BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
30 april 2019 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring – ELGF en Elfpo – Uitvoeringsbesluit van de Commissie – Kennisgeving aan de adressaat – Bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie – Beroepstermijn – Beginpunt – Tardiviteit – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑530/18,
Roemenië, vertegenwoordigd door C.‑R. Canţăr, E. Gane, C.‑M. Florescu en O.‑C. Ichim als gemachtigden,
verzoeker,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Aquilina en L. Radu Bouyon als gemachtigden,
verweerster,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2018/873 van de Commissie van 13 juni 2018 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2018, L 152, blz. 29), voor zover daarbij bepaalde door Roemenië verrichte uitgaven worden uitgesloten,
geeft
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: A. M. Collins, president, M. Kancheva (rapporteur) en G. De Baere, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1
Op 13 juni 2018 heeft de Europese Commissie uitvoeringsbesluit (EU) 2018/873 tot onttrekking aan financiering door de Europese Unie van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB 2018, L 152, blz. 29; hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld. Bij het bestreden besluit heeft de Commissie ten aanzien van Roemenië een financiële correctie toegepast van in totaal 90133370,64 EUR betreffende met name submaatregel 1a met betrekking tot de maatregelen die vallen onder het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) in het kader van de „Plattelandsontwikkeling Elfpo” voor de begrotingsjaren 2015 en 2016 en submaatregelen 3a, 5a, 3b en 4b met betrekking tot de niet-areaalgebonden maatregelen in het kader van de „Plattelandsontwikkeling Elfpo, as 2” voor het boekjaar 2014.
2
Artikel 1 van het bestreden besluit bepaalt:
„De in de bijlage vermelde bedragen betreffende de uitgaven van erkende betaalorganen van de lidstaten die ten laste van het ELGF of het Elfpo zijn gedeclareerd, worden aan financiering door de Unie onttrokken.”
3
Artikel 2 van het bestreden besluit bepaalt met name:
„Dit besluit is gericht tot [...] Roemenië [...].”
4
Op 14 juni 2018 is het bestreden besluit ter kennis gebracht van de permanente vertegenwoordiging van Roemenië bij de Europese Unie, onder nummer C(2018) 3826.
5
Op 15 juni 2018 is het bestreden besluit bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Procedure en conclusies van partijen
6
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 september 2018, heeft Roemenië het onderhavige beroep ingesteld.
7
Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 oktober 2018, heeft de Commissie krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
8
Roemenië heeft op 26 november 2018 opmerkingen ingediend over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid.
9
Bij een maatregel tot organisatie van de procesgang van 24 januari 2019 heeft het Gerecht de Commissie om informatie verzocht over mogelijke verschillen tussen de ter kennis gebrachte tekst en de bekendgemaakte tekst van het bestreden besluit.
10
Bij brief van 4 februari 2019 heeft de Commissie aan het verzoek van het Gerecht voldaan door de gevraagde informatie te verstrekken.
11
In het verzoekschrift verzoekt Roemenië het Gerecht:
–
het bestreden besluit gedeeltelijk nietig te verklaren:
–
voor submaatregel 1a in zijn geheel (13184846,61 EUR voor de boekjaren 2015 en 2016);
–
voor submaatregelen 3a, 5a, 3b en 4b in hun geheel (45532000,96 EUR voor de boekjaren 2014, 2015 en 2016) en, subsidiair, gedeeltelijk voor de periode voorafgaand aan 19 september 2015 (21315857,50 EUR);
–
de Commissie te verwijzen in de kosten.
12
In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt de Commissie het Gerecht:
–
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en te verwerpen;
–
Roemenië te verwijzen in de kosten.
13
In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid herhaalt Roemenië zijn vorderingen en verzoekt het voorts het Gerecht het beroep ontvankelijk te verklaren.
In rechte
14
Overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien de verweerder daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan.
15
In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht en beslist het uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
16
Ter ondersteuning van de exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt de Commissie dat het beroep te laat is ingesteld, op 7 september 2018. Aangezien het bestreden besluit op 14 juni 2018 aan de permanente vertegenwoordiging van Roemenië ter kennis is gebracht, is de beroepstermijn op 24 augustus 2018 verstreken.
17
In zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid betoogt Roemenië dat het beroep ontvankelijk is.
18
In de eerste plaats voert Roemenië aan dat artikel 263, zesde alinea, VWEU niet aldus kan worden uitgelegd dat de termijn van twee maanden voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van de Europese Unie automatisch en in het algemeen ingaat op het tijdstip waarop die handeling in werking treedt of rechtsgevolgen sorteert. Artikel 297 VWEU verzet zich namelijk tegen een dergelijke conclusie.
19
In de tweede plaats stelt Roemenië dat de termijn van twee maanden voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling die ter kennis moet worden gebracht, maar die volgens een reeds lang bestaande en vaste praktijk van de opsteller van de handeling ook in het Publicatieblad wordt bekendgemaakt, altijd moet ingaan op het tijdstip van de bekendmaking van die handeling.
20
In de derde plaats voert Roemenië aan dat deze oplossing des te noodzakelijker is gezien de concrete omstandigheden waarin het bestreden besluit ter kennis van de Roemeense autoriteiten is gebracht en is bekendgemaakt. In het onderhavige geval zou de rechtsonzekerheid die voortvloeit uit het feit dat het bestreden besluit niet alleen ter kennis is gebracht, maar ook is bekendgemaakt, nog worden versterkt door de verschillen tussen de tekst die de Commissie op 14 juni 2018 aan de permanente vertegenwoordiging van Roemenië heeft meegedeeld en de tekst die is bekendgemaakt in het Publicatieblad van 15 juni 2018, waaruit zou blijken dat de ter kennis gebrachte tekst op zijn minst onvolledig is.
21
Kortom, Roemenië is van mening dat de ter kennis gebrachte tekst onvolledig is en dat de regelmatigheid van de kennisgevingsprocedure daardoor in het gedrang is gekomen. Het tijdstip waarop Roemenië met voldoende duidelijkheid en nauwkeurigheid kennis heeft gekregen van de inhoud van het bestreden besluit en de redenen waarop het is gebaseerd, is in feite het tijdstip van volledige bekendmaking. Bijgevolg is volgens Roemenië de termijn van twee maanden voor het instellen van beroep ingegaan op de datum van bekendmaking van het bestreden besluit in het Publicatieblad, namelijk op 15 juni 2018, en moet deze termijn worden verlengd met de in artikel 59 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde veertien dagen en de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde onveranderlijke termijn van tien dagen wegens afstand.
22
In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 263, zesde alinea, VWEU een beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld „binnen twee maanden te rekenen, naargelang het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de bestreden handeling, vanaf de dag van kennisgeving van deze handeling aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop deze van de handeling kennis heeft gekregen”.
23
Bovendien worden volgens artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering de procestermijnen verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.
24
Volgens vaste rechtspraak zijn de beroepstermijnen van artikel 263 VWEU van openbare orde en kunnen zij niet naar believen van partijen en de rechter worden ingeroepen (arrest van 23 januari 1997, Coen, C‑246/95, EU:C:1997:33, punt 21; beschikkingen van 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punt 22, en 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑551/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:238, punt 22).
25
De Unieregeling inzake beroepstermijnen is bedoeld om te voldoen aan de eis van rechtszekerheid en de noodzaak om elke vorm van discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te voorkomen (zie in die zin beschikkingen van 16 november 2010, Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert/Commissie, C‑73/10 P, EU:C:2010:684, punt 52; 18 december 2012, Duitsland/Commissie, T‑205/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:704, punt 40, en 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punt 23).
26
Voorts zij in herinnering gebracht dat kennisgeving als bedoeld in artikel 263, zesde alinea, VWEU de verrichting is waarbij de auteur van een handeling met individuele strekking, als een krachtens artikel 297, lid 2, derde alinea, VWEU vastgesteld besluit, die handeling meedeelt aan degenen tot wie zij is gericht en hen aldus in staat stelt kennis te nemen van de inhoud ervan en de redenen waarop zij is gebaseerd (beschikkingen van 2 oktober 2014, Page Protective Services/SEAE, C‑501/13 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2259, punt 30; 18 december 2012, Hongarije/Commissie, T‑320/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:705, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punt 24).
27
Bovendien wordt volgens artikel 297, lid 2, derde alinea, VWEU – anders dan van handelingen die moeten worden bekendgemaakt in het Publicatieblad – van besluiten die de adressaten vermelden, kennis gegeven aan hen tot wie zij zijn gericht en die besluiten worden door deze kennisgeving van kracht (arrest van 17 mei 2017, Portugal/Commissie, C‑337/16 P, EU:C:2017:381, punt 35; beschikkingen van 18 december 2012, Hongarije/Commissie, T‑320/11, niet gepubliceerd, EU:T:2012:705, punt 20, en 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punt 25).
28
Uit de gecombineerde lezing van artikel 263, zesde alinea, en artikel 297, lid 2, derde alinea, VWEU volgt dat met betrekking tot beroepen tot nietigverklaring de in aanmerking te nemen datum voor de vaststelling van het aanvangstijdstip van de beroepstermijn de bekendmakingsdatum is wanneer in die bekendmaking, die een voorwaarde voor de inwerkingtreding van de handeling is, in dat Verdrag wordt voorzien en de kennisgevingsdatum in de andere in artikel 297, lid 2, derde alinea, VWEU vermelde gevallen, waaronder het geval waarin in het besluit de adressaat wordt vermeld (arrest van 17 mei 2017, Portugal/Commissie, C‑337/16 P, EU:C:2017:381, punt 36).
29
Het Hof heeft die uitlegging van artikel 263, zesde alinea, VWEU bevestigd door vast te stellen dat in het geval van een handeling waarin de adressaten worden vermeld, alleen de aan de adressaten betekende tekst authentiek is, ook al is die handeling ook in het Publicatieblad bekendgemaakt (arresten van 13 juli 1966, Consten en Grundig/Commissie, 56/64 en 58/64, EU:C:1966:41, blz. 491, en 17 mei 2017, Portugal/Commissie, C‑337/16 P, EU:C:2017:381, punt 37).
30
In casu wordt Roemenië in het bestreden besluit uitdrukkelijk vermeld als adressaat, zoals blijkt uit artikel 2 ervan, en is dat besluit op 14 juni 2018 ter kennis gebracht van de permanente vertegenwoordiging van Roemenië. Roemenië betwist overigens niet de adressaat van het bestreden besluit te zijn en er op 14 juni 2018 kennis van te hebben gekregen.
31
Bijgevolg is het bestreden besluit overeenkomstig artikel 297, lid 2, derde alinea, VWEU, als een tot Roemenië gerichte handeling van individuele strekking, van kracht geworden ten aanzien van Roemenië met de kennisgeving ervan op 14 juni 2018. Dankzij die kennisgeving heeft Roemenië kennis kunnen nemen van de inhoud van dat besluit en van de redenen waarop het is gebaseerd.
32
De termijn voor het instellen van beroep tegen het bestreden besluit is derhalve ingegaan op de datum waarop het aan de permanente vertegenwoordiging van Roemenië ter kennis is gebracht en niet op de datum waarop het in het Publicatieblad is bekendgemaakt.
33
Bovendien kan artikel 59 van het Reglement voor de procesvoering in casu niet van toepassing zijn, aangezien het alleen van toepassing is wanneer de termijn voor het instellen van een beroep tegen een handeling van een instelling begint te lopen vanaf de bekendmaking van die handeling in het Publicatieblad.
34
De argumenten van Roemenië doen niet af aan deze conclusie.
35
Roemenië voert in wezen aan dat het beginpunt van de beroepstermijn in casu de bekendmaking van het bestreden besluit in het Publicatieblad is en niet de kennisgeving ervan. Dit is het gevolg van, ten eerste, het ontbreken van een correlatie tussen het criterium van het beginpunt van de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een instelling en het tijdstip van inwerkingtreding van die handeling, ten tweede, de atypische situatie die is ontstaan uit een vaste praktijk van de Commissie om dergelijke besluiten te publiceren en deze tegelijkertijd aan de adressaten ervan mee te delen, en, ten derde, de verschillen tussen de tekst die ter kennis is gebracht en die welke is bekendgemaakt.
36
In de eerste plaats stelt Roemenië dat uit de rechtspraak volgt dat het tijdstip van inwerkingtreding of het ontstaan van rechtsgevolgen niet automatisch en altijd het beginpunt is van de termijn van twee maanden voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring en dat het voor de uitoefening van het recht van beroep van belang is dat de inhoud van de handeling van de Unie daadwerkelijk wordt meegedeeld. Uit het ontbreken van een correlatie tussen het beginpunt van de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van een instelling van de Unie en het tijdstip van inwerkingtreding van die handeling blijkt dat het beginpunt van de termijn voor het instellen van een beroep tegen het bestreden besluit, ook al was dit besluit reeds in werking getreden en van kracht geworden ten aanzien van Roemenië, de latere bekendmaking ervan in het Publicatieblad kan zijn.
37
In dat verband zij erop gewezen dat het betoog van Roemenië berust op een verwarring tussen de voorwaarden voor ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring, zoals bedoeld in artikel 263 VWEU, en de voorwaarden betreffende de geldigheid van het besluit waartegen een dergelijk beroep is gericht (zie in die zin beschikking van 11 december 2006, MMT/Commissie, T‑392/05, niet gepubliceerd, EU:T:2006:382, punt 33). Met dit betoog wordt dus niet ter discussie gesteld dat de kennisgeving van het bestreden besluit relevant is als beginpunt voor de beroepstermijn.
38
Bovendien is het betoog van Roemenië niet steekhoudend, aangezien het meerdere gevallen uit de rechtspraak aanhaalt, waarbij de bekendmaking weliswaar de beroepstermijn deed ingaan, doch dit slechts het geval was omdat de betrokken handeling niet ter kennis van de verzoekende partij was gebracht. In de onderhavige zaak heeft Roemenië, als adressaat van het bestreden besluit, echter de kennisgeving ervan naar behoren ontvangen en is het deze kennisgeving die voor Roemenië de beroepstermijn doet ingaan.
39
Wat het argument betreft waarmee Roemenië aanvoert dat het Hof in het arrest van 10 maart 1998, Duitsland/Raad (C‑122/95, EU:C:1998:94, punt 35), heeft geoordeeld dat het beginpunt van de termijn voor het instellen van een beroep tegen een handeling van de Unie de bekendmaking van de handeling is, hoewel deze niet relevant is voor de inwerkingtreding van die handeling, volstaat het eraan te herinneren dat de bestreden handeling in die zaak een verordening was die was vastgesteld naar aanleiding van een door de Unie gesloten internationale overeenkomst, te weten een tot alle lidstaten gerichte handeling van algemene strekking waarvan de bekendmaking in het Publicatieblad de beroepstermijn deed ingaan en die niet ter kennis was gebracht (zie in die zin beschikking van 4 juli 2012, ICO Satellite/Commissie, T‑350/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:341, punt 36). In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat het criterium van de datum waarop van de handeling kennis is gekregen, voor het ingaan van de beroepstermijn subsidiair is ten opzichte van de criteria van bekendmaking of kennisgeving van de handeling. Uit dat arrest blijkt niet dat het criterium van kennisgeving subsidiair is ten opzichte van dat van bekendmaking.
40
Ook wat de daarmee verband houdende stelling betreft dat het Gerecht in de beschikking van 21 november 2005, Tramarin/Commissie (T‑426/04, EU:T:2005:405, punt 49), heeft geoordeeld dat „wat de handelingen betreft die volgens een vaste praktijk van de betrokken instelling worden bekendgemaakt [...] de datum van bekendmaking de beroepstermijn deed ingaan”, volstaat het op te merken dat in die zaak niet de verzoekende partij, maar een derde belanghebbende de adressaat van het ter kennis gebrachte besluit was. In casu is het bestreden besluit naar behoren ter kennis gebracht van Roemenië, dat de adressaat ervan was.
41
Wat bovendien de verwijzing naar het arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad (C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punten 58 en 59), betreft, volstaat het op te merken dat het Hof heeft geoordeeld dat artikel 263, zesde alinea, VWEU niet coherent zou worden toegepast wanneer bij personen en entiteiten wier namen voorkomen op de lijsten in de bijlagen bij handelingen die op basis van de bepalingen inzake het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid worden vastgesteld, het uitgangspunt voor de berekening van de termijn voor het instellen van beroep tot nietigverklaring de datum van bekendmaking van de betrokken handeling zou zijn en niet de datum waarop daarvan aan hen is kennisgegeven. Volgens het Hof volgt daaruit dat het weliswaar juist is dat handelingen als de litigieuze handelingen op grond van de bekendmaking ervan in werking treden, maar dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU, voor elk van deze personen en entiteiten ingaat op de datum van de kennisgeving die daarvan aan hen moet geschieden. Uit dat arrest blijkt duidelijk dat het criterium van kennisgeving of individuele mededeling als beginpunt van de beroepstermijn moet worden toegepast, zelfs wanneer het criterium van bekendmaking bepalend is voor de inwerkingtreding van de betrokken handeling. Deze rechtspraak kan dus op geen enkele wijze de stelling van Roemenië ondersteunen dat de bekendmaking het beginpunt van de beroepstermijn is, aangezien die rechtspraak die stelling juist formeel afwijst, zelfs in een geval waarin de bekendmaking bepalend is voor de inwerkingtreding en het moment waarop de betrokken handeling rechtsgevolgen sorteert.
42
In de tweede plaats voert Roemenië aan dat de Commissie volgens een reeds lang bestaande en vaste praktijk haar besluiten waarbij bepaalde uitgaven die zijn verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) van financiering door de Unie worden uitgesloten, in het Publicatieblad bekendmaakt en daarvan tegelijkertijd kennis geeft aan de adressaten. In een dergelijke atypische situatie, waarin een handeling van individuele strekking ook wordt bekendgemaakt, kan de wijze waarop de adressaten kennis krijgen van de inhoud van de handeling en de redenen waarop deze is gebaseerd, om hun recht op beroep binnen de in artikel 263, zesde alinea, VWEU bedoelde termijn van twee maanden te kunnen uitoefenen, de vorm aannemen van bekendmaking in plaats van kennisgeving. Wanneer een handeling op twee manieren ter kennis van de geadresseerde is gebracht, in casu via bekendmaking en kennisgeving, vereisen het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op een daadwerkelijke rechterlijke bescherming dat de termijn van twee maanden voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring ingaat op de datum van bekendmaking van de handeling en niet op de datum van kennisgeving ervan.
43
In dat verband zij meteen eraan herinnerd dat het Gerecht in het arrest van 15 september 1998, BP Chemicals/Commissie (T‑11/95, EU:T:1998:199, punten 48‑51), heeft vastgesteld dat er bij de Commissie een vaste praktijk bestond om besluiten als aan de orde in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, te weten een besluit inzake staatssteun, bekend te maken, en van oordeel was dat de verzoekende partij redelijkerwijze mocht verwachten dat het litigieuze besluit zou worden bekendgemaakt in het Publicatieblad. Het Gerecht heeft weliswaar in wezen geoordeeld dat de termijn voor het instellen van beroep tegen het betrokken besluit in dat geval was beginnen te lopen vanaf die bekendmaking, doch het heeft erop gewezen dat dit enkel en alleen het geval was indien het litigieuze besluit niet eerder ter kennis van de verzoekende partij was gebracht. Bijgevolg volgt uit dit arrest dat, ook al bestaat er bij de Commissie een vaste praktijk om besluiten als aan de orde in de onderhavige zaak, waarbij uitgaven aan financiering van de landbouwfondsen van de Unie worden onttrokken, voor de berekening van de beroepstermijn rekening moet worden gehouden met de kennisgeving van dat besluit aan de lidstaten waarvoor het is bestemd, en niet met de bekendmaking ervan in het Publicatieblad, wanneer die later heeft plaatsgevonden (zie in die zin beschikkingen van 23 november 2015, Slovenië/Commissie, T‑118/15, niet gepubliceerd, EU:T:2015:912, punten 27 en 28, en 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punten 35 en 36). In casu staat vast dat het bestreden besluit vóór de bekendmaking ervan ter kennis van Roemenië is gebracht.
44
Vervolgens kan Roemenië niet op goede gronden aanvoeren dat de Commissie, gelet op de omstandigheden, bij de adressaten een legitieme verwachting heeft gewekt dat, telkens wanneer zij besluiten als het bestreden besluit vaststelt, er een bekendmaking in het Publicatieblad zou plaatsvinden en dat daaruit de gevolgen zouden voortvloeien die normaal gesproken voortvloeien uit de bekendmaking van handelingen waarvoor de regels van de Unie in een publicatieplicht voorzien. Zij levert immers niet het bewijs dat de Commissie haar nauwkeurige toezeggingen in die zin heeft gedaan (zie in die zin arrest van 16 december 2010, Kahla Thüringen Porzellan/Commissie, C‑537/08 P, EU:C:2010:769, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak; beschikkingen van 23 november 2015, Slovenië/Commissie, T‑118/15, niet gepubliceerd, EU:T:2015:912, punt 28, en 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punt 37).
45
Wat voorts de stelling betreft dat een dergelijke uitlegging van artikel 263 VWEU in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op een daadwerkelijke rechterlijke bescherming, volstaat het in herinnering te brengen dat volgens vaste rechtspraak die uitlegging volledig in overeenstemming is met het doel van de klacht- en beroepstermijnen, die beogen de rechtszekerheid te waarborgen door te voorkomen dat handelingen van de Unie die rechtsgevolgen teweegbrengen, onbeperkt in geding kunnen worden gebracht (arresten van 7 juli 1971, Müllers/CES, 79/70, EU:C:1971:79, punt 18; 17 februari 1972, Richez-Parise/Commissie, 40/71, EU:C:1972:9, punt 6, en 12 juli 1984,Moussis/Commissie, 227/83, EU:C:1984:276, punt 12), en beantwoorden aan de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (arresten van 4 februari 1987, Cladakis/Commissie, 276/85, EU:C:1987:57, punt 11; 29 juni 2000, Politi/ETF, C‑154/99 P, EU:C:2000:354, punt 15, en 5 maart 2008, Combescot/Commissie, T‑414/06 P, EU:T:2008:58, punt 43).
46
Wat daarenboven de stelling betreft dat het Hof in het arrest van 19 december 2012, Leno Merken (C‑149/11, EU:C:2012:816, punt 39), heeft geoordeeld dat, wanneer de bewoordingen van een bepaling niet voldoende duidelijk zijn, rekening moet worden gehouden met de context waartoe deze bepaling behoort, alsook met de doelstellingen die zij nastreeft, staat vast dat over de formulering van artikel 263 VWEU, afzonderlijk beschouwd of in samenhang met artikel 297 VWEU, geen twijfel bestaat (zie in die zin beschikkingen van 23 november 2015, Slovenië/Commissie, T‑118/15, niet gepubliceerd, EU:T:2015:912, punt 31, en 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punt 33).
47
Tenslotte moet worden vastgesteld dat juist de vaststelling van het enige criterium van kennisgeving als beginpunt van de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van de handelingen waarbij de adressaten worden aangewezen, de rechtszekerheid en een daadwerkelijke rechterlijke bescherming garandeert, in tegenstelling tot een hybride oplossing als die welke door Roemenië wordt bepleit, volgens welke de adressaat van een handeling aan wie deze handeling naar behoren ter kennis is gebracht, nog steeds moet navragen of die handeling eventueel in het Publicatieblad zal worden bekendgemaakt, welke bekendmaking niet verplicht en dus onzeker is.
48
In de derde plaats voert Roemenië in wezen aan dat het beginpunt voor de beroepstermijn de volledige bekendmaking, en niet de onvolledige kennisgeving, van het bestreden besluit moet zijn. Volgens Roemenië volgt uit de verschillen tussen de tekst van het bestreden besluit die op 14 juni 2018 ter kennis is gebracht en die welke op 15 juni 2018 is bekendgemaakt dat de kennisgeving aan de permanente vertegenwoordiging van Roemenië onvolledig was en het land niet in staat heeft gesteld kennis te nemen van de inhoud van de handeling. Om te beginnen beroept Roemenië zich in dat verband op verschillen in de bepalingen met betrekking tot andere lidstaten. Wat vervolgens de hem betreffende bepalingen betreft, betoogt Roemenië dat de informatie in de vijfde kolom van de begrotingsposten 6701 en 6711, die betrekking heeft op de maatregel „Certificering” betreffende respectievelijk boekjaar 2015 en boekjaar 2014, onvolledig is wat betreft de redenen „Meest waarschijnlijke fout ELFPO niet-GBCS” en „Meest waarschijnlijke fout ELFPO GBCS”, aangezien in de ter kennis gebrachte versie slechts op dubbelzinnige wijze het „bedrag” („sumă” in het Roemeens) wordt vermeld. Volgens Roemenië betreffen deze verschillen essentiële aspecten, zoals de maatregelen, de redenen en de aard van de correcties, en hebben zij een directe invloed op de beslissing om een beroep tot nietigverklaring in te stellen en op de wijze waarop dit beroep wordt opgesteld. Bovendien betoogt het dat bepaalde verschillen juist gericht zijn op het gebruik van de bewoordingen „geschat bedrag”, dat in het verzoekschrift wordt betwist.
49
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak van een besluit naar behoren kennis is gegeven wanneer het is meegedeeld aan degene tot wie het is gericht, en deze in staat wordt gesteld er kennis van te nemen. Het Hof was van oordeel dat aan die laatste voorwaarde was voldaan wanneer de adressaat kennis heeft kunnen nemen van de inhoud en de motivering van dat besluit (zie arresten van 17 mei 2017, Portugal/Commissie, C‑337/16 P, EU:C:2017:381, punten 47 en 48, en 21 maart 2019, Eco-Bat Technologies e.a./Commissie, C‑312/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:235, punten 25 en 26).
50
Een louter formele vergissing of een weglating, die weliswaar niet louter formeel van aard is, doch de adressaat van het ter kennis gebrachte besluit niet belet kennis te nemen van de inhoud en de motivering ervan, heeft geen gevolgen voor de toepassing van de in artikel 263, zesde alinea, VWEU bedoelde beroepstermijnen (zie in die zin arresten van 17 mei 2017, Portugal/Commissie, C‑337/16 P, EU:C:2017:381, punten 48‑50, en 21 maart 2019, Eco-Bat Technologies e.a./Commissie, C‑312/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:235, punt 27).
51
In casu moet om te beginnen de stelling dat de bepalingen die gericht zijn tot andere lidstaten eventueel verschillend zijn, van de hand worden gewezen, aangezien zij hoe dan ook irrelevant is en ondoeltreffend voor het beroep van Roemenië (zie in die zin beschikking van 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punt 42).
52
Wat vervolgens de tot Roemenië gerichte bepalingen betreft, zij er inderdaad op gewezen, zoals de Commissie in haar antwoord op de vraag van het Gerecht heeft gedaan, dat er kleine verschillen bestaan tussen de ter kennis gebrachte versie en de bekendgemaakte versie van de vijfde kolom van de tabel in de bijlage bij het bestreden besluit. In de versie die ter kennis is gebracht van de permanente vertegenwoordiging van Roemenië was wegens problemen bij het drukken van de tabel in de bijlage bij het bestreden besluit, het woord „estimată” (geschat) dat wordt gebruikt bij correcties van het type „sumă estimată” (geschat bedrag), niet te zien omdat het buiten het bereik viel van de tabelcellen voor sommige begrotingsposten, waar alleen het woord „sumă” (bedrag) te zien was. Dit probleem deed zich niet opnieuw voor in de versie die in het Publicatieblad is bekendgemaakt.
53
Evenwel dient te worden vastgesteld dat die drukfout niet inhoudt dat de in de bijlage vervatte informatie niet begrijpelijk is. In die vijfde kolom mogen namelijk slechts vier soorten correcties worden vermeld, namelijk ten eerste „eenmalig” voor correcties waarvoor de niet-subsidiabele bedragen kunnen worden geïdentificeerd (punctuală of calculată in het Roemeens), ten tweede „forfaitair” voor forfaitaire correcties (rată forfetară in het Roemeens), ten derde „geschat bedrag” voor op basis van een gekend bedrag geëxtrapoleerde correcties (sumă estimată in het Roemeens), en ten vierde „geëxtrapoleerd” voor op basis van een gekend percentage geëxtrapoleerde correcties (extrapolate in het Roemeens). Aangezien drie soorten correcties in het Roemeens totaal andere namen hebben dan het woord „sumă” (bedrag), kan dit woord duidelijk en ondubbelzinnig alleen overeenkomen met het soort correctie „sumă estimată” (geschat bedrag).
54
Bovendien merkt de Commissie op dat Roemenië de tabellen in kwestie op 15 juni 2018 ook per e-mail heeft ontvangen van haar secretariaat-generaal. In dit geval zou zelfs een eenvoudige lezing van de bijlage die per e-mail is verstuurd, voldoende zijn geweest om die verschillen op te helderen.
55
Aangezien Roemenië het gebruik van de formulering „sumă estimată” (geschat bedrag) betwist, dient bovendien te worden opgemerkt, zoals de Commissie in haar antwoord op de vraag van het Gerecht heeft gedaan, dat twee correcties inderdaad per vergissing als „sumă estimată” (geschat bedrag) in plaats van „rată forfetară” (forfaitair bedrag) zijn geclassificeerd.
56
Die vergissing komt echter voor zowel in de tekst die de Commissie op 14 juni 2018 ter kennis van de permanente vertegenwoordiging van Roemenië heeft gebracht als in de tekst die op 15 juni 2018 in het Publicatieblad is bekendgemaakt, zodat Roemenië niet kan stellen dat een dergelijke vergissing het land ervan heeft weerhouden om binnen de voorgeschreven termijn beroep in te stellen.
57
Bovendien wijst de Commissie erop dat deze kleine redactionele vergissing noch in de administratieve procedure, noch in het samenvattend verslag (summary report) dat de motivering van het bestreden besluit bevat, is gemaakt. In dat geval kan er geen verwarring bestaan over de aard van de correctie.
58
Bijgevolg moet worden aangenomen dat dergelijke kleine verschillen tussen de ter kennis gebrachte tekst en de bekendgemaakte tekst, die het gevolg zijn van een probleem bij het printen van de tabel in de bijlage bij het bestreden besluit, alsmede een kleine redactionele vergissing die beide teksten gemeen hebben, Roemenië er niet van hebben kunnen weerhouden om met voldoende duidelijkheid en nauwkeurigheid kennis te nemen van dit besluit, de motivering ervan te begrijpen en er binnen de gestelde termijn beroep tegen in te stellen (zie in die zin beschikking van 19 april 2016, Portugal/Commissie, T‑550/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:237, punt 43).
59
Bijgevolg dient de in punt 32 hierboven geformuleerde conclusie te worden bevestigd, te weten dat de termijn voor het instellen van beroep tegen het bestreden besluit is ingegaan op de datum van kennisgeving ervan aan de permanente vertegenwoordiging van Roemenië, en niet op de datum van de bekendmaking in het Publicatieblad.
60
Gelet op bovenstaande overwegingen en overeenkomstig de artikelen 58 en 60 van het Reglement voor de procesvoering, is de beroepstermijn, met inbegrip van de termijn wegens afstand, dus verstreken op 24 augustus 2018 om middernacht.
61
Roemenië heeft het verzoekschrift echter eerst op 7 september 2018 ingediend.
62
Daaruit volgt dat het beroep kennelijk na het verstrijken van de voorgeschreven termijn en dus te laat is ingesteld.
63
Ten slotte heeft Roemenië bewezen noch zelfs gesteld dat sprake was van een verschoonbare dwaling, en evenmin van toeval of overmacht, op grond waarvan het Gerecht van de voorgeschreven termijn zou kunnen afwijken op basis van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op de procedure voor het Gerecht van toepassing is ingevolge artikel 53 van dat Statuut.
64
Uit het voorgaande volgt dat het onderhavige beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Kosten
65
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
66
Aangezien Roemenië in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in zijn eigen kosten en in de kosten van de Commissie.
HET GERECHT (Achtste kamer)
beschikt:
1)
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2)
Roemenië wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van de Europese Commissie.
Luxemburg, 30 april 2019.
De griffier
E. Coulon
De president
A. M. Collins
( *1 ) Procestaal: Roemeens.