18.3.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 103/44
Beroep ingesteld op 14 december 2018 — Aquind/ACER
(Zaak T-735/18)
(2019/C 103/60)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Aquind Ltd (Wallsend, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: S. Goldberg, E. White en C. Davis, solicitors)
Verwerende partij: Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER)
Conclusies
—
besluit A-001-2018 van verweerders kamer van beroep van 17 oktober 2018 en verweerders besluit 05/2018 van 19 juni 2018 dat bij het eerstgenoemde besluit is bevestigd, nietig verklaren;
—
uitspraak doen over de belangrijkste juridische punten die in het verzoekschrift zijn aangevoerd, te weten dat ten eerste verweerder en verweerders kamer van beroep ten onrechte hebben aangenomen dat verzoekster eerst een aanvraag voor een grensoverschrijdende kostentoewijzing moest indienen en een besluit daarover moest verkrijgen voordat een besluit kon worden genomen op grond van artikel 17 van verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad (1) (vierde middel), en ten tweede verweerder en verweerders kamer van beroep niet in aanmerking hebben genomen dat het voor verzoekster juridisch onmogelijk was om de voorgestelde interconnector in Frankrijk te beheren zonder een vrijstelling (zesde middel);
—
over elk van de in het verzoekschrift uiteengezette middelen afzonderlijk uitspraak doen om verdere betwistingen hierover te vermijden wanneer het verzoek om vrijstelling wordt heroverwogen door verweerder;
—
verweerder verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster negen middelen aan.
1.
Eerste middel: artikel 17, lid 1, van verordening nr. 714/2009 is onjuist uitgelegd doordat verweerder ervan is uitgegaan dat deze bepaling hem discretionaire bevoegdheid toekende bij de beoordeling van een verzoek om vrijstelling.
In het licht van de objectieve criteria van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 714/2009 zou verweerders discretionaire bevoegdheid beperkt moeten blijven tot het onderzoek of al dan niet aan die voorwaarden is voldaan.
2.
Tweede middel: verordening nr. 714/2009 is onjuist uitgelegd doordat is uitgegaan van de opvatting dat een verzoek om vrijstelling uitsluitend zou mogen worden ingewilligd om in laatste instantie uitkomst te bieden.
Voor de opvatting dat een vrijstelling alleen zou mogen worden verleend om in laatste instantie uitkomst te bieden, lijkt geen grondslag te bestaan.
3.
Derde middel: de bewijslast en de bewijsvereisten voor het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 17, lid 1, van verordening nr. 714/2009 zijn onjuist beoordeeld.
Verweerder lijkt van verzoekster een probatio diabolica te verlangen.
4.
Vierde middel: de onderlinge verhouding tussen artikel 17, lid 1, van verordening nr. 714/2009 en artikel 12 van verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) is onjuist uitgelegd, waardoor is aangenomen dat verzoeksters interconnector in aanmerking kwam voor de procedure voor een grensoverschrijdende kostentoewijzing en er geen rekening is gehouden met de problemen die een dergelijke procedure met zich meebrengt.
—
Het kan niet juist zijn dat een vrijstelling alleen kan worden verleend nadat is aangetoond dat niet is voorzien in een reguleringsstelsel in de zin van artikel 12 van verordening nr. 347/2013. Een dergelijk stelsel zou op vrijwilligheid moeten berusten en niet van toepassing behoren te zijn wanneer een vrijstelling is verleend.
—
In verweerders benadering is mogelijk geen rekening gehouden met de risico’s die verbonden zijn aan het streven naar een gereguleerd stelsel.
5.
Vijfde middel: de weigering om bij het bepalen van de juiste uitlegging van verordening nr. 714/2009 rekening te houden met gevestigde precedenten en de keuze voor een fundamenteel andere benadering zijn in strijd met het fundamentele Unierechtelijke beginsel van rechtszekerheid en met de bescherming van gewettigd vertrouwen.
—
Verzoekster moet kunnen vertrouwen op de in de besluiten van de Commissie ontwikkelde regelgevingspraktijk en beginselen voor de beoordeling van verzoeken om vrijstelling.
6.
Zesde middel: artikel 17, lid 1, onder b), van verordening nr. 714/2009 is onjuist toegepast doordat geen rekening is gehouden met beperkingen die naar Frans recht gelden voor promotoren van elektriciteitsinterconnectoren in Frankrijk die geen RTE (Réseau de Transport d’Electricité) aanbieden.
—
Aangezien niet is aangetoond dat de Franse wettelijke beperkingen in strijd zijn met het Unierecht, hadden zij door verweerder in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of de investering zonder een vrijstelling zou plaatsvinden.
—
Op de soorten risico’s waarmee bij de beoordeling van de voorwaarde van artikel 17, lid 1, onder b), van verordening nr. 714/2009 rekening mag worden gehouden, staat geen beperking.
7.
Zevende middel: artikel 17, lid 1, onder b), van verordening nr. 714/2009 is onjuist toegepast doordat geen rekening is gehouden met de behoefte aan zekerheid met betrekking tot de inkomsten op lange termijn om de financiering van verzoeksters interconnector te kunnen waarborgen.
Projectrisico’s kunnen een beletsel vormen voor de toezegging van de vereiste financiering. De impact van risico’s op verzoeksters vermogen om de financiering te waarborgen had dan ook in aanmerking moeten worden genomen.
8.
Achtste middel: artikel 17, lid 1, onder b) van verordening nr. 714/2009 is onjuist toegepast doordat geen rekening is gehouden met de algemene impact van de individuele risico’s die aan verzoeksters interconnector zijn verbonden.
De algemene verhouding tussen risico en rendement bepaalt of een investering zal plaatsvinden. Derhalve kan niet worden volstaan met een analyse van elke soort risico afzonderlijk.
9.
Negende middel: verweerders kamer van beroep heeft verweerders besluit niet voldoende grondig onderzocht.
Gezien de omvang van haar bevoegdheden en het feit dat ernstige kwesties aan de orde waren, had verweerders kamer van beroep verweerders besluit grondiger moeten onderzoeken.
(1) Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1228/2003 (PB 2009, L 211, blz. 15).
(2) Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB 2013, L 115, blz. 39).
Full & Egal Universal Law Academy