11.2.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 54/22
Beroep ingesteld op 29 november 2018 — Tilly-Sabco / Raad en Commissie
(Zaak T-707/18)
(2019/C 54/37)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Tilly-Sabco (Guerlesquin, Frankrijk) (vertegenwoordigers: R. Milchior en S. Charbonnel, advocaten)
Verwerende partijen: Europese Commissie, Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
het beroep tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 2018/1277 van de Raad van 18 september 2018 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee op 0 EUR (PB 2018, L 239, blz. 1) ontvankelijk verklaren;
en bijgevolg,
—
verordening (EU) nr. 2018/1277 van de Raad van 18 september 2018 tot vaststelling van de uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee op 0 EUR (PB 2018, L 239, blz. 1) nietig verklaren;
—
primair, oordelen dat de Raad aansprakelijk is wegens de onrechtmatige vaststelling van verordening (EU) nr. 2018/1277 van 18 september 2018, waarvan de nietigverklaring zal worden uitgesproken;
—
subsidiair, oordelen dat de Commissie aansprakelijk is wegens het onrechtmatig doen vaststellen van verordening (EU) nr. 2018/1277 van 18 september 2018, waarvan de nietigverklaring zal worden uitgesproken, door de Raad, en dit enkel ingeval de Commissie niet aansprakelijk zou worden geacht in het kader van de procedure welke het voorwerp is van zaak T-437/18;
—
uiterst subsidiair, oordelen dat de Raad en de Commissie aansprakelijk zijn wegens de onrechtmatige vaststelling van verordening (EU) nr. 2018/1277 van 18 september 2018, waarvan de nietigverklaring zal worden uitgesproken, en dit enkel ingeval de Commissie niet aansprakelijk zou worden geacht in het kader van de procedure welke het voorwerp is van zaak T-437/18;
—
oordelen dat het onrechtmatige handelen van de Raad en/of de Commissie de onderneming Tilly-Sabco schade heeft berokkend;
en bijgevolg,
—
primair,
—
oordelen dat de Raad verzoekster een hoofdsom van 3 238 000 EUR is verschuldigd, die is samengesteld als volgt:
—
2 848 000 EUR als vergoeding voor de niet-ontvangen restituties betreffende de verkopen in de periode van 19 juli tot en met 31 december 2013;
—
390 000 EUR als gevolg van de winst die is gederfd doordat in dezelfde periode geen 3 550 ton extra is verkocht aan landen uit het Midden-Oosten;
—
de Raad veroordelen tot betaling van een hoofdsom van 3 238 000 EUR,
—
waarop compensatoire rente wordt toegepast, te rekenen vanaf de nietigverklaring van verordening (EU) nr. 689/2013 tot aan de uitspraak van het arrest dat in de onderhavige zaak zal worden gewezen, tegen het door Eurostat (bureau voor de statistiek van de Europese Unie) voor de betrokken periode in de lidstaat van vestiging van deze vennootschap vastgestelde jaarlijkse inflatiepercentage;
—
vermeerderd met de moratoire interest vanaf de uitspraak van onderhavige arrest tot aan de volledige betaling, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank (ECB) voor haar basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee procentpunten;
—
subsidiair,
—
oordelen dat de Commissie verzoekster een hoofdsom van 3 238 000 EUR is verschuldigd, die is samengesteld als volgt:
—
2 848 000 EUR als vergoeding voor de niet-ontvangen restituties betreffende de verkopen in de periode van 19 juli tot en met 31 december 2013;
—
390 000 EUR als vergoeding voor de winst die is gederfd doordat in dezelfde periode geen 3 550 ton extra is verkocht aan landen uit het Midden-Oosten;
—
de Commissie veroordelen tot betaling van een hoofdsom van 3 238 000 EUR,
—
waarop compensatoire rente wordt toegepast, te rekenen vanaf de nietigverklaring van verordening (EU) nr. 689/2013 tot aan de uitspraak van het arrest dat in de onderhavige zaak zal worden gewezen, tegen het door Eurostat (bureau voor de statistiek van de Europese Unie) voor de betrokken periode in de lidstaat van vestiging van deze vennootschap vastgestelde jaarlijkse inflatiepercentage;
—
vermeerderd met vertragingsrente vanaf de uitspraak van het onderhavige arrest tot aan de volledige betaling, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank (ECB) voor haar basisherfinancieringsoperaties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee procentpunten;
—
oordelen dat het bedrag van de hoofdsom en de rente waartoe de Commissie in de onderhavige zaak wordt veroordeeld, kan worden verlaagd met het bedrag waartoe zij in het kader van zaak T-437/18 kan worden veroordeeld;
—
de Commissie veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade van de door haar begane dubbele onrechtmatigheid, ex aequo et bono begroot op een bedrag van 20 000 EUR;
—
uiterst subsidiair,
—
oordelen dat de Raad en de Commissie verzoekster een hoofdsom van 3 238 000 EUR zijn verschuldigd, waarbij het aan het Gerecht staat om de bedragen tussen de twee entiteiten te verdelen, die is samengesteld als volgt:
—
2 848 000 EUR als vergoeding voor de niet-ontvangen restituties betreffende de verkopen in de periode van 19 juli tot en met 31 december 2013;
—
390 000 EUR als vergoeding voor de winst die is gederfd doordat in dezelfde periode geen 3 550 ton extra is verkocht aan landen uit het Midden-Oosten;
—
de Raad en de Commissie veroordelen tot betaling van een hoofdsom van 3 238 000 EUR, waarbij het aan het Gerecht staat om de bedragen tussen de twee entiteiten te verdelen,
—
waarbij op de hoofdsom voor de Raad enerzijds en die voor de Commissie anderzijds compensatoire rente wordt toegepast, te rekenen vanaf de nietigverklaring van verordening (EU) nr. 689/2013 tot aan de uitspraak van het arrest dat in de onderhavige zaak zal worden gewezen, tegen het door Eurostat (bureau voor de statistiek van de Europese Unie) voor de betrokken periode in de lidstaat van vestiging van deze vennootschap vastgestelde jaarlijkse inflatiepercentage;
—
vermeerderd met vertragingsrente vanaf de uitspraak van het onderhavige arrest tot aan de volledige betaling, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank (ECB) voor haar basisherfinancieringsoperaties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee procentpunten;
—
de Raad en de Commissie verwijzen in de kosten van het onderhavige beroep, waarbij de beslissing over de eventuele verdeling van de kosten tussen hen aan het Gerecht wordt overgelaten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zes middelen aan.
1.
Eerste middel, ontleend aan misbruik van de procedure of schending van de procedure, aangezien zijn meent dat in de onderhavige zaak de procedure ter vervanging van een nietig verklaarde handeling niet is nageleefd. De nietig verklaarde handeling, namelijk verordening (EU) nr. 689/2013 van 18 juli 2013 tot vaststelling van de uitvoerrestitiuties in de sector vlees van pluimvee (PB 2013, L 196, blz. 13), was immers door de Commissie vastgesteld, terwijl het de Raad is die de nieuwe verordening op 18 september 2018 op basis van andere teksten heeft vastgesteld.
2.
Tweede middel, ontleend aan de schending van de regel van het parallelisme van de vormen, voor zover de nieuwe verordening niet door de Commissie, maar door de Raad werd vastgesteld en de Commissie zich had moeten laten bijstaan door het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten.
3.
Derde middel, ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag voor de bestreden verordening, aangezien artikel 43, lid 3 VWEU, dat als enige mogelijke rechtsgrondslag voor de vaststelling van de bestreden verordening is genomen, niet toestaat dat de Raad een dergelijke verordening vaststelt. Bijgevolg bestaat er geen rechtsgrondslag die de Raad toestaat om uitvoerrestituties in de sector vlees van pluimvee vast te stellen.
4.
Vierde middel, ontleend aan misbruik van de procedure, aangezien de Commissie de handeling ter vervanging van de nietig verklaarde verordening zelf had moeten vaststellen om aan het arrest van het Hof van Justitie van 20 september 2017, Tilly-Sabco/Commissie, (C-183/16 P, EU:C:2017:704), te voldoen en niet aan de Raad had mogen vragen om dit „in haar plaats” te doen.
5.
Vijfde middel, ontleend aan ontoereikende of onjuiste motivering, zowel naar de vorm, doordat in de bestreden verordening niet is toegelicht waarom aan de Raad moest worden gevraagd om deze tekst vast te stellen, noch waarom en hoe artikel 43, lid 3 VWEU de enige rechtsgrondslag was die de vaststelling hiervan toestaat, als naar de inhoud, wat betreft het vaststellen van de restitutievoet, doordat de Raad, zoals voordien de Commissie, elke economische analyse naast zich neer heeft gelegd.
6.
Zesde middel, ontleend aan een gebrek aan samenhang in de bestreden verordening, aangezien de Raad op identieke wijze, zonder overdenking en zonder onderzoek ten gronde en op basis van een verkeerde en ongeldige rechtsgrondslag, dezelfde verordening heeft vastgesteld, en dus geen rekening heeft gehouden met voornoemd arrest van het Hof van Justitie.
Volgens verzoekster wordt door de nietigverklaring van deze nieuwe verordening (EU) nr. 2018/1277 primair het recht verkregen om van de Raad vergoeding te vorderen voor de schade die zij geleden heeft wegens de vaststelling ervan. Subsidiair stelt verzoekster een vordering tot aansprakelijkstelling van de Commissie in, op wie de vaststelling van deze nieuwe nietig te verklaren verordening is terug te voeren. Ten slotte verzoekt zij het Gerecht meer subsidiair om te verklaren dat de Raad en de Commissie gezamenlijk aansprakelijk zijn, aangezien elk van beide entiteiten onderscheiden fouten heeft begaan.