5.11.2018
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 399/48
Beroep ingesteld op 14 september 2018 — Dickmanns/EUIPO
(Zaak T-538/18)
(2018/C 399/63)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Sigrid Dickmanns (Gran Alacant, Spanje) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Conclusies
—
het bij brief van 14 december 2017 meegedeelde besluit van het EUIPO, volgens hetwelk verzoeksters overeenkomst als tijdelijk functionaris van het EUIPO op 30 juni 2018 eindigt, nietig verklaren en, voor zover daartoe nodig, ook de bij brieven van het EUIPO van 23 november 2013 en 4 juni 2014 meegedeelde besluiten nietig verklaren;
—
het EUIPO veroordelen tot betaling aan verzoekster van een passende schadevergoeding, waarvan de hoogte aan het oordeel van het Gerecht wordt overgelaten, voor de morele en immateriële schade die zij heeft geleden als gevolg van het in de eerste conclusie bedoelde besluit van het EUIPO, en
—
het EUIPO verwijzen in de kosten
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster de volgende middelen aan.
1.
Kennelijk onjuiste beoordeling, niet-uitoefening van discretionaire bevoegdheid door het EUIPO, schending van de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling, schending van het verbod van willekeur
Verzoekster stelt dat het EUIPO ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om verzoeksters overeenkomst een tweede maal te verlengen overeenkomstig artikel 2, onder f), van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”), of in elk geval deze bevoegdheid niet binnen een passende termijn vóór het einde van de overeenkomst heeft uitgeoefend.
2.
Schending van de richtsnoeren voor de verlenging van overeenkomsten voor bepaalde tijd van tijdelijke functionarissen (hierna: „richtsnoeren”), van het beginsel van behoorlijk bestuur, van de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling en van het beginsel dat de beëindiging van een overeenkomst van een tijdelijk functionaris als bedoeld in artikel 2, onder a) of onder f), van de RAP van een gerechtvaardigde reden (een „iusta causa”) vereist, en schending van artikel 30 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), richtlijn 1999/70/EG van de Raad (1), de raamovereenkomst (met name de artikel 1 ter en artikel 5, lid 1, ervan) en artikel 4 van IAO-Verdrag nr. 158
Volgens verzoekster had de „opzeggingsclausule” in haar overeenkomst niet meer mogen worden toegepast na de vaststelling van de richtsnoeren, aangezien deze sinds de invoering ervan de geldige procedure van het EUIPO voor de verlenging van overeenkomsten van tijdelijk personeel vormen en dus de toepassing van de „opzeggingsclausule” uitsluiten.
Verzoekster voert voorts aan dat een gerechtvaardigde reden voor beëindiging van de overeenkomst moet stroken met de begrotingsrechtelijke aard van de betrokken post.
3.
Schending van de richtsnoeren, hetgeen ook schending van een wezenlijk vormvoorschrift vormt, en van de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling, van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het beginsel van goed financieel beheer, van het recht om te worden gehoord voordat een nadelige maatregel wordt genomen [41, lid 2, onder a), van het Handvest], van de zorgplicht van het EUIPO en van de plicht van het Bureau om rekening te houden met de legitieme belangen van verzoekster, alsook een kennelijke beoordelingsfout bij de afweging van verzoeksters belangen tegen de belangen van de dienst en schending van het verbod van willekeur
4.
Schending van artikel 8, lid 1, tweede en derde zin, van de RAP en van het verbod op een keten van arbeidsverhoudingen
In dit verband betoogt verzoekster dat het EUIPO — klaarblijkelijk om de rechtsgevolgen van artikel 8, lid 1, derde zin, van de RAP te vermijden — met haar een keten van overeenkomsten in de zin van artikel 2, onder b), en artikel 2, onder a), van de RAP heeft gesloten, hoewel de activiteiten van verzoekster steeds ongewijzigd zijn gebleven. Verzoeksters eerste overeenkomst geldt dus voor onbepaalde tijd en zonder opzeggingsclausule.
5.
Onrechtmatige handhaving van de opzeggingsclausule in het kader van het protocol tot hernieuwde indiensttreding en schending van het gewettigd vertrouwen, van verzoeksters gewettigde belangen en van de zorgplicht door de toepassing van die clausule
Met haar vijfde middel stelt verzoekster dat het EUIPO de opzeggingsclausule niet meer had mogen toepassen na de lange periode sinds de ondertekening van de overeenkomst in 2005.
6.
Schending van het gewettigd vertrouwen van verzoekster, van de zorgplicht van het EUIPO jegens haar en van haar rechtmatige belangen; kennelijke beoordelingsfout bij de beoordeling van het belang van de dienst
Met haar zesde middel stelt verzoekster dat het besluit van het EUIPO om haar geen verlenging van haar overeenkomst aan te bieden, in strijd is met haar gewettigd vertrouwen, de zorgplicht en haar legitieme belangen. Tegelijkertijd vormt dit, gelet op verzoeksters zeer goede prestaties ook een kennelijke beoordelingsfout betreffende het belang van de dienst.
7.
Schending van de bepalingen van de beëindigingsclausule van artikel 5 van verzoeksters aanstellingsovereenkomst
Met het zevende middel stelt verzoekster dat het EUIPO bij de toepassing van de opzeggingsclausule ten onrechte artikel 47, onder b), ii), van de RAP heeft toegepast in plaats van artikel 47, onder c), i) van de RAP, zoals bepaald in de opzeggingsclausule, en dat de opzeggingstermijn derhalve tien maanden had moeten bedragen in plaats van de door het EUIPO vastgestelde zes maanden.
(1) Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het Ceep gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43).
Full & Egal Universal Law Academy