Zaak T-330/18: Beroep ingesteld op 23 mei 2018 — Carvalho e.a. / Parlement en Raad
Beroep ingesteld op 23 mei 2018 — Carvalho e.a. / Parlement en Raad
(Zaak T-330/18)
2018/C 285/51Procestaal: EngelsPartijen
Verzoekende partijen: Armando Carvalho (Santa Comba Dão, Portugal), en 36 anderen (vertegenwoordigers: G. Winter, professsor, R. Verheyen, advocaat, en H. Leith, Barrister)
Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie en Europees Parlement
Conclusies
—
vaststellen dat de „handelingen inzake broeikasgasemissies” ( 1 ) onwettig zijn, voor zover zij toestaan dat tussen 2021 en 2030 een hoeveelheid broeikasgassen wordt uitgestoten die in 2021 overeenstemt met 80 % van de uitstoot in 1990 en in 2030 vermindert tot 60 % van de uitstoot in 1990;
—
de handelingen inzake broeikasgasemissies nietig verklaren, voor zover daarbij doelstellingen worden vastgesteld om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 te verminderen met 40 % ten opzichte van het niveau in 1990, en met name artikel 9, lid 2, van richtlijn 2003/87/EG, zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2018/410, artikel 4, lid 2, van en bijlage I bij verordening nr. 2018/842, en artikel 4 van verordening nr. 2018/841;
—
verweerders gelasten om krachtens de handelingen inzake broeikasgasemissies maatregelen vast te stellen houdende vermindering van de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met 50 % — 60 % ten opzichte van het niveau van 1990 of een meer verregaande vermindering die het Gerecht passend acht;
—
subsidiair, indien het Gerecht geen bezwaren heeft om een bevel uit te vaardigen en zijn beslissing tot nietigverklaring van de uitstootdoelstellingen te laat komt om de desbetreffende bepalingen vóór 2021 te kunnen wijzigen, vorderen verzoekers dat het Gerecht gelast dat de bestreden bepalingen van de handelingen inzake broeikasgasemissies van kracht blijven tot een bepaalde datum, waarop zij overeenkomstig de wettelijke vereisten van hogere rang uiterlijk moeten zijn gewijzigd;
—
verweerders verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep voeren verzoekers tien middelen aan.
1.
Met het eerste middel, dat betrekking heeft op hun vordering tot nietigverklaring, voeren verzoekers aan dat de Unie uit hoofde van regels van hogere rang gehouden is om schade door de klimaatverandering te vermijden, overeenkomstig het internationale gewoonterecht dat staten verbiedt schade te veroorzaken en hen verplicht schade overeenkomstig artikel 191 VWEU te voorkomen. De Unie dient evenzeer te voorkomen dat door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermd grondrechten ten gevolge van de klimaatverandering worden geschonden. Deze rechten omvatten het recht op leven en lichamelijke integriteit, het recht een beroep uit te oefenen, het recht op eigendom, de rechten van het kind en het recht op gelijke behandeling.
2.
Volgens het tweede middel, dat verband houdt met hun vordering tot nietigverklaring, is de Unie, gelet op het causaal verband tussen de uitstoot van broeikasgassen en de gevaren van klimaatverandering, gehouden maatregelen ter regulering van broeikasgasemissies in de Unie te nemen om deze schade en schendingen van grondrechten te voorkomen.
3.
Met het derde middel, dat hun vordering tot nietigverklaring betreft, betogen verzoekers dat de klimaatverandering reeds schade en schendingen van de fundamentele mensenrechten veroorzaakt, en dat zal blijven doen. Bijkomende broeikasgasemissies die daartoe bijdragen zullen dus onwettig zijn, tenzij die emissies op objectieve gronden kunnen worden gerechtvaardigd en de Unie getracht heeft om emissiereducties te bewerkstelligen die binnen haar technische en economische mogelijkheden liggen.
4.
Volgens het vierde middel, dat ziet op hun vordering tot nietigverklaring, kan de Unie in het kader van de vaststelling van de doelstellingen in de handelingen inzake broeikasgasemissies geen dergelijke rechtvaardiging aanvoeren om de volgende redenen:
—
de doelstellingen staan uitstoothoeveelheden toe die aanzienlijk hoger liggen dan het billijke aandeel van de Europese Unie in het uitstootbudget op basis van de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs, die bestaat in een maximale toename van de gemiddelde temperatuur in de wereld met 1,5 oC dan wel ruim onder 2 oC;
—
de doelstellingen zijn vastgesteld zonder onderzoek door verweerders van de technische en economische mogelijkheden van de Unie om uitstootverminderingen te bewerkstelligen. Die doelstellingen zijn eerder gekozen omdat zij de meest kosteneffectieve middelen zijn om een vroegere langetermijndoelstelling inzake emissies te bereiken, welke ondertussen door de Overeenkomst van Parijs is vervangen;
—
het bewijsmateriaal waarover verweerders beschikken toont aan dat de Unie in feite maatregelen kon treffen om de broeikasgasemissies tegen 2030 met minstens 50 % — 60 % ten opzichte van het niveau van 1990 te reduceren.
5.
In het vijfde middel, dat betrekking heeft op hun vordering tot het uitvaardigen van een rechterlijk bevel, herhalen verzoekers hun argument dat de Unie uit hoofde van regels van hogere rang gehouden is om schade door de klimaatverandering te vermijden, overeenkomstig het internationale gewoonterecht dat staten verbiedt schade te veroorzaken en hen verplicht schade overeenkomstig artikel 191 VWEU te voorkomen. Zij is tevens uit hoofde van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gehouden tot voorkoming van schendingen van grondrechten door de klimaatverandering.
6.
Met het zesde middel, dat verband houdt met hun vordering tot het uitvaardigen van een rechterlijk bevel, betogen verzoekers dat de Unie, gelet op haar verantwoordelijkheid inzake broeikasgasemissies, in het verleden is tekortgeschoten in haar verplichtingen:
—
zij kwam haar verplichting niet na te vermijden schade te veroorzaken sinds 1992, toen het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering werd vastgesteld en de klimaatverandering algemeen bekend raakte;
—
de niet-nakoming, door de Unie, van haar verplichting kwam nog sterker tot uiting in 2009, toen zowel artikel 191 VWEU als het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van kracht was;
—
op die tijdstippen had de ongebreidelde uitstoot van broeikasgassen verboden moeten zijn, tenzij dat gedrag objectief gerechtvaardigd was. De Unie kon en kan niet beweren dat het uitstootniveau dat zij tijdens deze periode bleef dulden, overeenstemde met haar technische en economische mogelijkheden om uitstoot te verminderen.
7.
Met het zevende middel, dat hun vordering tot het uitvaardigen van een rechterlijk bevel betreft, voeren zij aan dat de Unie thans nog steeds haar verplichtingen niet nakomt door de vaststelling van de doelstellingen voor emissiereducties in de handelingen inzake broeikasgasemissies. Zoals uiteengezet in de middelen betreffende hun vordering tot nietigverklaring, leveren de handelingen inzake broeikasgasemissies geen vermindering van de uitstoot op en staan zij toe dat de uitstoot op een niveau blijft dat onwettig en niet te rechtvaardigen is.
8.
Volgens het achtste middel van verzoekers, dat verband houdt met hun vordering tot het uitvaardigen van een rechterlijk bevel, is de niet-nakoming, door de Unie, van haar verplichtingen een voldoende ernstige schending van een rechtsregel die rechten aan particulieren toekent. De Unie beschikt niet over enige beoordelingsmarge om maatregelen die binnen haar technische en economische mogelijkheden liggen om de uitstoot te verminderen, niet in overweging te nemen of niet vast te stellen.
9.
Volgens het negende middel van verzoekers, dat betrekking heeft op hun vordering tot het uitvaardigen van een rechterlijk bevel, heeft de niet-nakoming van haar verplichtingen een gevaarlijke klimaatverandering veroorzaakt, waardoor bepaalde verzoekers materiële schade hebben geleden en verzoekers in de toekomst nog schade en andere vormen van schade zullen lijden.
10.
Met het tiende middel, dat hun vordering tot uitvaardiging van een rechterlijk bevel betreft, voeren verzoekers aan dat de Unie moet verzekeren dat haar gedrag strookt met haar wettelijke verplichting om een emissiereductie te bewerkstelligen die binnen haar technische en economische mogelijkheden ligt, welke volgens het bewijsmateriaal overeenstemt met een vermindering tegen 2030 van minstens 50 % — 60 % ten opzichte van het niveau in 1990. Verzoekers vragen het Gerecht om daartoe een rechterlijk bevel uit te vaardigen.
( 1 ) Richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018 tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG ter bevordering van kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen en van besluit (EU) 2015/1814 (PB 2018, L 76, blz. 3); verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 525/2013 (PB 2018, L 156, blz. 26); en verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 525/2013 en besluit nr. 529/2013/EU (PB 2018, L 156, blz. 1). (Verzoekers verwijzen in hun verzoekschrift naar verordening 2018/842 en verordening 2018/841 in de versie zoals vastgesteld door de Raad op 14 mei 2018, vóór ondertekening en publicatie in het Publicatieblad)