26.11.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 427/80
Beroep ingesteld op 29 augustus 2018 — FAKRO/Commissie
(Zaak T-515/18)
(2018/C 427/107)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: FAKRO sp. z o. o. (Nowy Sącz, Polen) (vertegenwoordiger: radca prawny A. Radkowiak-Macuda)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 14 juni 2018 in de procedure betreffende een door FAKRO Sp. z o.o. op 12 juli 2012 bij de Commissie ingediende klacht inzake misbruik van machtspositie door de VELUX-groep (Ref: AT.40026 VELUX);
—
de Europese Commissie verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
Eerste middel: een kennelijke beoordelingsfout en een ontoereikende motivering van het bestreden besluit dat heeft geleid tot de conclusie dat de Europese Unie geen belang heeft bij voortzetting van de procedure.
Verzoekster stelt dat de Commissie noch met betrekking tot de voorafgaande voorwaarden voor mogelijk misbruik van een machtspositie, noch met betrekking tot een van de zeven categorieën van vermeende handelingen een definitief standpunt heeft ingenomen. Bij de beoordeling van het middel betreffende de toepassing van afbraakprijzen door de onderneming met een machtspositie, heeft de Commissie haar besluit kritiekloos gebaseerd op de argumenten van die onderneming, zonder rekening te houden met de argumenten van verzoekster, en zelfs zonder ook maar een vereenvoudigd onderzoek naar het probleem uit te voeren. Verzoekster is van mening dat de invoering van een vechtmerk door de onderneming met een machtspositie uitsluitend beoogt het de concurrenten van die laatste onmogelijk te maken de markt te betreden of zich daar te ontwikkelen, en dat de door die onderneming toegepaste investeringskortingen selectief, exclusief en discriminerend zijn, hetgeen strijdig is met artikel 102 VWEU. Volgens verzoekster blijkt duidelijk uit het bewijsmateriaal dat het sluiten van exclusieve contacten door onderneming met een machtspositie in strijd is met artikel 102 VWEU, en zijn voor uitvoering van een onderzoek met dit doel geen aanzienlijke middelen vereist, maar volstaat een verificatie van de door haar ingediende gegevens en het bewijsmateriaal.
Tweede middel: schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, in verband met een kennelijke beoordelingsfout inzake het ontbreken van belang van de Europese Unie bij voortzetting van de procedure.
Tussen het indienen van de klacht en het afwijzend besluit zijn meer dan 71 maanden verstreken. De traagheid van het optreden van de Commissie wordt door geen enkele bijzondere omstandigheid gerechtvaardigd. De Commissie bezit grondige kennis van de Europese markt van dakramen. De traagheid van het optreden van de Commissie kan ertoe leiden dat verzoekster zich bij de nationale mededingingsautoriteiten niet kan beroepen op haar rechten wegens de in de nationale wetgeving voorgeschreven verjaringstermijn.
Derde middel: schending van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 773/2004 (1) door verzoekster de toegang tot het dossier te weigeren, waardoor haar het recht op doeltreffende verdediging is ontzegd.
Volgens de geldende regels heeft klager, wanneer de Commissie deze in kennis stelt van haar voornemen om aanvraag af te wijzen, het recht op toegang tot documenten waarop de Commissie haar voorlopige beoordeling baseert. In het onderhavige geval heeft de Commissie verzoekster deze toegang niet verleend. Bovendien is de Commissie uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de beginselen voor de beoordeling van het belang van de Europese Unie door geen betrouwbare analyse te maken van de aard en de gevolgen van de feiten die de onderneming met een machtspositie worden verweten.
(1) Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 TFUE] en [102 TFUE] (PB 2004, L 123, blz. 18).
Full & Egal Universal Law Academy