17.6.2019
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 206/45
Beroep ingesteld op 22 maart 2019 — Vincenti/EUIPO
(Zaak T-174/19)
(2019/C 206/49)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Guillaume Vincenti (Alicante, Spanje) (vertegenwoordiger: H. Tettenborn, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie
Conclusies
—
de bij brief van 6 juni 2018 medegedeelde besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag van het EUIPO om verzoeker in het kader van de bevorderingsronden 2014, 2015, 2016 en 2017 niet te bevorderen naar de volgende rang (AST 8), nietig verklaren, en
—
het EUIPO verwijzen in de proceskosten.
Middelen en voornaamste argumenten
1.
Schending van artikel 45 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, kennelijke beoordelingsfouten, onjuiste omzetting dan wel niet-inachtneming van het arrest van 14 november 2017, Vincenti/EUIPO (T-586/16, EU:T:2017:803)
In het kader van het eerste middel wordt aangevoerd dat het tot aanstelling bevoegd gezag van verweerder artikel 45 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) heeft geschonden, kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt en het arrest van 14 november 2017, Vincenti/EUIPO (T-586/16, EU:T:2017:803) niet, dan wel onjuist, heeft omgezet, aangezien het verzoeker niet heeft behandeld als had het hem op de respectieve data toegestaan om deel te nemen aan de afzonderlijke beoordelingsprocedures, maar het in plaats daarvan — bij het nemen van de bestreden besluiten op 6 juni 2018 — een algemene beoordeling heeft verricht. Volgens voornoemd arrest kon de bevordering niet worden geweigerd op grond van omstandigheden waarmee het Bureau niet bekend was op het tijdstip waarop het had moeten beslissen.
Verder betoogt verzoeker dat de algemene weigering van bevordering voor vier opeenvolgende jaren onder verwijzing naar dezelfde gedraging van hem onrechtmatig is, aangezien dit een net zo zware sanctie als die van artikel 9, lid 1, onder e) en f), van het Statuut, en daarmee uiteindelijk een permanente weigering van bevordering van punitieve aard vormt, waarbij de rechten van verdediging die hem in een tuchtprocedure toekomen worden omzeild, en het „ne-bis-in-idem”-beginsel wordt geschonden.
Voorts voert verzoeker aan dat hij in de bestreden besluiten van het Bureau ten onrechte wordt benadeeld vanwege zijn langdurige ziekte, omdat verweerder die periode niet heeft aangemerkt als een periode waarin verzoeker het hem verweten gedrag heeft verbeterd, wat neerkomt op een kennelijke beoordelingsfout, en een foutieve toepassing van artikel 45 van het Statuut en het arrest van 14 november 2017, Vincenti/EUIPO (T-586/16, EU:T:2017:803).
2.
Schending van verzoekers recht om te worden gehoord, dat is neergelegd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van verzoekers procedurele rechten, neergelegd in artikel 5 van besluit C(2013) 8968 final van de Commissie van 16 december 2013 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut, en in het bijzonder de leden 5 en 7 van dat artikel.
In het kader van het tweede middel wordt aangevoerd dat verweerder het recht van verzoeker om te worden gehoord voordat er een voor hem bezwarend besluit wordt genomen, heeft geschonden, aangezien verzoeker niet in gelegenheid is gesteld om opmerkingen te maken. Dit wordt door verweerder niet betwist.
Hiermee heeft verweerder ook direct de procesrechten van verzoeker geschonden die zijn neergelegd in — met name de leden 5 en 7 van — artikel 5 van besluit C(2013) 8968 final van de Commissie van 16 december 2013 houdende algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut, die bovendien het belang van het geschonden recht om te worden gehoord weerspiegelen en bevestigen dat verzoeker ook in het onderhavige geval het recht had om te worden gehoord voordat de bestreden besluiten werden vastgesteld.
Full & Egal Universal Law Academy