Zaak T-226/18: Beroep ingesteld op 2 april 2018 — Global Silicones Council e.a. / Commissie
C2002018NL4410120180402NL0057441452
Beroep ingesteld op 2 april 2018 — Global Silicones Council e.a. / Commissie
(Zaak T-226/18)2018/C 200/57Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Global Silicones Council (Washington, Verenigde Staten), Wacker Chemie AG (München, Duitsland), Momentive Performance Materials GmbH (Leverkusen, Duitsland), Shin-Etsu Silicones Europea BV (Almere, Nederland), Elkem Silicones France SAS (Lyon, Frankrijk) (vertegenwoordiger: M. Navin-Jones, Solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
de bestreden handeling krachtens artikel 263 VWEU nietig verklaren;
—
op grond van artikel 277 VWEU verklaren dat bijlage XIII van de REACH-verordening en/of relevante bepalingen van deze bijlage (in het bijzonder punten 1.1.2. en/of 1.2.2.) onrechtmatig zijn en niet van toepassing zijn op de onderhavige zaak, voor zover deze een deugdelijke beoordeling van en/of conclusie over de eigenschappen van D4 en D5 verhinderen of hier een vertekend beeld van geven;
—
indien a) het advies van het Comité lidstaten van het Europees Agentschap voor chemische stoffen („ECHA”) van april 2015; b) het advies van het Comité risicobeoordeling van het ECHA van maart 2016; c) het advies van het Comité sociaaleconomische analyse van het ECHA van juni 2016; d) de conclusies/besluiten van de PBT-deskundigengroep van ECHA van november 2012, en/of e) relevante richtsnoeren van het ECHA, niet zijn te beschouwen als handelingen die de vaststelling van de bestreden handeling voorbereiden, op grond van artikel 277 VWEU verklaren dat deze handelingen onrechtmatig en niet van toepassing zijn;
—
verweerster verwijzen in de kosten van verzoeksters naar aanleiding van deze procedure;
—
elke andere rechtens noodzakelijke maatregel gelasten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter staving van hun beroep voeren verzoeksters elf middelen aan.
1.
Het eerste middel is eraan ontleend dat in verband met de risicobeoordeling sprake is van onwettigheid, kennelijk onjuiste opvattingen van het recht en de feiten, kennelijke beoordelingsfouten, schending van het rechtszekerheidsbeginsel, willekeur in de besluitvorming, en een ontoereikende motivering.
2.
Het tweede middel is eraan ontleend dat in verband met de beoordeling van de gevaren sprake is van onwettigheid, kennelijk onjuiste opvattingen van het recht en de feiten, kennelijke beoordelingsfouten, schending van het rechtszekerheidsbeginsel en willekeur in de besluitvorming. Hieronder valt ook een exceptie van onwettigheid krachtens artikel 277 VWEU inzake de relevante REACH-bepalingen in bijlage XIII en/of eerdere handelingen en maatregelen.
3.
Het derde middel is eraan ontleend dat in verband met de beoordeling van de gevaren en in het bijzonder de bepaling van de bewijskracht, sprake is van onwettigheid, kennelijk onjuiste opvattingen van het recht en de feiten, schending van het rechtszekerheidsbeginsel, willekeur in de besluitvorming en het ontbreken van een behoorlijke motivering. Hieronder valt ook een exceptie van onwettigheid krachtens artikel 277 VWEU inzake de relevante REACH-bepalingen in bijlage XIII en/of eerdere handelingen en maatregelen.
4.
Het vierde middel is eraan ontleend dat in verband met de beoordeling van de gevaren en risico’s en in het bijzonder de bepaling van de bewijskracht, sprake is van ontbrekende rechtszekerheid, schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het ontbreken van een motivering.
5.
Het vijfde middel is eraan ontleend dat in verband met de beoordeling van de gevaren en risico’s en in het bijzonder de bepaling van de bewijskracht, sprake is van niet-inachtneming van de rechten van de verdediging, waaronder het recht te worden gehoord, van het ontbreken van een behoorlijke motivering en van deugdelijke procesvoering.
6.
Het zesde middel is eraan ontleend dat in verband met de beoordeling van de gevaren en risico’s, sprake is van een handeling die de discretionaire bevoegdheden kennelijk te buiten gaat, van een kennelijk onjuiste uitoefening van discretionaire bevoegdheden en van een inbreuk op het institutionele evenwicht van bevoegdheden.
7.
Het zevende middel is eraan ontleend dat in verband met de beoordeling van de gevaren en risico’s en de kennelijk onjuiste beoordeling van de relevante feiten en de relevante wettelijke bepalingen, sprake is van onwettigheid, kennelijk onjuiste opvattingen van het recht en de feiten, een kennelijke onjuiste uitoefening van discretionaire bevoegdheden, kennelijke overschrijding van de grenzen van de discretionaire bevoegdheden, schending van de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen en het ontbreken van een motivering.
8.
Het achtste middel is eraan ontleend dat in verband met de vaststelling, toepassing, betekenis en omvang van de REACH-beperking, sprake is van schending van de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, ontbreken van een behoorlijke motivering en kennelijk onjuiste opvattingen van de feiten en het recht.
9.
Het negende middel is eraan ontleend dat in verband met de toepassing en omvang van de REACH-beperking sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel.
10.
Het tiende middel is ontleend aan schending van essentiële procedurevoorschriften, onwettigheid, een kennelijk onjuiste uitoefening van discretionaire bevoegdheden, kennelijk onjuiste opvattingen van de feiten en het recht, schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen, schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het ontbreken van een motivering alvorens de REACH-beperking vast te stellen.
11.
Het elfde middel is eraan ontleend dat de relevante bepalingen van REACH-bijlage XIII en andere relevante eerdere handelingen en maatregelen die een deugdelijke beoordeling van en/of conclusie over de eigenschappen van D4 en D5 verhinderen en/of hier een vertekend beeld van geven, volgens artikel 277 VWEU niet van toepassing zijn.
Full & Egal Universal Law Academy