7.1.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 4/30
Beroep ingesteld op 8 oktober 2018 — Sammut/Parlement
(Zaak T-608/18)
(2019/C 4/41)
Procestaal: Maltees
Partijen
Verzoekende partij: Mark Anthony Sammut (Foetz, Luxemburg) (vertegenwoordiger: P. Borg Olivier, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
—
krachtens artikel 270 VWEU nietig verklaren het besluit van het Europees Parlement van 6 juli 2018, genomen op basis van artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut, tot afwijzing van de door verzoeker ingediende klacht, strekkende tot verwijdering uit zijn beoordelingsrapport over 2016 van een verklaring over het vermeende verzuim om het tot aanstelling bevoegd gezag op de hoogte te stellen van zijn voornemen om in 2016 een boek te publiceren met de titel „L-Aqwa fl-Ewropa. Il-Panama papers u il-Poter” (‘Het beste in Europa. De Panama papers en de macht); en dientengevolge,
—
gedeeltelijk nietig verklaren het besluit van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Vertalingen van 4 januari 2018; en dientengevolge,
—
de verwijdering van die verklaring uit het beoordelingsrapport gelasten (punt 3 betreffende verzoekers gedrag — Naleving van de regels en de procedures);
—
de schade beoordelen die verzoeker door die besluiten heeft geleden;
—
de verwerende partij veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de schade die verzoeker door die besluiten heeft geleden;
—
het tot aanstelling bevoegd gezag verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij drie middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan schending van artikel 17 bis van het Statuut, voor zover dit bedoeld is ter bescherming van het fundamentele recht van vrije meningsuiting zoals gewaarborgd door artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en door artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Voorts moet er sprake zijn van een evenwicht tussen rechten en verplichtingen, aangezien niet alle rechten absoluut zijn.
2.
Tweede middel, ontleend aan een onjuiste uitlegging van artikel 17 bis van het Statuut, aangezien het onderwerp van het boek geen verband houdt met „de activiteit van de Unie” en verzoeker daarom niet verplicht was het tot aanstelling bevoegd gezag op voorhand op de hoogte te stellen van zijn voornemen. De woorden „onderwerp [dat] betrekking heeft op” betekenen en verwijzen naar de inhoud van het document, dat zich bezig wil houden met de „activiteit van de Unie”. Dit betekent dat een ambtenaar het tot aanstelling bevoegd gezag alleen moet informeren en om toestemming moet vragen, indien hij zich op enige wijze bezighoudt met de activiteit van de Unie. Dit betekent dat het tot aanstelling bevoegd gezag verplicht is om de „activiteit van de Unie” eng en niet ruim uit te leggen. Voorts voert verzoeker aan dat:
—
er geen redenen voor het besluit zijn gegeven, aangezien het louter is gebaseerd op een mening en niet op feiten of juridische overwegingen;
—
het tot aanstelling bevoegd gezag een zwaardere verplichting oplegt dat in het Statuut is voorzien;
—
het besluit is gebaseerd op een onevenredige beoordelingsvrijheid;
—
de woorden „onderwerp [dat] betrekking heeft op” verwijzen naar een context die met betrekking tot de activiteit van de Unie kan worden afgeleid uit andere richtsnoeren;
—
er geen sprake van is dat verzoeker zijn verplichting van goede trouw, loyaliteit en onpartijdigheid jegens de Unie niet is nagekomen, aangezien het boek geen verwijzing naar zijn activiteit of enige andere activiteit van de Unie bevat;
—
uit de rechtspraak van het Hof van Justitie, meer bepaald het arrest van 6 maart 2001 Connolly/Commissie (C-274/99 P, EU:C:2001:127, punten 43-62), een aantal belangrijke punten kunnen worden afgeleid voor de beoordeling van de toepassing en uitvoering van artikel 17 bis van het Statuut.
3.
Derde middel, ontleend aan de immateriële schade die verzoeker als gevolg van het besluit heeft geleden, zowel op zijn werk als in zijn privéleven, en het gevolg dat dit heeft gehad voor zijn literaire productie. De schade moet daarom worden vastgesteld en vervolgens moet een vergoeding worden toegekend.