7.5.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/53
Beroep ingesteld op 22 februari 2018 — VI / Commissie
(Zaak T-109/18)
(2018/C 161/60)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: VI (vertegenwoordigers: G. Pandey en V. Villante, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
primair en voor zover nodig, artikel 90 van het Ambtenarenstatuut krachtens artikel 270 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ongeldig en in casu niet van toepassing te verklaren;
—
ten eerste, nietig te verklaren het besluit van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) van 14 november 2017 tot afwijzing van haar klacht van 13 juli 2017, daaronder begrepen de afwijzing van haar verzoek om een vergoeding van 50 000 EUR;
—
ten tweede, nietig te verklaren het besluit van EPSO van 19 april 2017 tot afwijzing van haar verzoek om herziening van het besluit van het selectiecomité om haar niet tot de volgende fase van het vergelijkend onderzoek toe te laten;
—
ten derde, nietig te verklaren het besluit van 6 februari 2017 op het online EPSO-account om haar niet op te nemen op de ontwerplijst van ambtenaren die zijn geselecteerd voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/323/16;
—
ten vierde, nietig te verklaren de op 26 mei 2016 bekendgemaakte aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/323/16 en de volledige op grond daarvan opgestelde ontwerplijst van ambtenaren die zijn geselecteerd voor deelname aan dat vergelijkend onderzoek;
—
haar een vergoeding toe te kennen voor de schade die zij heeft geleden door bovengenoemde onwettige besluiten; en
—
de verwerende partij te verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling door EPSO/het selectiecomité bij de beoordeling van verzoeksters werkervaring, daaronder begrepen schending van bijlage III bij de betrokken aankondiging van vergelijkend onderzoek betreffende de vereiste werkervaring.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van verzoeksters recht om te worden gehoord, niet-nakoming van de motiveringsplicht en schending van artikel 296 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
3.
Derde middel, ontleend aan schending van de artikelen 1, 2, 3 en 4 van verordening nr. 1/58 (1), van de artikelen 1 quater en 28 van het Ambtenarenstatuut, van artikel 1, lid 1, onder f), van bijlage III daarbij alsmede schending van de beginselen van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie.
(1) Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB, bijzondere Engelse versie, 1952-1958 (I), blz. 59).
Full & Egal Universal Law Academy