30.4.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 152/56
Beroep ingesteld op 6 maart 2018 — Scaloni en Figini / Commissie
(Zaak T-158/18)
(2018/C 152/66)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partijen: Mario Scaloni (Ancona, Italië) en Ennio Figini (Chiaravalle, Italië) (vertegenwoordiger: P. Putti, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekers verzoeken het Gerecht om, op basis van zijn uitlegging van de richtlijn en de verordening die in deze zaak aan de orde zijn, de Unie en/of de Commissie te veroordelen tot schadeloosstelling van verzoekers voor de volledige nominale waarde van de aandelen, zoals in de motivering is uiteengezet en uit de bijgevoegde documentatie blijkt, en de Unie en/of de Commissie te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekers stellen dat het de Italiaanse Staat na de inwerkingtreding van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (voor de EER relevante tekst) (1) (hierna: „richtlijn”), gevolgd door verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (2) (hierna: „verordening”), niet was toegestaan maatregelen ten gunste van bepaalde staatsbanken, waaronder de Banca Marche, te nemen.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekers drie middelen aan.
1.
Eerste middel: schadeloosstelling wegens een met richtlijn 2014/59/EU en verordening nr. 806/2014 onverenigbare uitlegging door de Commissie betreffende de onwettige uitsluiting van de Banca Marche van de kaderregeling inzake staatssteun en wegens de daaruit voortvloeiende schending van het gelijkheidsbeginsel en/of van het beginsel van non-discriminatie.
—
Volgens verzoekers was de Commissie van oordeel dat de steun ten gunste van banken van verschillende lidstaten aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder b), [VWEU] voldeed, en bijgevolg werd de steun rechtmatig geacht. De door Italië voorgenomen maatregelen moeten niet aan de richtlijn of de verordening maar aan deze bepaling — de enige bepaling waarin staatssteun wordt geregeld — worden getoetst. Deze twee rechtshandelingen bevatten geen regeling inzake staatssteun en konden als handelingen van afgeleid recht daarvoor ook niet in aanmerking komen. De steun ten gunste van de Italiaanse banken had ook toegekend moeten worden omdat hij berustte op dezelfde gronden als die waarop volgens de Commissie reeds steun was verleend.
—
Voorts maken verzoekers duidelijk dat, indien het afgeleide recht van toepassing wordt geacht, het eerste middel erin bestaat dat de Commissie, door de steun niet te verlenen, het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.
2.
Tweede middel: schending van het beginsel van de hiërarchie der Unienormen door de Europese wetgever.
—
Verzoekers zijn van mening dat, mocht het Gerecht oordelen dat de uitlegging door de Commissie juist was, er sprake is van schending van de normatieve rechtshandelingen en de Unie in haar geheel aansprakelijk is.
3.
Derde middel: schending van de fundamentele beginselen van de Italiaanse rechtsorde en niet-toepasselijkheid van de communautaire rechtsorde.
—
Verzoekers betogen dat, indien het Gerecht oordeelt dat de richtlijn noch de verordening het communautaire gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, het Italiaanse Corte costituzionale (grondwettelijk hof) moet worden verzocht na te gaan of de richtlijn en de verordening verenigbaar zijn met het in de Italiaanse constitutionele rechtsorde vervatte gelijkheidsbeginsel. Zo dit niet het geval is, had de geschonden wettelijke regeling niet in de Italiaanse rechtsorde mogen worden opgenomen.
(1) PB 2014, L 173, blz. 190.
(2) PB 2014, L 225, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy