Zaak T-316/18: Beroep ingesteld op 22 mei 2018 — Mediaservis/Commissie
Beroep ingesteld op 22 mei 2018 — Mediaservis/Commissie
(Zaak T-316/18)
2018/C 276/81Procestaal: EngelsPartijen
Verzoekende partij: Mediaservis s. r. o. (Praag, Tsjechische Republiek) (vertegenwoordigers: D. Vosol en C. Schneider, advocaten)
Verwerende partij: Commissie
Conclusies
—
besluit C(2018) 753 final van 19 februari 2018 van de Commissie om geen bezwaar te maken tegen een staatssteunregeling voor de Tsjechische post voor het verstrekken van universele postdienst tussen 2013-201, nietig verklaren;
—
de Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.
1.
De Commissie heeft artikel 108, leden 2 en 3, VWEU geschonden.
—
De Commissie heeft besloten om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU niet in te leiden hoewel zij ernstige moeilijkheden ondervond bij haar beoordeling van de verenigbaarheid van de staatssteun met de gemeenschappelijke markt.
2.
De Commissie heeft de zaak onvoldoende en onvolledig onderzocht en heeft niet alle feiten en juridische kwesties onderzocht die haar ter kennis zijn gebracht door personen, ondernemingen en verenigingen wier belangen mogelijk zijn geschaad door het verlenen van de steun, en zij heeft de motiveringsplicht geschonden.
—
De Commissie heeft niet alle bezwaren onderzocht die verzoekster in haar klacht had aangevoerd. De Commissie heeft daarentegen oppervlakkig vastgesteld dat de berekening van de nettokosten was gebaseerd op een passende boekhoudkundige scheiding tussen de kosten voor universele dienst en andere kosten.
—
De Commissie heeft in dat verband de motiveringsplicht geschonden.
3.
De Commissie heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling bij de berekening van de nettokosten en de verificatie of er geen sprake was van overcompensatie.
—
De Commissie is ten onrechte tot de slotsom gekomen dat de kosten die Česká pošta in het kader van de universele dienst en daarbuiten had gemaakt, waren toegekend in overeenstemming met punt 31 van de DAEB-kaderregeling van 2012. ( 1 )
—
De Commissie heeft haar besluit in dat verband gebaseerd op een kennelijk onrealistisch contrafeitelijk scenario.
—
Het door de Commissie aanvaarde contrafeitelijke scenario hield geen rekening met het feit dat op grond van de Tsjechische postwet is vereist dat de prijzen alle gemaakte kosten weerspiegelen.
—
De nettokosten zijn berekend in schending van punt 32 van de DAEB-kaderregeling van 2012, aangezien bij die berekening relevante inkomstenbronnen niet in aanmerking werden genomen, ook al hadden deze betrekking op andere activiteiten dan DAEB.
4.
De Commissie heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste rechtsopvatting wat betreft de toepassing van punt 25 van de DAEB-kaderregeling van 2012 juncto bijlage I, deel B, bij de postrichtlijn. ( 2 )
—
Hoewel punt 25 van de DAEB-kaderregeling en bijlage I, deel B, bij de postrichtlijn vereisen dat bij de berekening van de nettokosten de voordelen, daaronder, zoveel als mogelijk, begrepen immateriële voordelen, voor de verrichter van de DAEB dienen te worden beoordeeld (om rekening te houden met eventuele immateriële en marktvoordelen die een aanbieder van de universele dienst geniet), zag bijlage A.1, bij het besluit van de Commissie enkel op immateriële voordelen.
5.
De Commissie heeft de punten 51 e.v. van de DAEB-kaderregeling van 2012 en de motiveringsplicht geschonden.
—
Gelet op het marktgedrag van Česká pošta dat erop is gericht concurrenten van de markt te verdrijven, had de Commissie aanvullende vereisten moeten opleggen om te verzekeren dat het handelsverkeer niet werd beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie in de zin van punt 51 e.v. van de DAEB-kaderregeling van 2012, doch zij heeft dit niet gedaan.
—
Gesteld dat geen dergelijke verplichting op de Commissie rustte, dan was zij verplicht, gelet op het marktaandeel en het marktgedrag van Česká pošta, om concrete redenen op te geven waarom dergelijke aanvullende vereisten niet noodzakelijk waren geweest, doch zij heeft dit niet gedaan.
( 1 ) Mededeling van de Commissie, EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2011) (PB 2012, C 8, blz. 15).
( 2 ) Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PB 1998, L 15, blz. 14), laatstelijk gewijzigd door richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot wijziging van richtlijn 97/67/EG wat betreft de volledige voltooiing van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap (PB 2008, L 52, blz. 3).