25.3.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 112/48
Beroep ingesteld op 8 februari 2019 — Comune di Milano/Parlement en Raad
(Zaak T-75/19)
(2019/C 112/59)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Comune di Milano (vertegenwoordigers: F. Sciaudone, M. Condinanzi en A. Neri, advocaten)
Verwerende partijen: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
verordening (EU) 2018/1718 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van verordening (EG) nr. 726/2004 wat betreft de zetel van het Europees Geneesmiddelenbureau („EMA”) nietig verklaren;
—
verklaren dat het besluit van de Raad van 20 november 2017 in de zin van punt 6 van de procedureregels van 22 juni 2017 geen effect sorteert;
—
de Raad en het Europees Parlement verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij vier middelen aan.
1.
Het eerste middel is ontleend aan schending van de beginselen van representatieve democratie (art. 10 VEU) en van institutioneel evenwicht en loyale samenwerking (art. 13 VEU), alsmede aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en van artikel 14 VEU
—
Verzoekende partij beroept zich op schending van de betrokken beginselen voor zover: (i) de zetel van het EMA, buiten en vóór de inleiding van de gewone wetgevingsprocedure, door één enkele instelling, de Raad, is gekozen aan het einde van een besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het besluit van 20 november 2017, waarbij de inhoud van de bestreden verordening (en daarmee de toewijzing van de zetel van het EMA aan Amsterdam) is vastgesteld; (ii) de Raad en de Commissie — de enige instellingen die betrokken waren bij de selectieprocedure — het Parlement niet hebben betrokken bij de selectieprocedure betreffende de zetel van het EMA, die in feite de basis van het besluitvormingsproces vormt; (iii) de Raad en de Commissie het Parlement, in het kader van de gewone wetgevingsprocedure, voor een voldongen feit hebben gesteld wat de (reeds vastgelegde) keuze voor Amsterdam als plaats van de zetel betreft; (iv) de Raad en de Commissie het Parlement geen ruimte hebben gelaten om dat besluit te beoordelen of ter discussie te stellen, maar integendeel hebben getracht om de wetgevingsprocedure zo snel mogelijk te voltooien; (v) het voor het Parlement onmogelijk was om zijn in de Verdragen vastgestelde fundamentele taak uit te oefenen en het tijdens de wetgevingsprocedure geen andere keuze had dan het door de Raad genomen besluit met tegenzin te „bekrachtigen”.
2.
Het tweede middel berust op het bestaan van feiten die wijzen op misbruik van bevoegdheid en schending van de beginselen van transparantie, van behoorlijk bestuur en van billijkheid
—
Volgens verzoekende partij had de selectieprocedure tot doel, de beste kandidatuur voor de hervestiging van de zetel van het EMA te kiezen aan de hand van de objectieve selectiecriteria die vooraf in de aankondiging waren vastgelegd. Ingevolge het feit dat in casu de zetel bij loting en zonder enig voorafgaand onderzoek werd bepaald, kon evenwel niet worden nagegaan op welke punten de kandidatuur van Milaan en die van Amsterdam van elkaar verschilden en was het niet mogelijk om de beste kandidatuur te kiezen. Voorts is het voor Amsterdam gunstige resultaat van de stemming van 20 november 2017 toe te schrijven aan het verzuim van de Commissie om een daadwerkelijk onderzoek te verrichten en aan de onjuiste voorstelling van de Nederlandse kandidatuur (overigens op verschillende wezenlijke punten). De lidstaten die voor de kandidatuur van Amsterdam hebben gestemd, gingen dus ten onrechte ervan uit dat zij aan de voorwaarden van de aankondiging en de specifieke vereisten van het EMA voldeed. Daarenboven is de Nederlandse kandidatuur achteraf (in negatieve zin) gewijzigd na de stemming van 20 november 2017. De wijzigingen aan de kandidatuur zouden in het geheim en bilateraal onderhandeld zijn. De gebreken van het besluit van 20 november 2017 brengen de onwettigheid van de bestreden verordening met zich mee.
3.
Het derde middel is gebaseerd op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur
—
Met dit middel wordt aangevoerd dat het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot de keuze van de nieuwe zetel van het EMA, wordt gekenmerkt door het ontbreken van de vorm en wijze die de noodzakelijke transparantie dienen te waarborgen. De ontbrekende onderzoeken en de omstandigheid dat enkele wezenlijke aspecten van de Nederlandse kandidatuur in het geheim en bilateraal later zijn heronderhandeld, hebben geleid tot een nog ernstigere schending van het transparantiebeginsel. Bovendien zijn bij de vaststelling van het besluit vele relevante elementen niet in aanmerking genomen. De door de Commissie niet-verrichte daadwerkelijke beoordeling van de kandidaturen en haar onjuiste voorstelling van de Nederlandse kandidatuur op drie wezenlijke punten (oppervlakte van de tijdelijke zetel, financiële voorwaarden en de geschiktheid om de operationele continuïteit van het EMA te verzekeren) hebben geleid tot een nog ernstigere schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.
4.
Het vierde middel heeft betrekking op het besluit van de Raad van 11 september 2009 houdende vaststelling van zijn reglement van orde alsmede op schending van de procedureregels van de Raad van 31 oktober 2017
—
Met dit middel wordt betoogd dat de wijze waarop de stemmingen hebben plaatsgevonden en het resultaat ervan gebreken vertonen wegens schending van specifieke bepalingen die de Raad in acht had moeten nemen en de onwettigheid van het besluit van 20 november 2017 en van de bestreden verordening met zich meebrengen.
Full & Egal Universal Law Academy