Zaak T-318/18: Beroep ingesteld op 22 mei 2018 — Amazon EU en A/Europese Commissie
Beroep ingesteld op 22 mei 2018 — Amazon EU en A/Europese Commissie
(Zaak T-318/18)
2018/C 276/82Procestaal: EngelsPartijen
Verzoekende partijen: Amazon EU Sàrl (Luxemburg, Luxemburg) en A, Inc. (Seattle, Washington, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: D. Paemen, M. Petite en A. Tombiński, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van de artikelen 1 tot en met 4 van het besluit van de Europese Commissie van 4 oktober 2017 betreffende steunmaatregel SA.38944 (2014/C) (ex 2014/NN) door Luxemburg ten uitvoer gelegd ten gunste van Amazon, waarin is bepaald dat Luxemburg bij een in 2003 toegekende fiscale ruling onrechtmatige staatssteun heeft verleend aan LuxOpCo voor de periode mei 2006 tot en met juni 2014 ( 1 );
—
subsidiair, nietigverklaring van de artikelen 2 tot en met 4 van het besluit, en
—
hoe dan ook, verwijzing van de Commissie in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters negen middelen aan.
1.
Eerste middel: het besluit schendt artikel 107, lid 1, VWEU aangezien uit het besluit niet blijkt dat er sprake is van een voordeel ten gunste van verzoeksters, gelet op de door hen aangevoerde vergelijkingspunten.
—
in het besluit wordt ten onrechte geen rekening gehouden met rechtstreeks bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de vergoeding die LuxOpCo gedurende de referentieperiode daadwerkelijk voor de immateriële activa heeft betaald, in overeenstemming was met het zakelijkheidsbeginsel en dat de fiscale ruling van 2003 LuxOpCo derhalve geen voordeel heeft verleend in de vorm van een verlaagde belastinggrondslag.
2.
Tweede middel: het besluit schendt artikel 107, lid 1, VWEU aangezien de vaststelling dat er sprake is van een voordeel, is gebaseerd op een onjuiste analyse van de functies van LuxOpCo en Amazon European Holding Technologies S.C.S.
—
de analyse van de door Amazon European Holding Technologies S.C.S. (hierna: „LuxSCS”) en LuxOpCo uitgeoefende functies berust op een aantal onjuiste opvattingen, feitelijk en rechtens. Deze onjuiste opvattingen tasten de geldigheid aan van de toegepaste methode van de transactionele nettomarge (transactional net margin method) en de daaruit voortvloeiende belangrijkste bevinding dat er sprake is van een voordeel.
3.
Derde middel: het besluit schendt artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van behoorlijk bestuur aangezien bij de bevinding dat er sprake is van een voordeel geen rekening is gehouden met alle bewijzen.
—
in het besluit wordt het bewijsmateriaal niet met de vereiste zorgvuldigheid en onpartijdigheid onderzocht.
4.
Vierde middel: het besluit schendt artikel 107, lid 1, VWEU en de motiveringsplicht aangezien de bevinding dat er sprake is van een voordeel, is gebaseerd op de veronderstelling dat de vergoeding niet in overeenstemming was met het zakelijkheidsbeginsel.
—
de bevinding dat er sprake is van een voordeel impliceert dat LuxOpCo een verrekenprijs heeft betaald die duidelijk afwijkt van het zakelijkheidsbeginsel en derhalve ongegrond is.
5.
Vijfde middel: het besluit schendt artikel 107, lid 1, VWEU aangezien uit de subsidiaire motivering niet blijkt dat er sprake is van een voordeel.
—
De subsidiaire vaststelling dat de fiscale ruling van 2003 LuxOpCo een economisch voordeel heeft verleend omdat deze was gebaseerd op drie ongeschikte methodekeuzes, berust op een onjuiste kwalificatie van de respectieve functies van LuxOpCo en LuxSCS en is ongegrond.
6.
Zesde middel: het besluit schendt artikel 107, lid 1, VWEU aangezien het de fiscale ruling van 2003 onjuist als een individuele ad-hocmaatregel aanmerkt en bijgevolg ten onrechte op een vermoeden van selectiviteit is gebaseerd.
—
op basis van een onjuiste kwalificatie van de fiscale ruling van 2003 als een individuele ad-hocmaatregel wordt in het besluit bij de beoordeling van de selectiviteit ten onrechte een vermoeden van selectiviteit toegepast om vast te stellen dat de fiscale ruling van 2003 selectief van aard is.
7.
Zevende middel: het besluit schendt artikel 107, lid 1, VWEU en het rechtszekerheidsbeginsel aangezien de selectiviteitsanalyse berust op een onjuist referentiekader.
—
op grond van de subsidiaire selectiviteitsbeoordeling sluit het besluit de algemene administratieve praktijk van Luxemburg inzake verrekenprijzen ten onrechte uit van het referentiekader, hetgeen in strijd is met de toepasselijke rechtspraak.
8.
Achtste middel: het besluit schendt de beginselen van rechtszekerheid, terugwerkende kracht en non-discriminatie alsmede een wezenlijk vormvoorschrift aangezien het de geldigheid van de fiscale ruling van 2003 beoordeelt aan de hand van latere OESO-richtsnoeren.
—
het besluit is met terugwerkende kracht en op discriminerende wijze van toepassing en onderwerpt verzoeksters en het Groothertogdom Luxemburg ten onrechte aan de normen van de OESO-richtsnoeren „Verrekenprijzen van 2017”, die voor het eerst zijn bekendgemaakt na de inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU door de Commissie, en ruim na de vaststelling van de fiscale ruling van 2003.
9.
Negende middel: het besluit schendt artikel 17 van verordening nr. 2015/1589 ( 2 ) aangezien terugvordering van staatssteun wordt gelast terwijl de toepasselijke verjaringstermijn reeds was verstreken.
—
de bij het besluit gelaste terugvordering is onrechtmatig aangezien de in artikel 17 van verordening nr. 2015/1589 vastgestelde verjaringstermijn van tien jaar is verstreken.
( 1 ) Besluit (EU) 2018/859 van de Commissie van 4 oktober 2017 betreffende steunmaatregel SA.38944 (2014/C) (ex 2014/NN) door Luxemburg ten uitvoer gelegd ten gunste van Amazon (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 6740) (PB 2018, L 153, blz. 1).
( 2 ) Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9).