Zaak T-255/18: Beroep ingesteld op 23 april 2018 — US/ECB
C2312018NL3310120180423NL0042331342
Beroep ingesteld op 23 april 2018 — US/ECB
(Zaak T-255/18)2018/C 231/42Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: US (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Blot, advocaten)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
dientengevolge:
—
het besluit van 13 juni 2017 om verzoekers overeenkomst niet om te zetten nietig te verklaren;
—
het besluit van de ECB van 11 oktober 2017 tot afwijzing van verzoekers verzoek om administratieve herziening („administrative review”) van 11 augustus 2017 nietig te verklaren;
—
het besluit van de ECB van 13 februari 2018, waarvan verzoeker op diezelfde dag kennis is geven, tot afwijzing van zijn klacht („grievance procedure”) van 7 december 2017 nietig te verklaren;
—
een vergoeding voor de geleden schade toe te kennen;
—
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan een exceptie van onwettigheid van het Omzettingsbeleid, aangezien dit in strijd is met artikel 10, onder c), van de arbeidsvoorwaarden en met artikel 2.0 van de Regels voor het personeel en tevens in strijd is met regels van hogere rang.
2.
Tweede middel, ontleend aan een exceptie van onwettigheid, aangezien artikel 10, onder c), van de Arbeidsvoorwaarden en artikel 2.0 van de Regels voor het personeel in strijd zijn met richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en met overweging 6 van de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
3.
Derde middel, ontleend aan een exceptie van onwettigheid van de richtsnoeren voor de Annual Salary and Bonus Review (ASBR), aangezien deze inbreuk maken op de motiveringsplicht en in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid.
4.
Vierde middel, ontleend aan beoordelingsfouten en niet-nakoming van de motiveringsplicht, voor wat ten eerste de aan de verzoekende partij toegekende salaristrappen betreft, ten tweede haar „constante ontwikkeling”, en ten derde het voorzien in de behoeften van de onderneming („business needs”) voor de specifieke kennis, bekwaamheden en deskundigheid van de verzoekende partij.
Full & Egal Universal Law Academy