30.4.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 152/40
Beroep ingesteld op 21 februari 2018 — Oostenrijk / Commissie
(Zaak T-101/18)
(2018/C 152/50)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: G. Hesse)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
besluit (EU) 2017/2112 van de Europese Commissie van 6 maart 2017 betreffende de maatregel/steunregeling/staatssteun SA.38454 — 2015/C (ex 2015/N) die Hongarije van plan is ten uitvoer te leggen ter ondersteuning van de ontwikkeling van twee nieuwe kernreactoren in de kerncentrale Paks II [kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 1486], bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 1 december 2017, L 317, blz. 45, nietig verklaren, en
—
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster tien middelen aan.
1.
Eerste middel: gebrekkige uitvoering van een aanbestedingsprocedure
In de eerste plaats is het besluit nietig wegens schending van fundamentele aanbestedingsregels, waarvan de inachtneming onlosmakelijk met het doel van de steun is verbonden.
2.
Tweede middel: onjuiste toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU — Geen sprake van een doel van gemeenschappelijk belang
In de tweede plaats is de Republiek Oostenrijk, anders dan verweerster, van mening dat er geen sprake is van een voor de goedkeuring van de steun vereist gemeenschappelijk belang overeenkomstig artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.
3.
Derde middel: onjuiste toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU — onjuiste afbakening van de economische sector en onjuiste aanname dat sprake is van marktfalen in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU
In de derde plaats heeft verweerster de voorgenomen steun ten onrechte goedgekeurd uit hoofde van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU voor zover zij er ten onrechte van uitgaat dat sprake is van een eigen markt voor kernenergie en — eveneens ten onrechte — aanneemt dat op deze markt sprake is van een markt- of kapitaalmarktfalen.
4.
Vierde middel: de maatregel is onevenredig
In de vierde plaats is het besluit volgens verzoekster ook nietig omdat verweerster heeft verzuimd om een rechtens juiste evenredigheidstoets overeenkomstig artikel 107, lid 3, onder c), VWEU te verrichten: in concreto wegen de nadelige effecten zwaarder door.
5.
Vijfde middel: onevenredige concurrentieverstoringen, die volgens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU niet verenigbaar zijn met de interne markt
In de vijfde plaats leidt het litigieuze besluit tot onevenredige — en derhalve met het Unierecht onverenigbare — concurrentieverstoringen en, wat de regels inzake staatssteun betreft, tot verschillen in behandeling op de interne markt voor elektriciteit.
6.
Zesde middel: het betreft een „project dat moeilijkheden ondervindt”
In de zesde plaats voert verzoekster aan dat steun voor een „project dat moeilijkheden ondervindt”, in de geliberaliseerde interne markt voor elektriciteit niet op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU had mogen goedgekeurd worden.
7.
Zevende middel: versterken/tot stand brengen van een machtspositie op de elektriciteitsmarkt
In de zevende plaats sluit de door de steun tot stand gebrachte machtspositie van de Hongaarse staat — die een speler in de markteconomie is — op de elektriciteitsmarkt uit dat de steun op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU verenigbaar zou zijn met de interne markt.
8.
Achtste middel: risico voor de liquiditeit van de groothandelsmarkt
In de achtste plaats had de steun, gelet op het immanente risico dat de marktliquiditeit zou afnemen, niet mogen worden goedgekeurd.
9.
Negende middel: de steun is onvoldoende bepaald
In de negende plaats voert verzoekster aan dat verweerster de omvang van de steun onvoldoende heeft bepaald.
10.
Tiende middel: schending van de motiveringsplicht overeenkomstig artikel 296, tweede alinea, VWEU
In de tiende plaats is verweerster — herhaaldelijk en ernstig — tekortgeschoten in haar motiveringsplicht.
Full & Egal Universal Law Academy