervalst en gebruik heeft gemaakt van onregelmatig verkregen documenten van het DFID. In dit uittreksel is gepreciseerd dat de betrokken opdrachtnemende onderneming zich sinds die datum vrijwillig uit de aanbestedingsprocedures van het DFID heeft teruggetrokken. Voorts blijkt uit de ministeriële antwoorden van 13 september en 13 december 2017 respectievelijk dat het DFID sinds maart 2017 geen overheidsopdracht meer aan de betrokken opdrachtnemende onderneming heeft gegund en dat het FCO haar in 2017 geen overheidsopdracht heeft gegund.
58
Zoals de Commissie aangeeft, blijkt uit deze documenten enkel dat tegen de betrokken opdrachtnemende onderneming „beschuldigingen” waren geuit, waarbij onduidelijk is door wie, met betrekking tot onregelmatigheden bij de gunning van overheidsopdrachten in het Verenigd Koninkrijk, zonder dat duidelijker wordt gemaakt in welke omstandigheden deze onregelmatigheden zich hebben voorgedaan.
59
De door verzoekster ter onderbouwing van haar eerste middel overgelegde documenten volstaan derhalve niet om vast te stellen dat de gedraging van de betrokken opdrachtnemende onderneming een ernstige beroepsfout vormt die de financiële belangen van de Unie in gevaar brengt. Hieruit volgt dat de Commissie in de omstandigheden van de onderhavige zaak niet gehouden was om de zaak naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie te verwijzen, zodat haar geen schending van artikel 106, lid 2, eerste alinea, van het Financieel Reglement kan worden verweten.
60
In de derde plaats tonen de door verzoekster overgelegde documenten evenmin aan dat de door de betrokken opdrachtnemende onderneming afgelegde verklaring op erewoord misleidend was. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat punt 4 van de instructies aan de inschrijvers bepaalde dat iedere inschrijver een verklaring op erewoord moest ondertekenen om aan te geven dat hij niet in een uitsluitingssituatie verkeert die is genoemd in artikel 2.3.3 van de Praktische gids voor opdrachtprocedures in het kader van EU-acties in derde landen, en bewijzen over moest leggen waaruit blijkt dat geen van de uitsluitingscriteria op hem van toepassing is. Uit de in punt I, onder g), ii), van het formulier voor de verklaring op erewoord opgenomen lijst volgt echter dat de daarin vermelde uitsluitingscriteria in wezen gelijk waren aan die van artikel 106, lid 2, vierde alinea, van het Financieel Reglement. Deze lijst en punt 4 van de instructies aan de inschrijvers moeten dus worden gelezen in het licht van artikel 106, lid 2, vierde alinea, van het Financieel Reglement.
61
Wat artikel 106, lid 2, van het Financieel Reglement betreft, verwijst de vierde alinea daarvan naar de eerste alinea, en moeten deze twee alinea’s dus samen worden gelezen. Zoals in punt 59 hierboven is opgemerkt, was de Commissie dienaangaande in casu krachtens artikel 106, lid 2, eerste alinea, van het Financieel Reglement niet gehouden om de zaak naar de in artikel 108 van dat reglement bedoelde instantie te verwijzen. Verzoekster heeft derhalve niet aangetoond dat de aanvaarding door de Commissie van de door de betrokken opdrachtnemende onderneming ondertekende verklaring op erewoord een schending vormde van punt 4 van de instructies aan de inschrijvers, gelezen in het licht van artikel 106, lid 2, van het Financieel Reglement.
62
Gelet op het voorgaande moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
[omissis]
– Derde middel
89
Verzoekster stelt dat de Commissie haar in het bestreden besluit enkel heeft meegedeeld dat ze niet de beste prijs-kwaliteitverhouding bood met betrekking tot perceel nr. 3 en haar de aan de inschrijvers toegekende scores in de vorm van een tabel heeft doen toekomen. Het bestreden besluit bevat echter geen enkele uitleg van het systeem voor de berekening van de haar toegekende scores. Derhalve is de Commissie haar motiveringsplicht niet nagekomen en heeft zij artikel 113, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 161, lid 1, van de uitvoeringsverordening geschonden.
90
De Commissie betwist dit betoog.
91
Krachtens artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest zijn de betrokken diensten verplicht om hun beslissingen met redenen te omkleden. Deze motiveringsplicht veronderstelt volgens vaste rechtspraak dat overeenkomstig artikel 296, tweede alinea, VWEU de redenering van de instantie waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking dient te worden gebracht zodat enerzijds de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en hun rechten kunnen verdedigen, en anderzijds de rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arresten van 25 februari 2003, Strabag Benelux/Raad, T‑183/00, EU:T:2003:36, punt 55; 24 april 2013, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑32/08, niet gepubliceerd, EU:T:2013:213, punt 37, en 28 juni 2016, AF Steelcase/EUIPO, T‑652/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:370, punt 43).
92
Voorts moet de vereiste motivering worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de betrokken handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten van de handeling of andere personen die daardoor rechtstreeks en individueel worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. In de motivering behoeven niet alle feitelijk of juridisch relevante aspecten te worden gespecificeerd, aangezien bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arresten van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C‑521/09 P, EU:C:2011:620, punt 150, en 11 juli 2013, Ziegler/Commissie, C‑439/11 P, EU:C:2013:513, punt 116).
93
Met betrekking tot met de instellingen van de Unie gesloten overeenkomsten inzake overheidsopdrachten bepaalt artikel 113, lid 2, van het Financieel Reglement dat de aanbestedende dienst aan elke afgewezen inschrijver de redenen meedeelt waarom zijn inschrijving is afgewezen. Voorts stelt de aanbestedende dienst overeenkomstig artikel 113, lid 3, eerste alinea, onder a), op schriftelijk verzoek elke inschrijver die niet in een uitsluitingssituatie verkeert en die aan de selectiecriteria voldoet, in kennis van de kenmerken en relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving en de naam van de inschrijver aan wie de overeenkomst wordt gegund. Dienaangaande preciseert artikel 161, lid 2, van de uitvoeringsverordening dat „de aanbestedende dienst [...] de in artikel 113, lid 3, van [het Financieel Reglement] bedoelde informatie zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen 15 dagen na ontvangst van een schriftelijk verzoek mee[deelt]”.
94
Artikel 113, leden 2 en 3, van het Financieel Reglement en artikel 161, lid 2, van de uitvoeringsverordening voorzien ten aanzien van de afgewezen inschrijvers dus in een motivering in twee fasen. De aanbestedende dienst deelt allereerst aan alle afgewezen inschrijvers mee dat hun offerte niet in aanmerking is genomen en geeft de redenen daarvoor. Deze redenen kunnen beknopt zijn, gelet op de mogelijkheid voor de afgewezen inschrijver om te verzoeken om een specifiekere motivering. Vervolgens deelt de aanbestedende dienst overeenkomstig deze bepalingen, indien een afgewezen inschrijver die niet in een uitsluitingssituatie verkeert en aan de selectiecriteria voldoet hier schriftelijk om verzoekt, zo snel mogelijk en in ieder geval binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van dit verzoek, de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte mee en de naam van de succesvolle inschrijver (zie arrest van 26 april 2018, European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑752/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:233, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95
Dienaangaande kan niet van de Commissie worden geëist dat zij aan een inschrijver wiens offerte niet is gekozen, naast de redenen voor de afwijzing van zijn offerte, een nauwkeurige samenvatting verstrekt van de wijze waarop elk detail van zijn offerte bij de evaluatie ervan in aanmerking is genomen, en dat zij bij de mededeling van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte, een zorgvuldige vergelijkende analyse van deze offerte en de offerte van de afgewezen inschrijver verschaft (zie arrest van 4 oktober 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑629/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:617, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De aanbestedende dienst is evenmin verplicht om een afgewezen inschrijver op diens schriftelijk verzoek een volledige kopie van het beoordelingsverslag te bezorgen (zie arrest van 4 oktober 2012, Evropaïki Dynamiki/Commissie, C‑629/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:617, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
96
Ten slotte moet worden benadrukt dat bij de beoordeling of de motiveringsplicht is nageleefd, in beginsel rekening moet worden gehouden met de informatie waarover de verzoekende partij beschikte op het tijdstip waarop zij haar beroep instelde(zie in die zin arrest van 13 december 2013, European Dynamics Luxembourg en Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑165/12, EU:T:2013:646, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
97
In casu beschikte verzoekster op het tijdstip waarop zij haar beroep instelde, 5 april 2018, uitsluitend over het bestreden besluit van 26 maart 2018, als een van de aanbestedende dienst afkomstig document waarin informatie stond over de afwijzing van haar offerte en de gunning van de opdracht aan andere inschrijvers, alsmede de naam van deze inschrijvers.
98
Derhalve dient in beginsel, overeenkomstig de in punt 96 hierboven aangehaalde rechtspraak, uitsluitend aan de hand van dat besluit te worden beoordeeld of de Commissie haar motiveringsplicht heeft nageleefd.
99
De wetgever heeft evenwel ook bepaalt dat de motivering van het besluit van de aanbestedende dienst houdende afwijzing van een offerte en gunning van de opdracht aan een andere inschrijver in twee fasen kan plaatsvinden, met allereerst een summiere uiteenzetting van de redenen voor de afwijzing van de offerte en vervolgens, binnen vijftien dagen na ontvangst van het uitdrukkelijke verzoek daartoe van de afgewezen inschrijver, een beschrijving van de kenmerken en de relatieve voordelen van de gekozen offerte en de naam van de succesvolle inschrijver (zie punt 94 hierboven).
100
In casu heeft verzoekster de Commissie bij brief van 27 maart 2018 verzocht haar met name de kenmerken en relatieve voordelen van de offertes van de tien succesvolle inschrijvers mee te delen. De Commissie heeft in de loop van de onderhavige procedure bij brief van 13 april 2018 op dit verzoek geantwoord.
101
Het is van belang om op te merken dat verzoekster het onderhavige beroep op 5 april 2018 heeft ingesteld, vóór het verstrijken van de termijn van vijftien dagen waarover de Commissie beschikte om op de brief van 27 maart 2018 te antwoorden.
102
Voorts moet worden opgemerkt dat verzoekster zelf de brief van 13 april 2018 op 26 april 2018 in het kader van de onderhavige procedure heeft overgelegd, overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering. Bij de indiening van dit bewijsaanbod heeft verzoekster haar standpunt over de brief van 13 april 2018 ingenomen in een aanvullende memorie bij haar verzoekschrift, waarin zij dieper is ingegaan op enkele punten uit haar verzoekschrift met betrekking tot deze brief, en op grond van artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een nieuw middel heeft aangevoerd. De Commissie heeft de ontvankelijkheid van deze aanvullende memorie en dit nieuwe middel niet betwist. Derhalve worden deze elementen in het onderhavige arrest ontvankelijk geacht.
103
Tegen deze achtergrond moet in het licht van het bestreden besluit van 26 maart 2018, zoals aangevuld bij de brief van 13 april 2018, worden beoordeeld of de Commissie haar motiveringsplicht is nagekomen.
104
Dienaangaande heeft de Commissie verzoekster in het bestreden besluit allereerst meegedeeld dat haar offerte betreffende perceel nr. 3 vanwege de prijs-kwaliteitverhouding niet als een van de tien beste offertes was geplaatst. Het bestreden besluit bevatte onder meer een vergelijkende tabel met de scores die waren toegekend aan verzoekster, aan de als eerste geplaatste inschrijver en aan de als laatste geplaatste inschrijver. In deze tabel stonden met name de scores voor de zes onderdelen van de rubriek „Algemene opzet en methodologie”, de algemene technische score, de weging van de technische en financiële scores, en de algemene score.
105
Reeds op basis van deze gegevens kon verzoekster vaststellen dat haar offerte op de elfde plaats was gerangschikt wat betreft de financiële score, maar niet wat betreft de technische score. Daaruit kon verzoekster afleiden dat het feit dat het bedrag van haar offerte hoger was dan dat van de andere inschrijvers, doorslaggevend was voor de afwijzing van haar offerte. Bovendien kon verzoekster op basis van de voor alle technische onderdelen meegedeelde scores begrijpen, zij het op een abstract niveau, welke onderdelen van haar offerte door de aanbestedende dienst als zwakkere onderdelen waren aangemerkt.
106
Vervolgens heeft de Commissie verzoekster in haar brief van 13 april 2018 in de eerste plaats een tabel meegedeeld met daarin de scores die op de zes technische onderdelen waren behaald door verzoekster en door de tien succesvolle inschrijvers. Uit deze tabel heeft verzoekster kunnen afleiden dat haar offerte op technisch gebied wat betreft het eerste onderdeel „Opzet en methodologie” op de elfde plaats was gerangschikt, dat het belangrijkste onderdeel was en dat voor 35 op de 100 punten meetelde, en op de achtste plaats wat betreft het tweede onderdeel „Directie: voorgestelde profielen”, dat het op een na belangrijkste onderdeel was en dat voor 25 op de 100 punten meetelde.
107
In de tweede plaats is deze tabel met de scores op de technische onderdelen van de offertes aangevuld met een rubriek „commentaar”, waarin het standpunt van de beoordelingscommissie ten aanzien van iedere offerte kort samengevat stond weergegeven.
108
Wat in het bijzonder de offerte van verzoekster betreft, gaf de beoordelingscommissie het volgende commentaar:
„Goede algemene managementmethodologie – leden van het team en het consortium met ervaring met [de raamovereenkomsten] – theoretische weergave van de methodologie voor de kwaliteitscontrole – integratie van lokale deskundigen – aanwezigheid in alle landen en regio’s[, maar] onvoldoende informatie om de beschikbaarheid van de deskundigen te garanderen – weinig expertise van de directie in de sector – rol, complementariteit en meerwaarde van de leden van het consortium niet duidelijk omschreven.”
109
Het commentaar van de beoordelingscommissie, gelezen in samenhang met de details van de scores die op de technische onderdelen zijn toegekend aan verzoekster en aan de succesvolle inschrijvers, maken dus inzichtelijk waarom de Commissie verzoeksters offerte als minder bevredigend dan de gekozen offertes heeft beschouwd. In haar aanvullende memorie van 26 april 2018 heeft verzoekster immers zelf aangegeven dat het commentaar „onvoldoende informatie om de beschikbaarheid van de deskundigen te garanderen” en het commentaar „weinig expertise van de directie in de sector” volgens haar respectievelijk „betrekking lijken te hebben op” de onderdelen „Opzet en methodologie” en „Directie: voorgestelde profielen”.
110
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat geen van de succesvolle inschrijvers dezelfde kritiekpunten van de beoordelingscommissie heeft gekregen als die ten aanzien van de offerte van verzoekster zijn geuit.
111
Zoals verzoekster opmerkt, blijkt in de eerste plaats inderdaad uit het commentaar met het standpunt van de beoordelingscommissie dat deze laatste een aantal inschrijvers „onvoldoende details over de oplossingsmaatregelen ingeval de deskundigen niet beschikbaar zijn”, en „weinig informatie over de interne expertise” heeft verweten. Deze kritiekpunten zien evenwel niet op het feit dat er onvoldoende informatie is over de beschikbaarheid in eigenlijke zin van de deskundigen. Wat in de tweede plaats het ten aanzien van verzoeksters offerte geuite kritiekpunt „weinig expertise van de directie in de sector” betreft, heeft verzoekster in haar verzoekschrift zelf opgemerkt dat „op dit punt betreffende de expertise van de directie geen opmerkingen zijn gemaakt ten aanzien van de andere inschrijvers”.
112
Anders dan verzoekster suggereert, leidt de omstandigheid dat de andere inschrijvers eveneens negatieve kritiekpunten ten aanzien van hun offertes hebben gekregen er dus niet toe dat de motivering in de brief van 13 april 2018 incoherent is.
113
Verzoekster kon aan de hand van het bestreden besluit en de brief van 13 april 2018 dus begrijpen waarop de rangschikking van de offertes op de technische onderdelen was gebaseerd. Zoals in punt 95 hierboven in herinnering is gebracht, kan dienaangaande niet van de aanbestedende dienst worden geëist dat hij aan een inschrijver wiens offerte niet is gekozen, naast de redenen voor de afwijzing van zijn offerte, een nauwkeurige samenvatting verstrekt van de wijze waarop elk detail van zijn offerte bij de evaluatie ervan in aanmerking is genomen, en dat hij bij de mededeling van de kenmerken en relatieve voordelen van de gekozen offerte, een zorgvuldige vergelijkende analyse van deze offerte en de offerte van de afgewezen inschrijver verschaft.
114
Wat ten slotte de financiële beoordeling van de offertes betreft, bevatte de brief van 13 april 2018 een tabel met de algemene financiële score, de algemene technische score en de eindscore van verzoekster en van de tien succesvolle inschrijvers. Volgens de tabel is aan de als eerste gerangschikte succesvolle inschrijver, bij de financiële beoordeling van zijn offerte geen totale score van 100 punten, maar van 99,36 punten toegekend.
115
Zoals de Commissie in haar verweerschrift dienaangaande benadrukt, is de totale financiële score, overeenkomstig punt 15.3 van de instructies aan de inschrijvers, berekend door de vier in punt 6 hierboven genoemde gewogen scores voor iedere deskundigencategorie bij elkaar op te tellen. Deze vier gewogen scores zijn bepaald door de laagste prijzen te delen door de prijzen van de desbetreffende offerte en de uitkomst te vermenigvuldigen met 100. Met toepassing van deze formule kon een inschrijver die in totaal de goedkoopste offerte had ingediend zonder de goedkoopste offerte voor elk van de deskundigencategorieën in te dienen, dus geen algemene score van 100 punten op 100 krijgen.
116
Verzoekster kon dus veronderstellen dat dit in casu het geval was, nu, zoals de Commissie heeft aangegeven, de wat de financiële score betreft als eerste gerangschikte succesvolle inschrijver, de laagste prijzen voor de deskundigencategorieën I en III en voor de administratief assistent heeft aangeboden, maar voor deskundigencategorie II de op een na laagste prijzen. Gelet op het feit dat de offerte van deze succesvolle inschrijver niet voor elk van deze vier categorieën de goedkoopste was, kon hij dus geen totale financiële score van 100 punten op 100 behalen.
117
Aangezien geen van de door verzoekster ter onderbouwing van het derde middel aangevoerde argumenten gegrond is, moet dit middel worden afgewezen.
[omissis]
HET GERECHT (Negende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1)
Het beroep wordt verworpen.
2)
Transtec wordt verwezen in de kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.
Gervasoni
Madise
da Silva Passos
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 16 mei 2019.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.