7.1.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 4/31
Beroep ingesteld op 15 oktober 2018 — Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A. / Commissie
(Zaak T-616/18)
(2019/C 4/42)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo S.A. (Warschau, Polen) (vertegenwoordigers: E. Buczkowska en M. Trepka, radcy prawni)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
—
Nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 24 mei 2018 inzake een procedure op grond van artikel 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 54 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (Zaak AT.39816 — Upstreamgasleveringen in Midden- en Oost-Europa) (1), waarbij de procedure op grond van artikel 9 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (2) is afgesloten door de aanvaarding van bindende verplichtingen door de publiekrechtelijke naamloze vennootschap Gazprom en van Gazprom Export LLC (hierna „Gazprom”) van 15 maart 2018;
—
Verwijzing van de Commissie in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan de vaststelling door de Commissie van een besluit dat kennelijk in strijd is met artikel 9 van verordening nr. 1/2003 in samenhang met artikel 102 VWEU en het evenredigheidsbeginsel, doordat de Commissie een kennelijke fout heeft gemaakt bij de beoordeling van het verzamelde bewijsmateriaal en door de erkenning dat de bezwaren die in de loop van procedure AT.39816 zijn opgeworpen met betrekking tot het feit dat Gazprom de gasleveringen aan Polen afhankelijk stelde van het verkrijgen van de controle over de gasinfrastructuur in Polen niet gerechtvaardigd waren en als gevolg van deze fout de verplichtingen van Gazprom die geen rekening hielden met de desbetreffende reserves, heeft aanvaard.
2.
Tweede middel, ontleend aan de vaststelling door de Commissie van een besluit dat kennelijk in strijd is met artikel 9 van verordening nr. 1/2003 in samenhang met artikel 102 VWEU en het evenredigheidsbeginsel, doordat de Commissie Gazproms verplichtingen in verband met de toepassing van oneerlijke en uiterst buitensporige prijzen heeft opgelegd, welke verplichtingen onvoldoende rekening houden met de bezwaren van de Commissie, die in wezen de toepassing van de buitensporige prijzen door de zeggenschap uitoefenende onderneming betroffen.
3.
Derde middel, ontleend aan de vaststelling door de Commissie van een besluit dat kennelijk in strijd is met artikel 9 van verordening nr. 1/2003 in samenhang met artikel 102 VWEU en het evenredigheidsbeginsel, doordat de Commissie Gazprom verplichtingen in verband met de invoering van territoriale beperkingen heeft opgelegd die onvoldoende rekening houden met de bezwaren van de Commissie, selectief van aard zijn en de verplichtingen overnemen die reeds de zeggenschap uitoefenende onderneming reeds in andere procedures is aangegaan, maar die niet hebben geleid tot een wijziging in haar gedrag.
4.
Vierde middel, ontleend aan de vaststelling door de Commissie van een besluit dat kennelijk in strijd is met artikel 7 VWEU in samenhang met artikel 194, lid 1, VWEU doordat een besluit is vastgesteld dat strijdig is met de doelstellingen van het energiebeleid van de Europese Unie en geen rekening houdt met de negatieve gevolgen ervan voor de Europese gasleveringsmarkt, met name de verdere isolatie en de instandhouding van mededingingsbeperkende voorwaarden op de gasmarkten in de landen in Midden- en Oost-Europa ten opzichte van West-Europa, ondanks het feit dat dit energiebeleid gericht is op de integratie van deze markten en het waarborgen van gelijke mededingingsvoorwaarden op alle markten van de Europese Unie.
5.
Vijfde middel, ontleend aan de vaststelling door de Commissie van een besluit dat kennelijk in strijd is met artikel 18, lid 1, VWEU en het gelijkheidsbeginsel omdat discriminatie is geschapen tussen de concurrenten van Gazprom die op de markten van landen in Midden- en Oost-Europa opereren, waaronder verzoekster, en de concurrenten van Gazprom die op de markten van landen in West-Europa opereren, ofschoon de twee genoemde groepen concurrenten op dezelfde Europese markt voor gasleveringen opereren en in die zin in aanmerking komen voor de regeling van artikel 102 VWEU, artikel 194, lid 1, VWEU en de handelingen van afgeleid recht die op basis daarvan worden vastgesteld.
6.
Zesde middel, ontleend aan misbruik van bevoegdheid en schending van wezenlijke vormvoorschriften doordat de Commissie een besluit heeft vastgesteld dat objectief in strijd is met het doel van artikel 9 van verordening nr. 1/2003, en procedure AT.39816 heeft uitgevoerd met kennelijke schending van de bevoegdheden die haar zijn toevertrouwd.
(1) PB 2018, C 258, blz. 6.
(2) PB 2003, L 1, blz. 1.