5.11.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 399/44
Beroep ingesteld op 4 september 2018 — ENGIE Global LNG Holding e.a. / Commissie
(Zaak T-525/18)
(2018/C 399/59)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: ENGIE Global LNG Holding Sàrl (Luxemburg, Luxemburg), Engie Invest International SA (Luxemburg), ENGIE (Courbevoie, Frankrijk) (vertegenwoordigers: B. Le Bret, M. Struys, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;
—
primair, het bestreden besluit nietig verklaren;
—
subsidiair, artikel 2 daarvan nietig verklaren voor zover daarbij terugvordering van de steun is gelast;
—
de Commissie in de kosten verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep tegen het besluit van de Commissie van 20 juni 2018 betreffende steunmaatregel SA.44888 (2016/C) (ex 2016/NN) door Luxemburg ten uitvoer gelegd ten gunste van ENGIE, voeren de verzoekende partijen negen middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van het recht door de Commissie bij de toepassing van het eerste criterium van het begrip staatssteun met betrekking tot het bestaan van een maatregel van de staat.
2.
Tweede middel, ontleend aan schending door de Commissie van het begrip voordeel, doordat ze de begrippen voordeel en selectiviteit verwart, uitgaat van het bestaan van een economisch voordeel op grond van een gecombineerd effect van maatregelen die afzonderlijk in overeenstemming zijn met het gemene recht, en dat effect beoordeelt op basis van een onjuiste opvatting van de feiten evenals op basis van meerdere onjuiste toepassingen van het recht en beoordelingsfouten.
3.
Derde middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van het recht en beoordelingsfouten die de Commissie heeft begaan bij de omschrijving van de twee beurtelings geselecteerde referentiekaders (algemeen en eng) om aan te tonen dat er sprake is van een discriminerende afwijking ten gunste van, ten eerste, holdingvennootschappen en, ten tweede, de ENGIE groep.
4.
Vierde middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van het recht en beoordelingsfouten die de Commissie heeft begaan bij de beoordeling van het bestaan van afwijkingen, en aan een discriminerende behandeling ten gunste van, ten eerste, holdingvennootschappen en, ten tweede, de ENGIE groep.
5.
Vijfde middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van het recht en beoordelingsfouten die de Commissie heeft begaan bij de kwalificatie van een selectief voordeel dat voortvloeit uit de niet-toepassing van de Luxemburgse regel inzake rechtsmisbruik.
6.
Zesde middel, ontleend aan een onjuiste toepassing van het recht door de Commissie bij de kwalificatie van de betrokken maatregelen als individuele steun.
7.
Zevende middel, ontleend aan schending door de Commissie van de bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de Unie, en misbruik van de bevoegdheid die haar is verleend uit hoofde van staatssteun om in te grijpen in de algemene maatregelen van nationaal beleid inzake directe belastingen.
8.
Achtste middel, ontleend aan schending door de Commissie van de procedurele rechten van verzoekers en haar niet-nakoming van motiveringsplicht krachtens artikel 296 VWEU.
9.
Negende middel, ontleend aan het subsidiair aangevoerde middel inzake schending van artikel 16 van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9), voor zover de Commissie in strijd met de algemene beginselen van het Unierecht de terugvordering van de betreffende vermeende steun heeft gelast.
Full & Egal Universal Law Academy