Zaak T-374/18: Beroep ingesteld op 19 juni 2018 — Labiri/EESC
Beroep ingesteld op 19 juni 2018 — Labiri/EESC
(Zaak T-374/18)
2018/C 285/55Procestaal: FransPartijen
Verzoekende partij: Vassiliki Labiri (Brussel, België) (vertegenwoordiger: J.-N. Louis, advocaat)
Verwerende partij: Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
—
de verwerende partij in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang te verzoeken, het besluit van de secretaris-generaal van het EESC van 30 maart 2016 over te leggen waarbij hij heeft besloten dat het hoofd van verzoeksters eenheid geen enkel verwijt treft;
—
te verklaren en vast te stellen,
—
het besluit van de secretaris-generaal van het EESC van 30 maart 2016 om het hoofd van verzoeksters eenheid geen enkel verwijt te maken en geen gevolg te geven aan haar verzoek om bijstand/klacht van 14 december 2007 wordt nietig verklaard;
—
het EESC wordt verwezen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan niet-nakoming van de uit artikel 25, tweede alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) volgende motiveringsplicht alsmede schending van de beginselen van samenwerking voortvloeiende uit de samenwerkingsovereenkomst tussen het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) en het Comité van de Regio’s van 17 december 2007.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending van artikel 24, eerste alinea, van het Statuut en van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat aan eenieder het recht op behoorlijk bestuur verleent. Meer bepaald is het bestreden besluit genomen in strijd met verzoeksters recht om te worden gehoord en met de eerbiediging van de rechten van de verdediging.
3.
Derde middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van het EESC bij de vaststelling van een sepotbesluit dat ten onrechte zou verwijzen naar een transactieovereenkomst die is gesloten in een zaak voor het Gerecht voor ambtenarenzaken, alsmede naar de conclusies van het administratieve onderzoek dat nooit heeft onderzocht of de feiten die in verzoeksters klacht worden vermeld, objectief psychisch geweld konden vormen.