15.4.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 139/87
Beroep ingesteld op 20 februari 2019 — ACRE/Parlement
(Zaak T-107/19)
(2019/C 139/88)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Alliance of Conservatives and Reformists in Europe (ACRE) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: E. Plasschaert en E. Montens, advocaten)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
—
Het besluit van het Europees Parlement van 10 december 2018, vervat in de brief van 12 december 2018 met referentie D202862 over verzoeksters definitieve subsidie voor 2017 nietig verklaren, voor zover daarbij:
—
het bedrag met betrekking tot de enquête „Survey on attitude on UK minority groups in the EU”, te weten 108 985,58 EUR, is geherkwalificeerd als een niet-subsidiabele uitgave die moet worden terugbetaald, wegens vermeende niet-naleving van artikel 7 van verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 (1);
—
het bedrag met betrekking tot de „UK Trade Partnership Conference”, te weten 122 295,10 EUR, is geherkwalificeerd als een niet-subsidiabele uitgave die moet worden terugbetaald, wegens vermeende niet-naleving van artikel 7 van verordening nr. 2004/2003;
—
het bedrag met betrekking tot de „Conservative International — Miami Conference of 26-27 May 2017”, te weten 249 589,17 EUR, is geherkwalificeerd als een niet-subsidiabele uitgave die moet worden terugbetaald, wegens vermeende niet-naleving van artikel 8 van verordening nr. 2004/2003;
—
het bedrag met betrekking tot de „Conservative International — Kampala Conference of 13-15 July 2017”, te weten 91 546,58 EUR, is geherkwalificeerd als een niet-subsidiabele uitgave die moet worden terugbetaald, wegens vermeende niet-naleving van artikel 8 van verordening nr. 2004/2003;
—
is bepaald dat de betaling van 133 043,80 EUR aan lidmaatschapsgeld door de „Welvarend Armenië Partij” wordt begrensd door de donatielimiet van 12 000 EUR, en verzoekster is opgedragen om het bedrag boven die limiet van 12 000 EUR, te weten 121 043,80 EUR, aan dat lid terug te betalen;
—
bijdragebesluit met nummer FINS-2019-5 nietig verklaren, voor zover het de betaling door het Europees Parlement van 100 % van de voorfinanciering, ten belope van 4 422 345,48 EUR, afhankelijk stelt van terugbetaling vóór 15 januari 2019 van: (i) het bedrag van 535 609,48 EUR aan het Europees Parlement en (ii) elk ten onrechte van een derde ontvangen bedrag aan die derde en, dientengevolge, artikel 1.5.1 van de bijzondere voorwaarden bij dat bijdragebesluit nietig verklaren;
—
verweerder verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar eerste vordering voert verzoekster dertien middelen aan.
Middelen met betrekking tot alle betwiste elementen van het besluit:
1.
Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, de artikelen 7 en 8 van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 29 maart 2004 houdende de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2004/2003, artikel II.14.1 van het besluit van 2017 tot toekenning van een subsidie, en van verzoeksters recht van verweer.
2.
Schending van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 2004/2003.
Middelen met betrekking tot de herkwalificatie van het bedrag van 108 985,58 EUR als niet-subsidiabele uitgave die moet worden terugbetaald:
3.
Schending van artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 en in ieder geval een kennelijke beoordelingsfout.
4.
Schending van het algemene EU-beginsel van rechtszekerheid.
5.
Schending van het algemene EU-beginsel van gelijke behandeling.
Middelen met betrekking tot de herkwalificatie van het bedrag van 122 295,10 EUR als niet-subsidiabele uitgave die moet worden terugbetaald:
6.
Schending van artikel 7 van verordening nr. 2004/2003 en in ieder geval een kennelijke beoordelingsfout.
7.
Schending van het algemene EU-beginsel van gelijke behandeling.
Middelen met betrekking tot de herkwalificatie van de bedragen van 249 589,17 en 91 546,58 EUR als niet-subsidiabele uitgaven die moeten worden terugbetaald:
8.
Schending van artikel 8 van verordening nr. 2004/2003, artikel 10, lid 4, VEU, artikel 204 bis van het Financieel Reglement, en de artikelen 11 en 12 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en in ieder geval een kennelijke beoordelingsfout.
9.
Schending van het EU-beginsel van rechtszekerheid.
10.
Schending van het algemene EU-beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie.
Middelen met betrekking tot de herkwalificatie van het bedrag van 133 043 EUR en het bevel tot terugbetaling van 121 043,80 EUR:
11.
Schending van de artikelen 2 en 6 van verordening nr. 2004/2003, en in ieder geval een kennelijke beoordelingsfout.
12.
Schending van het EU-beginsel van rechtszekerheid.
13.
Schending van het EU-beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie.
Ter ondersteuning van haar tweede vordering voert verzoekster twee middelen aan.
1.
Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, artikel 19 van verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 (2), en van verzoeksters recht van verweer.
2.
Schending van artikel 6, lid 1, van het besluit van het Bureau van het Europees Parlement van 28 mei 2018 houdende de uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1141/2014.
(1) Verordening (EG) nr. 2004/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen op Europees niveau (PB L 297, 15.11.2003, blz. 1).
(2) Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB L 317, 4.11.2014, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy