Zaak T-215/18: Beroep ingesteld op 27 maart 2018 — QB / ECB
C2112018NL2510120180327NL0032251262
Beroep ingesteld op 27 maart 2018 — QB / ECB
(Zaak T-215/18)2018/C 211/32Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: QB (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
dientengevolge,
—
het beoordelingsrapport over 2016 nietig te verklaren alsmede het besluit van 23 mei 2017, waarvan op 28 juni 2017 is kennisgegeven en waarbij verzoekster een salarisverhoging wordt geweigerd;
—
voor zover nodig, nietig te verklaren het besluit van 18 september 2017 en het stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoeksters bezwaar respectievelijk haar klacht;
—
de verwerende partij te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade welke ex aequo et bono op 15000 EUR wordt begroot;
—
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij zes middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan niet-inachtneming van de gids voor de beoordeling en schending van de procedure voor de Annual Salary and Bonus Review (ASBR), schending van het beginsel van rechtszekerheid en niet-nakoming van de zorgplicht door de verwerende partij bij de vaststelling van het beoordelingsrapport over 2016 (hierna: „litigieuze beoordelingsrapport”). Verzoekster voert met name de volgende grieven aan:
—
het litigieuze beoordelingsrapport is opgesteld door een functionaris van DG-H en niet door de beoordelaars;
—
het litigieuze beoordelingsrapport is vastgesteld terwijl haar beoordeling reeds definitief was afgesloten;
—
de in het litigieuze beoordelingsrapport bedoelde beoordelingsperiode was van een te korte duur om de jaarlijkse beoordeling mogelijk te maken;
—
het litigieuze beoordelingsrapport is geen performance tool.
2.
Tweede middel, ontleend aan het feit dat het litigieuze beoordelingsrapport berust op een kennelijke fout, aangezien de beoordeling ten eerste deels is gebaseerd op een taak die wegens een ziekteverlof niet is afgerond, en ten tweede een positieve beoordeling van een derde manager op onregelmatige wijze en qua omvang beperkt is becommentarieerd door de beoordelaars, die bovendien geen rekening hebben gehouden met de doelstellingen.
3.
Derde middel, ontleend aan het feit dat het besluit van 23 mei 2017, waarbij verzoekster een salarisverhoging is geweigerd (hierna: „ASBR-besluit”), berustte op een onwettig beoordelingsrapport.
4.
Vierde middel, ontleend aan het feit dat het ASBR-besluit is genomen door een gezag dat niet bevoegd was, aangezien het is genomen door een persoon die tijdelijk voor zes maanden was aangesteld en niet de hoedanigheid bezat die voor het nemen van dat besluit vereist was.
5.
Vijfde middel, ontleend aan het feit dat het ASBR-besluit verschillende kennelijke fouten bevat, aangezien daarin op het moment van vaststelling ervan geen melding had kunnen worden gemaakt van een ondermaatse prestatie.
6.
Zesde middel, ontleend aan schending van de ASBR-richtsnoeren en van de ASBR-procedure alsmede aan schending van artikel 41 van het Handvest, aangezien het ASBR-besluit niet is gemotiveerd.
Full & Egal Universal Law Academy