Zaak T-363/18: Beroep ingesteld op 5 juni 2018 — Nippon Chemi-Con Corporation/Commissie
C2942018NL5210120180605NL0067521543
Beroep ingesteld op 5 juni 2018 — Nippon Chemi-Con Corporation/Commissie
(Zaak T-363/18)2018/C 294/67Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Nippon Chemi-Con Corporation (Tokio, Japan) (vertegenwoordigers: H. Niemeyer, M. Röhrig, D. Schlichting en I. Stoicescu, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
het besluit van de Europese Commissie van 21 maart 2018 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst (AT.40136 — Condensatoren) geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren;
—
subsidiair, artikel 2, onder g), van het besluit van de Europese Commissie van 21 maart 2018 nietig te verklaren;
—
subsidiair, de geldboete die verzoekster is opgelegd in artikel 2, onder g), van het besluit van de Europese Commissie van 21 maart 2018, te verminderen door zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen krachtens artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening 1/2003;
—
de Europese Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van haar beroep voert de verzoekende partij zes middelen aan.
1.
Eerste middel: schending van het recht om te worden gehoord en van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten
Volgens verzoekster heeft de Commissie haar recht om te worden gehoord geschonden door niet tot alle dossierstukken waarnaar zij in het bestreden besluit heeft verwezen toegang te verlenen, door niet elk mogelijkerwijs ontlastend bewijs te leveren, door een „letter of facts” in plaats van een aanvullende mededeling van punten van bezwaar over te maken om de tekortkomingen van de initiële mededeling van punten van bezwaar te verhelpen, en door onvoldoende toegang te verlenen tot de notulen van de vergaderingen met de andere partijen.
2.
Tweede middel: de Commissie heeft geen nauwkeurige en samenhangende bewijzen aangedragen dat er sprake is van een inbreuk die tijdens de gehele duur ervan een impact had op de EER
De Commissie heeft volgens verzoekster bovendien geen nauwkeurig en samenhangend bewijs geleverd van het bestaan van een inbreuk die tijdens de gehele duur ervan een impact had op de EER, in het bijzonder wat de ECC-bijeenkomsten (1998-2003) en de tri- en multilaterale bijeenkomsten en hun impact op de EER van 2009 tot 2012 betreft.
3.
Derde middel: onvoldoende bewijs van één enkele en voortdurende inbreuk
Volgens verzoekster de Commissie niet aangetoond dat er sprake was van één enkele voortdurende inbreuk die zich gedurende veertien jaar uitstrekte tot alle beweerde soorten bijeenkomsten over alle elektrolytische aluminiumcondensatoren en alle elektrolytische tantalumcondensatoren en die een impact had op de EER. De Commissie heeft evenmin naar behoren aangetoond dat er een totaalplan bestond dat louter op een mededingingsverstorend economisch doel was gericht, noch dat er een verband tussen de verschillende bijeenkomsten bestond.
4.
Vierde middel: geen inbreuk met een mededingingsbeperkende strekking
De Commissie heeft volgens verzoekster evenmin aangetoond dat het mededingingsverstorende gedrag een inbreuk met een mededingingsbeperkende strekking opleverde, aangezien de vermeende uitwisselingen over toekomstige prijs- en aanbodinformatie tijdens de bijeenkomsten en de contacten die relevant waren voor de verkoop in de EER, sporadisch en zeer beperkt waren.
5.
Vijfde middel: onbevoegdheid van de Commissie
Voorts heeft de Commissie zich volgens verzoekster ten onrechte bevoegd verklaard voor de beweerde inbreuk, aangezien zij het verband tussen de beweerde inbreuk en de EER onvoldoende heeft aangetoond. De Commissie heeft geen rekening gehouden met de overgelegde bewijzen waaruit bleek dat in wezen geen van de bi- en trilaterale contacten de verkoop in de EER enigerwijze beïnvloedde daar die contacten hoofdzaak niet-Europese klanten betroffen. De Commissie heeft geen bewijzen aangedragen voor haar stelling dat de Japanse condensatorenfabrikanten de bijeenkomsten bijwoonden met de bedoeling de mededinging in de EER te beperken.
6.
Zesde middel: schending van artikel 23, leden 2 and 3, van verordening nr. 1/2003 ( 1 ), van de boeterichtsnoeren van de Commissie ( 2 ) en van de grondbeginselen voor de berekening van geldboeten, met name de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid.
Tot slot betoogt verzoekster dat de Commissie artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003 heeft geschonden, alsook haar eigen boeterichtsnoeren en de grondbeginselen voor de berekening van geldboeten, met name de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid, door een disproportioneel aandeel van de verkoopwaarde in aanmerking te nemen en door geen rekening ermee te houden dat de beweerde inbreuk slechts in beperkte mate de EER betrof.
( 1 ) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
( 2 ) Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003 worden opgelegd (PB 2006, C 210, blz. 2).
Full & Egal Universal Law Academy