Zaak T-301/18: Beroep ingesteld op 13 mei 2018 — Yanukovych/Raad
C2312018NL4810120180513NL0060481492
Beroep ingesteld op 13 mei 2018 — Yanukovych/Raad
(Zaak T-301/18)2018/C 231/60Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Oleksandr Viktorovych Yanukovych (Sint-Petersburg, Rusland) (vertegenwoordiger: T. Beazley, QC)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
nietigverklaring van besluit (GBVB) 2018/333 van de Raad van 5 maart 2018 ( 1 ) en uitvoeringsverordening (EU) 2018/326 van de Raad van 5 maart 2018 ( 2 ) voor zover zij verzoeker betreffen; en
—
verwijzing van de Raad in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan.
1.
Eerste middel: verzoeker voldeed op het relevante tijdstipt niet aan de vastgestelde criteria voor plaatsing van een persoon op de lijst. De Raad van de Europese Unie heeft verzuimd naar behoren rekening te houden met alle verstrekte gegevens terwijl hij tevens uiterst selectief is geweest wat betreft de gegevens die hij in aanmerking heeft genomen. Argumenten ter onderbouwing van dit middel zijn onder andere dat jegens verzoeker enkel vooronderzoeken zijn vericht, die zijn vastgelopen en die kennelijk ontoereikend zijn om te voldoen aan het betrokken criterium, en dat de gegevens op grond waarvan de Raad verzoekers naam op de lijst handhaaft volledig ontoereikend, inconsistent en onjuist zijn, en niet op enig bewijs berusten.
2.
Tweede middel: de Raad heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt door verzoeker op te nemen in de bestreden maatregelen. Door verzoeker opnieuw op de lijst te plaatsen, niettegenstaande het ontbreken van enig verband tussen de „motivering” en de relevante plaatsingscriteria, heeft de Raad een kennelijke beoordelingsfout gemaakt. Bovendien is de argumentatie met betrekking tot het eerste middel tevens van toepassing op het tweede middel.
3.
Derde middel: de Raad heeft zijn motiveringsplicht verzaakt. De Raad heeft nagelaten de werkelijke en specifieke redenen te geven voor verzoekers plaatsing op de lijst. De „motivering” opgenomen in het zesde besluit tot wijziging en de zesde verordening tot wijziging voor de plaatsing van verzoeker is (naast het feit dat deze onjuist is) formulair, ongeschikt en onvoldoende gespecificeerd.
4.
Vierde middel: de rechten van verdediging van verzoeker zijn geschonden en/of doeltreffende bescherming in rechte is hem ontzegd. De Raad heeft onder andere nagelaten met verzoeker in overleg te treden alvorens hem opnieuw op de lijst te plaatsen, en verzoeker heeft geen behoorlijke of eerlijke kans gehad om hetzij fouten recht te zetten, hetzij informatie te verschaffen over zijn persoonlijke omstandigheden. De Raad/verzoeker is op geen enkel moment voorzien van serieus, geloofwaardig of concreet bewijs ter rechtvaardiging van het opleggen van beperkende maatregelen.
5.
Vijfde middel: het ontbrak de Raad aan een passende rechtsgrondslag voor de zesde wijzigingsinstrumenten. Argumenten ter onderbouwing van het middel zijn onder andere: (a) het zesde besluit tot wijziging voldeed niet aan de vereisten voor gebruikmaking van artikel 29 VEU. Onder andere: (i) zijn de door de Raad expliciet aangehaalde doelstellingen slechts vage beweringen; (ii) houdt de grondslag geen afdoende verband met de in deze omstandigheden juiste maatstaf voor rechtelijke toetsing; en (iii) ondersteunt en legitimeert het opleggen van beperkende maatregelen het handelen van het nieuwe Oekraïense regime, dat zelf de eerlijke rechtsgang en de rechtstaat ondermijnt en stelselmatig de mensenrechten schendt. (b) Er is niet voldaan aan de vereisten voor gebruikmaking van artikel 215 VWEU aangezien er geen sprake was van een geldig besluit op grond van hoofdstuk 2 van titel V van het VEU. (c) Er bestond geen voldoende verband voor gebruikmaking van artikel 215 VWEU jegens verzoeker.
6.
Zesde middel: de Raad heeft zijn bevoegdheden misbruikt. Het eigenlijke doel van de Raad bij het uitvoeren van de zesde wijzigingsinstrumenten was in wezen het gunstig stemmen van het huidige Oekraïense regime (opdat Oekraïne de banden met de Europese Unie blijft aanhalen), in plaats van de in de zesde wijzigingsinstrumenten vermelde doelstellingen/beweegredenen. De plaatsingscriteria vertegenwoordigen een buitengewone en massale toebedeling van macht, die in lijn is met het doel van de Raad.
7.
Zevende middel: verzoekers rechten op eigendom op grond van artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn geschonden, in die zin dat de beperkende maatregelen onder meer een ongerechtvaardigde en onevenredige inperking van die rechten vormen, omdat onder andere: (i) er geen aanwijzingen zijn dat de vermeend door verzoeker verduisterde middelen geacht worden buiten Oekraïne te zijn overgemaakt; en (ii) het noodzakelijk noch passend is alle tegoeden van verzoeker te bevriezen, aangezien de Oekraïense autoriteiten inmiddels de waarde hebben bepaald van de verliezen in verband waarmee naar verluidt onderliggende strafzaken tegen verzoeker zijn ingeleid.
( 1 ) Besluit (GBVB) 2018/333 van de Raad van 5 maart 2018 tot wijziging van Besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2018, L 63, blz. 48).
( 2 ) Uitvoeringsverordening (EU) 2018/326 van de Raad van 5 maart 2018 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2018, L 63, blz. 5).
Full & Egal Universal Law Academy