Zaak T-345/18: Beroep ingesteld op 1 juni 2018 — BNP Paribas / ECB
C2682018NL4320120180601NL0053432442
Beroep ingesteld op 1 juni 2018 — BNP Paribas / ECB
(Zaak T-345/18)2018/C 268/53Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: BNP Paribas (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Gosset-Grainville, M. Trabucchi en M. Dalon, advocaten)
Verwerende partij: Europese Centrale Bank
Conclusies
—
het besluit van de ECB nr. ECB-SSM-2018-FRBNP-17 van 26 april 2018, en met name de punten 9.1, 9.2 en 9.3 ervan, gedeeltelijk nietig verklaren voor zover daarin is voorzien in een mindering van de onherroepelijke betalingstoezeggingen die op individuele, gesubconsolideerde of geconsolideerde basis zijn gedaan aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF), de nationale afwikkelingsfondsen en de depositogarantiestelsels (DGS) voor tier 1-kernkapitaal;
—
de ECB verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag. In dit verband voert verzoekster aan dat met het bestreden besluit een nieuwe maatregel van algemene strekking in het leven wordt geroepen die duidelijk de toepasselijke bepalingen voor de uitoefening van verweersters taken inzake het prudentieel toezicht overschrijdt.
Door een besluit vast te stellen zonder voorafgaande risicoanalyse van de solvabiliteit en de liquiditeit en zonder rekening te houden met het risicoprofiel van verzoekster, heeft verweerster voorts haar bevoegdheden uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder f), en artikel 16 van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank (ECB) specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63) (hierna: „GTM-verordening”) overschreden.
Ten slotte is verzoekster van mening dat artikel 16, lid 1, onder c), van de GTM-verordening de ECB niet toestaat op te treden ten einde voor „betere informatie over de risico’s” te zorgen en dat artikel 4, lid 1, onder f), en artikel 16, lid 2, onder d), van de GTM-verordening niet toelaten dat prudentiële maatregelen worden vastgesteld met betrekking tot onderwerpen die buiten de balans vallen.
2.
Tweede middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting aangezien verweerster een onjuiste uitlegging heeft gegeven aan de Unierechtelijke teksten die kredietinstellingen toestaan om aan een deel van hun verplichtingen ten aanzien van de afwikkelingsfondsen en depositogarantiestelsels via onherroepelijke betalingstoezeggingen te voldoen. Het bestreden besluit is in strijd met de doelstellingen en het oogmerk van de toepasselijke regels aangezien het niet strookt met de bedoeling van de wetgever zoals die uit de invoering van die instrumenten blijkt. Hierdoor wordt met dat besluit aan de betrokken bepalingen hun nuttige werking ontnomen.
3.
Derde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, omdat de opgelegde mindering van de onherroepelijke betalingstoezeggingen niet passend en niet nodig is tegen de achtergrond van een louter hypothetisch en reeds gedekt risico. Volgens verzoekster is een dergelijke maatregel onevenredig in verhouding tot het doel dat de ECB zelf voorop heeft gesteld, namelijk „correcte informatie over financiële risico’s verstrekken”.
4.
Vierde middel, gebaseerd op een kennelijke beoordelingsfout en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoekster betoogt dat verweerster het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door voor een instrument (mindering op kapitaalbestanddelen) te kiezen dat kennelijk ongeschikt is voor het nagestreefde doel (correcte informatie over de risico’s verstrekken), daar zij niet de passende conclusies uit haar eigen beoordeling heeft getrokken.
Full & Egal Universal Law Academy