15.4.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 139/83
Beroep ingesteld op 19 februari 2019 — Garriga Polledo e.a./Parlement
(Zaak T-102/19)
(2019/C 139/84)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Salvador Garriga Polledo (Madrid, Spanje) en 45 andere verzoekende partijen (vertegenwoordigers: A. Schmitt en A. Waisse, advocaten)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
—
voor zover nodig, bij wege van maatregelen tot organisatie van de procesgang of onderzoeksmaatregelen, het Europees Parlement veroordelen tot overlegging van de adviezen van de juridische dienst van het Europees Parlement van 16 juli en 3 december 2018, onder voorbehoud van de precieze datum, of in ieder geval van vóór de vaststelling van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 10 december 2018 tot wijziging van de bepalingen ter uitvoering van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (PB 2018, C 466, blz. 8);
—
voornoemd besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 10 december 2018 tot wijziging van de bepalingen ter uitvoering van het Statuut van de leden van het Europees Parlement nietig verklaren, voor zover het artikel 76 van de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden wijzigt (overwegingen 5 en 6 en artikel 1, lid 7, van voornoemd besluit, en artikel 2 ervan voor zover het betrekking heeft op dat artikel 76), dan wel, indien voornoemde onderdelen niet kunnen worden gescheiden van de rest van de bestreden handeling, het voornoemde besluit in zijn geheel nietig verklaren;
—
het Parlement verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren de verzoekende partijen vijf middelen aan.
1.
Onbevoegdheid ratione materiae van het Bureau.
—
Ten eerste is de bestreden handeling vastgesteld in strijd met het Statuut van de leden van het Europees Parlement dat is aangenomen bij besluit van het Europees Parlement van 28 september 2005, 2005/684/EG, Euratom (PB 2005, L 262, blz. 1) (hierna: „Statuut”). De bestreden handeling is met name in strijd met de bepalingen van artikel 27 van het Statuut, op grond waarvan „de verworven rechten en aanspraken” blijven bestaan.
—
Ten tweede voert de bestreden handeling een belasting in door een speciale heffing in te stellen van 5 % van het nominale pensioenbedrag, terwijl het invoeren van een belasting volgens artikel 223, lid 2, VWEU niet onder de bevoegdheid van het Bureau valt.
2.
Schending van wezenlijke vormvoorschriften.
—
Ten eerste heeft het Bureau de bestreden handeling aangenomen zonder de voorschriften van artikel 223 VWEU te eerbiedigen.
—
Ten tweede is de bestreden handeling onvoldoende gemotiveerd, en schendt deze dus de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU, en artikel 41, lid 1, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.
Schending van verworven rechten en rechten in wording en van het vertrouwensbeginsel.
—
Ten eerste schendt de bestreden handeling de verworven rechten en rechten in wording die voortvloeien uit zowel algemene rechtsbeginselen als het Statuut, dat uitdrukkelijk bepaalt dat deze „in volle omvang” blijven bestaan (artikel 27).
—
Ten tweede schendt de bestreden handeling het vertrouwensbeginsel.
4.
Schending van het evenredigheidsbeginsel en de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie.
—
Ten eerste staan de inbreuken op de rechten van de verzoekende partijen niet in verhouding met de door de bestreden handeling nagestreefde doelstellingen.
—
Ten tweede moet de bestreden handeling nietig worden verklaard wegens schending van de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie.
5.
Schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het ontbreken van overgangsmaatregelen.
—
Ten eerste schendt de bestreden handeling het rechtszekerheidsbeginsel omdat deze op onregelmatige wijze terugwerkende kracht heeft.
—
Ten tweede schendt de bestreden handeling het rechtszekerheidsbeginsel omdat deze geen overgangsmaatregelen vaststelt.
Full & Egal Universal Law Academy