22.10.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 381/28
Beroep ingesteld op 15 augustus 2018 — Danske Slagtermestre/Commissie
(Zaak T-486/18)
(2018/C 381/33)
Procestaal: Deens
Partijen
Verzoekende partij: Danske Slagtermestre (Odense, Denemarken) (vertegenwoordiger: H. Sønderby Christensen, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 19 april 2018 betreffende steunmaatregel SA.37433(2017/FC), waarvan is kennisgegeven onder nummer C(2018) 2259;
—
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten van het geding.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zeven middelen aan.
1.
Eerste middel: de Commissie heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
Verzoekster stelt dat de Commissie het in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden doordat zij Danske Slagtermestre niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord over inlichtingen die door de tegenpartij waren verstrekt en waarop de Commissie de beslissing over de zaak heeft gebaseerd.
2.
Tweede middel: de Commissie mocht geen besluit nemen, omdat zij vooringenomen was.
Verzoekster voert aan dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op het recht van Danske Slagtermestre op een onpartijdige behandeling.
3.
Derde middel: de steun houdt een voordeel in.
4.
Vierde middel: de steun is selectief.
5.
Vijfde middel: de steun is verleend door de staat of met staatsmiddelen bekostigd.
6.
Zesde middel: de steun vervalst de mededinging.
7.
Zevende middel: de steun heeft een ongunstige invloed op het handelsverkeer tussen de lidstaten.
Ter ondersteuning van het derde tot en met het zevende middel betoogt verzoekster onder meer dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door vast te stellen dat de regeling geen voordeel toekent aan bepaalde ondernemingen.
—
Ten eerste wordt aangevoerd dat de regeling een duidelijk voordeel toekent aan grote slachterijen, alleen al omdat zij impliceert dat kleinere slachterijen per slachtdier dubbel zoveel rioolheffing moeten betalen als grote slachterijen, die daardoor de leveranciers een hogere prijs kunnen bieden.
—
Ten tweede wordt betoogd dat er geen objectieve reden is om enkel grote slachterijen een vermindering van de rioolheffing toe te staan — aangezien de werkelijke kosten voor kleine, middelgrote en grote slachterijen identiek zijn — en dat de regeling alleen kan worden geacht op de werkelijke kosten gebaseerd te zijn indien de vermindering ook wordt toegestaan aan kleinere slachterijen.
—
Ten derde wordt gesteld dat het criterium van de marktdeelnemer in een markteconomie niet kan worden toegepast om te beoordelen of de regeling een voordeel inhoudt, omdat er geen Deense ondernemingen zijn die wensen te worden afgekoppeld van een centrale waterzuiveringsinstallatie en omdat er in Denemarken daadwerkelijk noch potentieel een markt voor de afvoer van afvalwater bestaat.
—
Ten vierde wordt aangevoerd dat zelfs indien het criterium van de marktdeelnemer van toepassing was, de Commissie dat criterium niet juist heeft toegepast. Het criterium van de marktdeelnemer kan enkel worden gebaseerd op cijfers die betrekking hebben op de werkzaamheden van de individuele gebruiker. Het is met dat criterium onverenigbaar om bij de berekening uit te gaan van de gemiddelde cijfers van andere gemeenten en daarenboven geen rekening te houden met de aanzienlijke investeringen die de exploitanten van de waterzuiveringsinstallaties hebben gedaan om de grote begunstigde ondernemingen aan te sluiten op het gemeentelijke netwerk, in de vorm van uitgaven voor de afvoer van afvalwater en voor de uitbreiding van de waterzuiveringsinstallaties.
Full & Egal Universal Law Academy